GERECHTSHOF ARNHEM Sector civiel recht zaaknummer 104.004.243 arrest van de derde civiele kamer van 21 april 2009 inzake de vennootschappen naar het recht van de plaats van hun vestiging
(2000)van maximaal € 500.000,-. Het hof ziet geen aanleiding in dit geding op dit verweer te beslissen, aangezien het verweer de omvang van de schadevergoedingsverplichting betreft (die onderwerp is van de schadestaatprocedure), het een verstrekkend verweer betreft en het processuele debat over het verweer zich tot op heden slechts bij pleidooi in hoger beroep heeft kunnen ontwikkelen. 4.31 Grief VI van Delbanco c.s. is opgeworpen tegen de proceskostenveroordeling in eerste instantie. De grief slaagt, nu het bestreden vonnis wordt vernietigd en Melchemie alsnog in het ongelijk wordt gesteld. Melchemie zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten aan de zijde van Delbanco c.s. van de procedure in eerste aanleg.
- Slotsom Grief III slaagt. Het bestreden vonnis moet worden vernietigd. De verweren van Melchemie tegen de vorderingen van Delbanco c.s. falen. Deze vorderingen zullen alsnog worden toegewezen. Als de overwegend in het ongelijk gestelde partij zal Melchemie in de kosten van beide instanties worden veroordeeld.
- De beslissing Het hof, recht doende in hoger beroep: vernietigt het vonnis van de rechtbank Arnhem van 13 juni 2007 en doet opnieuw recht; verklaart voor recht dat Melchemie jegens Delbanco c.s. aansprakelijk is voor de geleden schade welke is ontstaan door het verlies van de zending paardenhaar van Delbanco in de brand bij CMI op 28 februari 1996; veroordeelt Melchemie tot betaling van schadevergoeding aan Delbanco c.s., nader op te maken bij staat, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 februari 1996 tot aan de voldoening; veroordeelt Melchemie in de kosten van beide instanties, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Delbanco c.s. voor de eerste aanleg begroot op € 904,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en op € 248,- voor griffierecht en voor wat betreft het hoger beroep begroot op € 2.682,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en op € 300,- voor griffierecht; verklaart de beide veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad. Dit arrest is gewezen door mrs. R.J.J. van Acht, B.J. Lenselink en G. de Groot, en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 april 2009.