Parketnummer: 24-001536-08 Parketnummer eerste aanleg: 07-090444-04 Arrest van 21 januari 2009 van het gerechtshof te Arnhem, nevenzittingsplaats Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zwolle-Lelystad van 7 januari 2005 in de strafzaak tegen: [verdachte], geboren op [1977] te [geboorteplaats], thans zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande, niet ter terechtzitting verschenen. Wel verschenen is de raadsman van verdachte, mr. V.C. van der Velde, advocaat te Almere. Het vonnis waarvan beroep De politierechter in de rechtbank Zwolle-Lelystad heeft de verdachte bij het vonnis wegens een misdrijf veroordeeld tot een straf en een bijkomende straf, zoals in dat vonnis omschreven. Gebruik van het rechtsmiddel De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen. Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep De raadsman van verdachte heeft verklaard uitdrukkelijk te zijn gemachtigd verdachte ter terechtzitting te verdedigen. Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. De ontvankelijkheid van het openbaar ministerie De raadsman van verdachte heeft betoogd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging moet worden verklaard nu de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM is overschreden. Hij heeft hiertoe - kort gezegd - aangevoerd dat, nu de betekening van het verstekvonnis van 7 januari 2005 niet heeft plaatsgevonden, de redelijke termijn waarbinnen de betekening had moeten plaatsvinden is overschreden. Daarnaast zou niet duidelijk zijn geworden waarom na 8 maart 2005 niet is geprobeerd het vonnis alsnog te betekenen. Het hof overweegt dienaangaande het volgende. Niet is gebleken dat het verstekvonnis van 7 januari 2005 rechtsgeldig is betekend. Het hof is van oordeel dat het tijdsverloop, gerekend vanaf de uitspraak op 7 januari 2005, zodanig lang is dat dit als onredelijk in de zin van artikel 6 van het EVRM moet worden aangemerkt. Niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die dit tijdsverloop zouden kunnen rechtvaardigen. In het licht van de jurisprudentie (HR 17 juni 2008, NJ 2008/358) leidt deze vertraging echter niet tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging. Het hof verwerpt het verweer van de raadsman in zoverre. Het hof zal bij de strafoplegging echter wel rekening houden met voormelde onredelijke vertraging in de vervolging. De vordering van de advocaat-generaal De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het verdachte ten laste gelegde bewezen zal verklaren en hem ter zake zal veroordelen tot een geldboete van € 500,00 subsidiair 10 dagen vervangende hechtenis en hem voorwaardelijk de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van zes maanden zal ontzeggen, met een proeftijd van twee jaren. Bij de hoogte van de gevorderde straf heeft de advocaat-generaal rekening gehouden met een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM. De beslissing op het hoger beroep Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen. Tenlastelegging Verdachte is ten laste gelegd dat: hij op of omstreeks 31 januari 2004 in de gemeente [gemeente] als bestuurder van een voertuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 520 microgram, in elk geval hoger dan 220 microgram, alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn. (art 8 lid 2 ahf/ond a Wegenverkeerswet 1994) Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat: hij op 31 januari 2004 in de gemeente [gemeente] als bestuurder van een voertuig (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 520 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn. Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen. Kwalificatie Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf: overtreding van artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wegenverkeerswet
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.