Arrest d.d. 17 november 2009 Zaaknummer 107.001.835/01 HET GERECHTSHOF TE ARNHEM Nevenzittingsplaats Leeuwarden Arrest van de vierde kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van: ING Bank N.V., gevestigd te [plaats], appellante, in eerste aanleg: eiseres, hierna te noemen: ING, advocaat: mr. J.V. van Ophem, kantoorhoudende te Leeuwarden, tegen [geïntimeerde], wonende te [woonplaats], geïntimeerde, in eerste aanleg: gedaagde, hierna te noemen: [geïntimeerde], advocaat: mr. P.M. Wilmink, kantoorhoudende te Arnhem. Het geding in eerste instantie In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de vonnissen uitgesproken op 10 mei 2006 en 7 maart 2007 door de rechtbank Zwolle-Lelystad. Het geding in hoger beroep Bij exploot van 29 mei 2007 is door ING hoger beroep ingesteld van de genoemde vonnissen met dagvaarding van [geïntimeerde] tegen de zitting van 12 juni 2007. De conclusie van de dagvaarding in hoger beroep luidt: "de vonnissen van de Arrondissementsrechtbank te Zwolle-Lelystad van 10 mei 2006 en 7 maart 2007 met zaak-/rolnummer 118215/HA ZA 06-303 tussen partijen gewezen te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, al dan niet onder aanvulling van de gronden, bij arrest, één en ander, voor zover mogelijk, uitvoerbaar bij voorraad: 1. alsnog geïntimeerde te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 41.500,-- aan appellante, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 1 februari 2005; 2. geïntimeerde te veroordelen om al hetgeen appellante ter uitvoering van het bestreden vonnis aan geïntimeerde heeft voldaan aan appellante terug te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van betaling tot de dag van terugbetaling; 3. geïntimeerde te veroordelen in de kosten van beide instanties." ING heeft een memorie van grieven genomen. Bij memorie van antwoord is door [geïntimeerde] verweer gevoerd met als conclusie: "de vordering van appellante af te wijzen en het vonnis van de rechtbank Zwolle d.d. 7 maart 2007 te bekrachtigen met veroordeling van appellante in de kosten van het geding." Voorts heeft ING een akte na memorie van antwoord genomen. Vervolgens heeft [geïntimeerde] een antwoordakte genomen. Tenslotte hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest. De grieven ING heeft zes grieven opgeworpen. De beoordeling De feiten 1. De rechtbank heeft in het bestreden vonnis van 7 maart 2007 in rechtsoverweging 2 (2.1 tot en met 2.10) de in deze zaak vaststaande feiten weergegeven. Hieromtrent bestaat tussen partijen geen geschil, behoudens het navolgende. 1.1 In de memorie van grieven onder 7 stelt ING dat de koopovereenkomst tussen [geïntimeerde] en [betrokkene] is gesloten op 3 september 2004. Door de rechtbank is die datum vastgesteld op 10 september 2004. Het hof overweegt dat blijkens de koopakte (productie 8 bij inleidende dagvaarding) de schriftelijke koopovereenkomst dateert van 10 september 2004. Weliswaar staat in die akte dat partijen op 3 september 2004 een koopovereenkomst hebben gesloten, doch gelet op artikel 7:2 BW zal het hof de datum van de schriftelijke overeenkomst, dus 10 september 2004, blijven aanhouden als datum van de koop. 1.2 In grief 4, die is gericht tegen rechtsoverweging 4.10, valt tevens een (verholen) bezwaar te lezen tegen de vaststelling in rechtsoverweging 2.3 van het vonnis, dat [geïntimeerde] vóór de offerte een recente loonstaat en een werkgeversverklaring heeft afgegeven aan mevrouw M.J. Hulshof, werkend bij ING. Nu ING laatstbedoeld feit gemotiveerd betwist, staat dit (nog) niet tussen partijen vast. 1.3 De overige door de rechtbank vastgestelde feiten neemt het hof over en worden geacht hier te zijn ingelast. 1.4 In het kort gaat het om het volgende. ING heeft op verzoek van [geïntimeerde] een hypotheekofferte verstrekt in verband met de aankoop door [geïntimeerde] van een woning. Tevens heeft ING in verband met die aankoop zich ten behoeve van [geïntimeerde] garant gesteld voor 10% van de koopsom (strekkende tot zekerheid voor de nakoming door [geïntimeerde] van zijn verplichtingen uit hoofde van de koopovereenkomst). [geïntimeerde] heeft een contragarantie voor dit bedrag aan ING verstrekt voor het geval de bankgarantie wordt uitgewonnen. Na verstrijken van het in de koopovereenkomst opgenomen financieringsvoorbehoud heeft ING afgezien van financiering van de koopsom. [geïntimeerde] heeft de woning niet afgenomen en de verkoper van de woning heeft de bankgarantie bij ING uitgewonnen. ING roept nu op haar beurt de contragarantie in. [geïntimeerde] is echter niet tot betaling overgegaan. De vorderingen en de beslissing in eerste aanleg 2. ING vordert op grond van de contragarantie betaling van € 41.500,- vermeerderd met rente en kosten. 2.1 De rechtbank heeft de vordering afgewezen en ING in de proceskosten veroordeeld. De ontvankelijkheid van het appel 3. Nu geen grieven zijn gericht tegen het tussenvonnis van 10 mei 2006, kan ING in het appel tegen dat vonnis niet worden ontvangen. De bespreking van de (overige) grieven 4. Met grief 1 klaagt ING dat de rechtbank ten onrechte heeft aangenomen dat ING 10% van de koopsom heeft gefinancierd. Deze grief slaagt, nu blijkens de stukken ING zich garant heeft gesteld voor betaling van de boete van 10% van de koopsom die [geïntimeerde] zou verbeuren bij niet nakomen van zijn verplichtingen en daarnaast niet is gebleken van een afzonderlijke financiering door ING van een aanbetaling op de koopsom ter grootte van 10% van de koopsom. Dit oordeel leidt echter nog niet tot vernietiging van het bestreden vonnis. 5. Grief 2 komt op tegen het oordeel van de rechtbank dat (in de woorden van het hof) ING geen nakoming van de contragarantie kan verlangen indien de boete is verbeurd als gevolg van niet nakomen door ING van een op haar rustende financieringsverplichting. 5.1 Dit uitgangspunt komt het hof echter juist voor. De rechtsgrond daarvoor kan in ieder geval worden gevonden in de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid. De grief faalt dan ook. 5.2 Het ligt echter wel op de weg van [geïntimeerde] om gemotiveerd te stellen en bij betwisting te bewijzen, dat: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.