Arrest d.d. 28 april 2009 Zaaknummer 107.002.156 HET GERECHTSHOF TE ARNHEM Nevenzittingsplaats Leeuwarden Arrest van de vierde kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van: [appellant] wonende te [woonplaats] appellant, in eerste aanleg: eiser, hierna te noemen: [appellant], advocaat: mr. A.T. Bolt, kantoorhoudende te Arnhem, tegen Wijthmen Holding I BV, gevestigd te [woonplaats] geïntimeerde, in eerste aanleg: gedaagde, hierna te noemen: Wijthmen, advocaat: mr. M.G.I.W. Teunis, kantoorhoudende te Zwolle. Het geding in eerste instantie In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het vonnis uitgesproken op 11 juli 2007 door de rechtbank Zwolle-Lelystad. Het geding in hoger beroep Bij exploot van 5 oktober 2007 is door [appellant] hoger beroep ingesteld van genoemd vonnis met dagvaarding van Wijthmen tegen de zitting van 23 oktober 2007. De conclusie van de memorie van grieven luidt: "bij arrest, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, zal bekrachtigen het vonnis door de rechtbank Zwolle-Lelystad op 11 juli 2007, onder zaak/rolnummer 126276 HAZA 06-1364 tussen appellant als eiser en geïntimeerde als gedaagde gewezen voor zover het betreft de veroordeling sub 5.1 en voor het overige te vernietigen, en opnieuw rechtdoende, I voor recht te verklaren dat [appellant], bij brief van zijn raadsman d.d. 17 maart 2005, met recht is overgegeaan tot buitengerechtelijke vernietiging van de overeenkomst c.q. de schuldigverklaring d.d. 16 september 2002; II voor recht te verklaren dat geïntimeerde, gelet op deze buitengerechtelijke vernietiging gehouden is om de somma van € 47.765,= (zegge: zevenenveertigduizend zevenhonderd vijfenzestig) vermeerderd met de wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten van [appellant] terug te betalen; III geïntimeerde te veroordelen om tegen bewijs van kwijting aan [appellant] te betalen de somma van € 47.765,= (zegge: zevenenveertigduizend zevenhonderd vijfenzestig) alsmede te vermeerderen met de wettelijk rente vanaf 1 april 2005 tot en met de dag der algehele voldoening; Met veroordeling van geïntimeerde in de kosten van beide instanties." Bij memorie van antwoord is door Wijthmen verweer gevoerd met als conclusie: "De grieven van [appellant] dienen te worden verworpen. Het vonnis van de Rechtbank Zwolle-Lelystad d.d. 11 juli 2007 dient - eventueel na aanvulling en/of verbetering der gronden - te worden bekrachtigd. [appellant] dient - uitvoerbaar bij voorraad - te worden veroordeeld om aan Wijthmen te betalen de volgens het gebruikelijke tarief te begroten kosten van de procedure in hoger beroep." Voorts heeft [appellant] een akte genomen en vervolgens heeft Wijthmen een antwoordakte genomen. Tenslotte hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest. De grieven [appellant] heeft zes grieven opgeworpen. De beoordeling De vaststaande feiten 1. De rechtbank heeft in het vonnis van 11 juli 2007 onder 2 (2.1 tot en met 2.5) een aantal feiten als in deze zaak vaststaand aangemerkt. Daaromtrent bestaat tussen partijen geen geschil, behoudens ten aanzien van de preciseringen die in grief I zijn aangevoerd en die door Wijthmen als juist zijn erkend. Met in achtneming daarvan staat het volgende vast. 1.1. [betrokkene], de directeur van Wijthmen, heeft vanaf begin jaren negentig [appellant] gedurende een periode van 15 jaar financieel bijgestaan. Bij notariële akte d.d. 2 juni 1998 heeft [appellant] in verband met door hem geleende gelden aan Wijthmen het recht van hypotheek verleend op het aan hem in eigendom toebehorende perceel Zwarteweg 73 te Zwolle tot een bedrag van f 675.000,-. 1.2. Medio 2002 is [appellant] in financiële problemen geraakt waardoor er van tijd tot tijd achterstanden ontstonden in de betalingsverplichtingen ter zake van de hypothecaire geldlening. Op 14 mei 2002 heeft Wijthmen bij deurwaardersexploot aan [appellant] aangezegd tot openbare verkoop van het perceel Zwarteweg 73 te Zwolle over te zullen gaan. 1.3. Op 16 september 2002 heeft Wijthmen aan [appellant] een schriftelijk voorstel gedaan, waarin onder meer is vastgelegd dat [appellant] aan Wijthmen nog een bedrag van € 235.000,- verschuldigd was. Het hof komt hieronder terug op de (verdere) inhoud van dit voorstel. [appellant] is schriftelijk met dit voorstel akkoord gegaan. 1.4. Op 20 december 2004 heeft de Friesland Bank aan [appellant] een hypothecaire geldlening verstrekt, waarbij een bedrag van € 825.000,- als uitgangspunt fungeerde voor de hypotheekverstrekking. Met een deel van deze lening is Wijthmen integraal afgelost. Het geschil 2. [appellant] vordert - samengevat - voor recht te verklaren dat de overeenkomst, casu quo de schuldigverklaring, van 16 september 2002 bij brief van zijn raadsman van 17 maart 2005 met recht buitengerechtelijk is vernietigd en dat Wijthmen uit dien hoofde gehouden is tot een betaling van € 47.765,- vermeerderd met rente en kosten; alsmede veroordeling van Wijthmen tot betaling van genoemd bedrag, vermeerderd met rente en kosten. Daarnaast heeft [appellant] gevorderd veroordeling tot meewerking aan doorhaling van de hypotheek door ondertekening van een volmacht. Laatst bedoelde vordering heeft de rechtbank toegewezen. Tegen die beslissing is geen incidenteel appel ingesteld, zodat deze buiten de rechtsstrijd in hoger beroep staat. De overige vorderingen heeft de rechtbank afgewezen, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten. Daartegen keert zich het appel. Bespreking van de grieven 3. Hiervoor is reeds aangegeven dat de in grief I aangevoerde preciseringen van de vaststaande feiten door Wijthmen als juist zijn erkend. De grief slaagt dan ook, doch dit leidt niet tot vernietiging van het bestreden vonnis. 4. Grief II houdt in dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de schuldigverklaring als een vaststellingsovereenkomst aangemerkt dient te worden en verder, dat van vernietiging van een vaststellingsovereenkomst op grond van misbruik van omstandigheden niet snel sprake kan zijn, omdat daarmee geen recht wordt gedaan aan de strekking van een vaststellingsovereenkomst. 5. Het hof overweegt dat het tweede deel van de grief slaagt. Anders dan ten aanzien van een beroep op dwaling, valt ten aanzien van een beroep op misbruik van omstandigheden in de wetsgeschiedenis en jurisprudentie geen aanknopingspunt te vinden voor de opvatting dat daarvan bij een vaststellingsovereenkomst vanwege de bijzondere aard daarvan minder snel sprake kan zijn. Daarmee is het belang bij het eerste deel van de grief komen te ontvallen. Het gedeeltelijk slagen van de grief leidt evenwel op zichzelf niet tot vernietiging van het bestreden vonnis. 6. De grieven III tot en met V komen op tegen de overwegingen van de rechtbank die hebben geleid tot verwerping van het beroep op misbruik van omstandigheden. Het hof zal deze grieven zoveel mogelijk gezamenlijk bespreken. 7. Gevorderd is dat voor recht zal worden verklaard dat [appellant] bij brief van zijn raadsman van 17 maart 2005 "met recht is overgegaan tot buitengerechtelijke vernietiging van de overeenkomst c.q. de schuldverklaring d.d. 16 september 2002". De overige door de rechtbank afgewezen vorderingen bouwen daarop voort. Dit brengt mee dat, waar [appellant] in de toelichting op de onderhavige grieven heeft betoogd dat Wijthmen ook ná het aangaan van de rechtshandeling in september 2002 misbruik heeft gemaakt van omstandigheden, daaraan kan worden voorbijgegaan. Voor zover de gebeurtenissen van na september 2002 al als rechtshandelingen hebben te gelden, is van die rechtshandelingen immers noch buiten rechte de vernietiging ingeroepen, noch in rechte de vernietiging gevorderd. Mocht [appellant] (mede) hebben bedoeld te stellen dat ook omstandigheden van na september 2002 van belang zijn voor de beantwoording van de vraag of bij het aangaan van de rechtshandeling in september 2002 misbruik is gemaakt van omstandigheden, dan is die opvatting onjuist. Bij de beoordeling van een beroep op misbruik van omstandigheden komt het enkel aan op omstandigheden bij het aangaan van de rechtshandeling, dus in dit geval: in september 2002 (vergl. HR 05-01-1996, NJ 1996/320). 8. De grieven III en V stuiten hier geheel op af , grief IV gedeeltelijk (het gestelde onder 17 van de memorie van grieven). 9. Grief IV strekt voor het overige ten betoge dat de rechtbank ten onrechte een aantal factoren buiten beschouwing heeft gelaten bij haar oordeel dat [appellant] onvoldoende heeft onderbouwd dat hetgeen Wijthmen wist omtrent de omstandigheden van [appellant] haar van het bevorderen van de rechtshandeling had behoren te onthouden. Het betreft de volgende factoren:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.