GERECHTSHOF ARNHEM Sector civiel recht zaaknummer 104.004.132 rolnummer (oud) 2007/1097 arrest van de derde civiele kamer van 3 maart 2009 inzake [appellant], wonende te [woonplaats], appellant, advocaat: mr. B.J. Driessen, tegen: de maatschap [geïntimeerde] Notarissen (voorheen genaamd [...] Notarissen), gevestigd te [vestigingsplaats], geïntimeerde, advocaat: mr. W.J.G.M. Van den Broek. 1. Het verdere verloop van het geding in hoger beroep 1.1 Het hof verwijst naar zijn tussenarrest van 25 september 2007. Ingevolge dat tussenarrest heeft op 29 november 2007 een comparitie van partijen plaatsgevonden. Het hiervan opgemaakte proces-verbaal bevindt zich in afschrift bij de stukken. 1.2 Bij memorie van grieven heeft [appellant] twee grieven tegen het vonnis van 18 april 2007 aangevoerd en toegelicht, bewijs aangeboden en producties in het geding gebracht. Hij heeft gevorderd dat het hof, voor zover mogelijk bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard arrest, het bestreden vonnis zal vernietigen en, opnieuw recht doende, [geïntimeerde] alsnog niet-ontvankelijk zal verklaren in haar vordering, althans haar deze zal ontzeggen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten van beide instanties. 1.3 Bij memorie van antwoord heeft [geïntimeerde] de grieven bestreden. Zij heeft geconcludeerd dat het hof, bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard arrest, [appellant] niet-ontvankelijk zal verklaren in het hoger beroep, althans zijn vorderingen zal afwijzen en het vonnis van de rechtbank zal bekrachtigen, met veroordeling van [appellant] in de kosten van [het hof leest:] het hoger beroep. 1.4 Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd. 2. De vaststaande feiten De rechtbank heeft in het bestreden vonnis van 18 april 2007, onder 2.1 tot en met 2.5, feiten vastgesteld. Het hof zal in hoger beroep ook van die feiten uitgaan. 3. De motivering van de beslissing in hoger beroep 3.1 Deze zaak betreft het volgende. [geïntimeerde] heeft de openbare verkoop uitgevoerd van de woning van [A.]. [A.] is de vader van [appellant]. Na aflossing van de openstaande schuld, resteerde na de openbare verkoop van de woning een opbrengst van € 54.467,65. Dit bedrag kwam aan [A.] toe. [geïntimeerde] heeft op 6 juni 2006 voornoemd bedrag overgemaakt op bankrekeningnummer [...] welke rekening echter op naam staat van [appellant]. [A.] heeft op 13 juli 2006 aan [geïntimeerde] bericht dat hij dit bedrag nog niet had ontvangen. [geïntimeerde] heeft nog diezelfde dag hierover contact opgenomen met [appellant], waarna [appellant] [geïntimeerde] onherroepelijk heeft gemachtigd om het bedrag van € 54.467,65 van zijn bankrekening naar die van zijn vader over te maken. Het saldo van de bankrekening van [appellant] op dat moment liet echter nog slechts overmaking toe van een bedrag van € 23.194,-- aan [A.]. Op 8 november 2006 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Arnhem verlof verleend tot het leggen van conservatoir beslag op de aan [appellant] toebehorende roerende zaken. 3.2 [geïntimeerde] vordert in dit geding, kort gezegd, om [appellant] te veroordelen tot terugbetaling van een bedrag van € 31.273,65 (€ 54.467,65 verminderd met reeds betaalde bedrag van € 23.194,--), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 6 juni 2006, althans vanaf 22 september 2006, althans vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening. [geïntimeerde] heeft aan deze vordering ten grondslag gelegd dat het op 6 juni 2006 aan [appellant] overgemaakte bedrag onverschuldigd aan hem is betaald en dat [appellant] daarom gehouden is tot terugbetaling. [appellant] heeft als verweer gevoerd dat hij, nadat hem bleek dat een bedrag van € 54.467,65 op zijn bankrekening was gestort, in de veronderstelling verkeerde dat hij een geldprijs in een prijzenfestival had gewonnen waarin hij destijds meespeelde. [appellant] betoogt dat hij in de periode van 6 juni 2006 tot 13 juli 2006 vanuit die veronderstelling een deel van het ontvangen bedrag te goeder trouw heeft uitgegeven en dat daarom niet van hem kan worden gevergd om het nog openstaande bedrag aan [geïntimeerde] terug te betalen. 3.3 De rechtbank heeft in het bestreden vonnis, veronderstellenderwijs aannemend dat art. 6:204 BW ook ziet op onverschuldigd betaalde geldsommen, beoordeeld of [appellant] in de periode dat hij het bedrag ontving en deels spendeerde, te goeder trouw was. De rechtbank heeft geoordeeld dat nu [appellant] heeft nagelaten enig onderzoek te verrichten, terwijl dit wel van hem mocht worden verwacht, [appellant] niet te goeder trouw was. [appellant] is dan ook gehouden het door [geïntimeerde] onverschuldigd betaalde bedrag, voor zover dat nog niet door [appellant] is terugbetaald, aan [geïntimeerde] te betalen. De rechtbank heeft [appellant], bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis, veroordeeld tot betaling aan [geïntimeerde] van € 31.273,65, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 6 juni 2006, en [appellant] veroordeeld in de beslagkosten van € 1.323,39 en de proceskosten. 3.4 [appellant] heeft tegen dit vonnis twee grieven aangevoerd. Met grief 1 betoogt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij niet te goeder trouw is in de zin van art. 6:204 lid 1 BW. Verder heeft de rechtbank ten onrechte zijn bewijsaanbod ten aanzien van zijn goede trouw gepasseerd. [appellant] wil in hoger beroep daartoe alsnog in de gelegenheid worden gesteld, aldus grief 2 van [appellant]. 3.5 Het hof oordeelt als volgt. Vaststaat dat de door [geïntimeerde] onverschuldigd verrichte prestatie de betaling van een geldsom betreft zoals bedoeld in art. 6:203 lid 2 BW. Hiervoor geldt dat de ontvanger gehouden is tot teruggave van een gelijk bedrag. [geïntimeerde] betoogt in beginsel dan ook terecht dat het uitgeven daarvan door de ontvanger, niet kan afdoen aan zijn verplichting om op grond van art. 6:203 lid 2 BW een zelfde geldsom aan [geïntimeerde] te voldoen. De door [appellant] gestelde goede trouw kan – behoudens hetgeen hierna wordt overwogen – aan de toewijsbaarheid van de vordering op de grondslag van art. 6:203 lid 2 BW niet in de weg staan. 3.6 Het hof verstaat het beroep van [appellant] op zijn goede trouw als een betoog dat hij redelijkerwijs met een verplichting tot teruggave geen rekening behoefde te houden in de zin van art. 6:204 lid 1 BW. Deze stelling zal het hof in het navolgende beoordelen. 3.7 Art. 6:204 lid 1 BW bepaalt dat indien de ontvanger in een periode waarin hij redelijkerwijze met een verplichting tot teruggave van het goed geen rekening behoefde te houden, niet als een zorgvuldig schuldenaar voor het goed heeft zorg gedragen, hem dit niet wordt toegerekend. Op grond van art. 6:210 lid 1 BW is deze bepaling ook van toepassing indien de onverschuldigde prestatie bestaat uit de betaling van een geldsom. 3.8 Op 6 juni 2006 heeft [geïntimeerde] per abuis het bedrag overgemaakt op de rekening van [appellant]. [appellant] heeft op de comparitie van partijen in hoger beroep verklaard dat hij destijds bankierde bij de Rabobank en via internet inzage had in zijn rekening. Uit de door [appellant] overgelegde internetuitdraai van zijn bankrekening (productie 9 bij memorie van grieven) blijkt de volgende omschrijving: “[geïntimeerde] Spoedopdracht AFREK. 260755 INZ. [adres] (2006.0321)” [appellant] heeft hierover bij de comparitie van partijen in hoger beroep het volgende verklaard: “(…) Op internet stond bij de betaling alleen de naam van een notaris en het bedrag.” 3.9 Uit de uitdraai blijkt verder dat [appellant] nog diezelfde dag om respectievelijk 22.09 uur en 23.37 uur (verwerkingstijdstip) bedragen van telkens € 250,- heeft opgenomen. [appellant] heeft verklaard dat bij het pinnen van deze bedragen geen omschrijving stond en dat hij dacht dat hij een geldprijs had gewonnen in een prijzenfestival: “(…) Ik dacht dat het een prijs was, het stond er niet bij, bij het pinnen.” (proces-verbaal comparitie van partijen in hoger beroep, eerste alinea). Reeds de volgende dag, op 7 juni 2006 om 12.23 uur, heeft [appellant] een bedrag van € 40.000,- naar een andere op zijn naam staande bankrekening overgeboekt, zo blijkt uit de uitdraai. Ten aanzien van het tijdstip waarop [appellant] bleek dat het bedrag niet een door hem gewonnen geldprijs betrof, heeft [appellant] betoogd dat dit eerst op 13 juli 2006 het geval was, nadat hij door [geïntimeerde] hierover telefonisch was benaderd (processen-verbaal van de comparitie van partijen in eerste aanleg en hoger beroep en conclusie van antwoord, onder 4). Uit de uitdraai blijkt echter dat voor [appellant] bij het overboeken van het bedrag van € 40.000,- reeds kenbaar was dat de betaling door [geïntimeerde], een dag eerder, betrekking had op de afrekening ter zake van de [adres]. Hierbij is mede van belang dat [appellant] heeft verklaard dat hij ten tijde van de ontvangst van het bedrag van [geïntimeerde] op dat adres woonde (“Ik woonde toen in een soort hok aan het huis van mijn ouders vast.”) en wist van “de dreigende verkoop van het huis” van zijn ouders (proces-verbaal van comparitie van partijen in hoger beroep). 3.10 Uit het vorenstaande blijkt dat [appellant] reeds op 7 juni 2006 wist, dan wel redelijkerwijs behoorde te begrijpen (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.