Arrest d.d. 30 december 2008 Zaaknummer 107.002.097/01 HET GERECHTSHOF TE ARNHEM Nevenzittingsplaats Leeuwarden Arrest van de derde kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van: [appellant], wonende te China, appellante in het principaal en geïntimeerde in het incidenteel appel, in eerste aanleg: eiseres, hierna te noemen: [appellant], toevoeging, advocaat: mr. G.J.P.C.G. Verheijen, kantoorhoudende te Oosterhout, tegen Stichting Saxion, gevestigd te Enschede, tevens kantoorhoudende te Deventer, geïntimeerde in het principaal en appellante in het incidenteel appel, in eerste aanleg: gedaagde, hierna te noemen: Saxion, advocaat: mr. H. van Ravenhorst, kantoorhoudende te Arnhem, voor wie gepleit heeft mr. S.A. van Lammeren, advocaat te Enschede. Het geding in eerste instantie In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het vonnis uitgesproken op 6 juni 2007 door de rechtbank Zwolle-Lelystad. Het geding in hoger beroep Bij exploot van 1 september 2007 is door [appellant] hoger beroep ingesteld van genoemd vonnis met dagvaarding van Saxion tegen de zitting van 12 september 2007. De conclusie van de dagvaarding in hoger beroep luidt: ''bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: - het op 06 juni 2007 gewezen vonnis in de procedure op tegenspraak met rolnummer 122929/ HA ZA 06-950 ten aanzien van [appel[appellant] te vernietigen; - en opnieuw rechtdoende, geïntimeerde alsnog te veroordelen tot het betalen van een bedrag van € 5.652,- te vermeerderen met de wettelijke rente en buitengerechtelijke kosten per maand over het bedrag € 5.652,- sinds de dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening; - met veroordeling van geïntimeerde in de kosten van beide instanties waaronder begrepen een bedrag aan salaris voor de gemachtigde en procureur van appellante en de kosten dezer dagvaarding.'' Bij memorie van antwoord is door Saxion verweer gevoerd en incidenteel geappelleerd met als conclusie: 1. ''mevrouw [appellant] te veroordelen tot zekerheid stelling voor de door Saxion gemaakte en nog te maken proceskosten voor een bedrag van € 5.210,29, althans een door het gerechtshof in goede justitie te bepalen bedrag; 2. het vonnis van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 6 juni 2007 voor wat betreft het deel waarin een deel van de vorderingen van mevrouw [appellant] worden toegewezen en de proceskosten worden gecompenseerd, te vernietigen en mevrouw [appellant] te veroordelen in de proceskosten in eerste aanleg en in hoger beroep; 3. het vonnis a quo voor het overige met verbetering en/of aanvulling van de gronden te bevestigen;' 4. de proceskosten veroordeling uitvoerbaar bij voorbaat te verklaren.'' Door [appellant] is in het incidenteel appel geantwoord met als conclusie: 1. ''De vorderingen tot zekerheidstelling alsmede de proceskostenveroordeling door [appellant] af te wijzen; 2. aanvulling van de gronden te bevestigen; 3. Voor het overige persisteert [appellant]'' Vervolgens hebben partijen hun zaak doen bepleiten onder overlegging van pleitnota's door hun advocaten. Tenslotte hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest. De grieven [appellant] heeft in het principaal appel veertien genummerde grieven opgeworpen (waarvan twee met de nummering VI). Saxion heeft in het incidenteel appel drie grieven opgeworpen. De beoordeling In het incident 1. Met een beroep op het bepaalde in artikel 224 lid 1 Rv heeft Saxion voor alle weren gevorderd dat [appellant] zekerheid stelt voor de proceskosten die Saxion in eerste aanleg en in hoger beroep heeft gemaakt en zal maken. Zij heeft die kosten op grond van het volgens haar toepasselijke liquidatietarief begroot op € 5.210,29. 2. Het hof constateert dat Saxion ondanks het vorderen van deze cautie voor antwoord heeft geconcludeerd in een conclusie die niet onmiddellijk (door vermelding daarvan in de kop) als een zodanige incidentele conclusie was te herkennen. Toen vervolgens van de zijde van [appellant] pleidooi is gevraagd, heeft Saxion zich daartegen niet verzet. Dat pleidooi heeft vervolgens ook zonder enig protest plaatsgehad. Onder die omstandigheden valt het in rechte te respecteren belang van Saxion bij honorering van haar verzoek niet in te zien. De cautie is immers mogelijk gemaakt teneinde te voorkomen dat kosten worden gemaakt die na een toewijzende veroordeling onverhaalbaar blijken te zijn. De zin van een dergelijke zekerheid ontbreekt indien, zoals hier, deze kosten al zijn gemaakt op het moment dat voor het eerst over het verzoek kan worden geoordeeld. 3. Saxion zal als de in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de in het incident gevallen kosten. In de hoofdzaak De feiten 4. Principale grief I richt zich tegen een onderdeel van hetgeen de rechtbank in haar vonnis van 6 juni 2007 onder 2.2 als vaststaand heeft aangemerkt. Het hof zal dit onderdeel voorshands buiten beschouwing laten en daarop zo nodig naderhand terugkomen. Voorts blijkt uit incidentele grief II dat Saxion bestrijdt dat het [appellant] - anders dan de rechtbank heeft aangenomen - tussen 1 september 2003 en 30 augustus 2004 niet was toegestaan om arbeid te verrichten, al dan niet in loondienst. Met inachtneming van deze overwegingen staat in ieder geval in hoger beroep het volgende vast. 5. [appellant] heeft op basis van een onderwijsovereenkomst met Saxion, een instelling voor hoger beroepsonderwijs, in de periode gelegen tussen 2001 en 2004 een opleiding gevolgd (IBMS). Aan Saxion studeren veel studenten uit het buitenland die, waar nodig, door Saxion worden begeleid in een aantal praktische zaken zoals het aanvragen en verlengen van verblijfsvergunningen. Saxion heeft daarvoor speciaal een 'International Office' opgericht. 6. Op 3 augustus 2003 heeft [appellant], bijgestaan door Saxion, bij de Korpschef van het Regionaal Politiekorps IJsselland, een aanvraag tot verlenging van de haar verleende verblijfsvergunning ingediend. Dat verzoek is evenwel niet ingewilligd, zulks op grond dat de leges (kosten voor de verblijfsvergunning) niet tijdig waren betaald. [appellant] is als gevolg daarvan met uitzetting bedreigd. In de periode tussen 1 september 2003 en 30 augustus 2004 is [appellant] verstoken geweest van een verblijfsvergunning. Bij beschikking van 24 juni 2004 is haar verzoek uiteindelijk ingewilligd - de leges waren alsnog door Saxion betaald bij spoedbetaling van 18 november 2003 - maar [appellant] heeft het verblijfsdocument pas op 30 augustus 2004 ontvangen. Het geschil 7. [appellant] vordert op grond van toerekenbare tekortkoming althans onrechtmatige daad betaling van schade die zij zegt te hebben geleden als gevolg van het feit dat de verlenging van haar verblijfsvergunning in eerste instantie is geweigerd omdat de leges niet tijdig waren voldaan. De grieven in het principaal appel 8. Aan grieven wordt als eis gesteld dat daarin de gronden die de appellant aanvoert ten betoge dat de bestreden uitspraak behoort te worden vernietigd, behoorlijk in het geding naar voren worden gebracht, zodat zij voor de appelrechter en de wederpartij, die immers moet weten waartegen zij zich heeft te verweren, voldoende kenbaar zijn (vgl. HR 5 december 2003, NJ 2004, 76 en HR 14 oktober 2005, NJ 2006, 620). In deze zaak zijn de grieven van [appellant] gericht tegen het overgrote deel van hetgeen de rechtbank heeft overwogen, zonder dat uit de gegeven toelichting duidelijk blijkt dat, en zo ja om welke reden, honorering van die grieven tot vernietiging zou moeten leiden. Het hof zal daarom aan de afzonderlijke grieven voorbijgaan en slechts de inhoudelijke bezwaren behandelen voor zover die tot vernietiging van het beroepen vonnis zouden kunnen leiden. De grondslag voor de aansprakelijkheid 9. De principale grieven en de incidentele grieven richten zich tegen het oordeel van de rechtbank dat van een tekortkoming geen sprake is (principale grief IX), maar dat uit de eisen van de redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat de schade desalniettemin door beide partijen gelijkelijk moet worden gedragen (in het bijzonder incidentele grief I). Het hof oordeelt als volgt. 10. [appellant] heeft op verzoek van Saxion de voor de vergunningaanvraag verschuldigde leges als onderdeel van een groter bedrag vooraf aan Saxion voldaan, zonder dat over de wijze waarop vervolgens voor betaling van die leges zou worden zorg gedragen enige afspraak is gemaakt. Onbestreden is hoe dan ook (in de woorden van Saxion zelf) dat door deze betaling op Saxion een rechtsplicht is komen te rusten om op enig moment (het hof leest: tijdig) de leges te voldoen. Saxion is evenwel van mening dat niet voor haar rekening komt het uitzonderlijke geval dat de desbetreffende acceptgiro's van de IND niet naar haar, maar naar [appellant] worden gestuurd. Zonder nadere toelichting - die niet is gegeven - valt dat echter niet in te zien. 11. Enerzijds is immers niet gemotiveerd bestreden (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.