Sector strafrecht Parketnummer: 21-001830-09 Uitspraak d.d.: 10 december 2009 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Utrecht van 24 april 2009 in de strafzaak tegen [verdachte] Het hoger beroep De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 26 november 2009 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd (zie voor de inhoud van de vordering bijlage I). Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr J.W.H. Peters, naar voren is gebracht. Het vonnis waarvan beroep Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere strafoplegging komt en daarom opnieuw rechtdoen. De tenlastelegging Aan verdachte is tenlastegelegd dat: 1 primair: hij, op of omstreeks 9 februari 2007, te Eemnes, althans in het arrondissement Utrecht, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Wakkerendijk, zich zodanig heeft gedragen, dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, zonder dat aan hem een (Nederlands) rijbewijs was afgegeven voor de categorie motorrijtuigen waartoe het door hem bestuurde motorrijtuig behoorde, voornoemd motorrijtuig op (de rijbaan van) genoemde weg tot stilstand te brengen, althans nagenoeg tot stilstand te brengen en/of (vervolgens) op te trekken en/of zijn snelheid te verhogen en/of naar links te rijden en/of te gaan keren en/of zich er (daarbij) niet voldoende van te vergewissen dat hij zulks kon doen zonder andere weggebruikers in gevaar te brengen en/of zonder (daarbij) de bestuurder van een motor, welke zich links naast danwel links dicht achter hem bevond, voor te laten gaan, tengevolge waarvan een aanrijding/botsing is ontstaan tussen het door hem bestuurde motorrijtuig en die motor(rijder) waardoor de bestuurder van genoemde motor (genaamd [slachtoffer]) werd gedood; subsidiair: hij, op of omstreeks 9 februari 2007, te Eemnes, althans in het arrondissement Utrecht, als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Wakkerendijk, door voornoemd motorrijtuig op (de rijbaan van) genoemde weg tot stilstand te brengen, althans nagenoeg tot stilstand te brengen en/of (vervolgens) op te trekken en/of zijn snelheid te verhogen en/of naar links te rijden en/of te gaan keren en/of zich er (daarbij) niet voldoende van te vergewissen dat hij zulks kon doen zonder andere weggebruikers in gevaar te brengen en/of zonder (daarbij) de bestuurder van een motor, welke zich links naast danwel links dicht achter hem bevond, voor te laten gaan, ten gevolge waarvan een botsing/aanrijding is ontstaan tussen het door hem bestuurde motorrijtuig en (de bestuurder van) genoemde motor, zich zodanig heeft gedragen dat daardoor gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt,en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd; 2: hij op of omstreeks 9 februari 2007 te Eemnes, althans in het arrondissement Utrecht, als bestuurder van een motorrijtuig betrokken bij een verkeersongeval of door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt op de Wakkerendijk, de plaats van het ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, een ander (te weten [slachtoffer]) was gedood, in elk geval dat aan een ander letsel en/of schade was toegebracht; 3: hij op of omstreeks 10 februari 2007 te Soest, althans in het arrondissement Utrecht, tezamen en in vereniging met [medeverdachte], althans alleen, aangifte heeft gedaan dat een strafbaar feit was gepleegd, wetende dat dat feit niet was gepleegd, door toen aldaar ten overstaan van [opsporingsambtenaar], zijnde een brigadier van politie Utrecht, district Eemland-Noord opzettelijk in strijd met de waarheid aangifte te doen van (een) op 9 februari 2007 gepleegde diefstal(len) van een portemonnee (waarin zich onder meer een autosleutel bevond van de hierna te noemen personenauto) en/of (vervolgens) een personenauto (merk Audi); 4: hij, op of omstreeks 9 februari 2007, te Eemnes, althans in het arrondissement Utrecht, als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) heeft gereden op de weg, de Wakkerendijk, zonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen, waartoe dat motorrijtuig behoorde. Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Overweging met betrekking tot het bewijs Het hof is van oordeel dat het namens verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het onder 1 primair tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Verdachte heeft op een rechte weg, waarbij het zichtveld niet was gehinderd, met zijn voertuig nagenoeg stilgestaan om op die weg om te keren. Verdachte heeft verklaard dat hij voordat hij deze manoeuvre inzette een motorrijder, op een afstand van ongeveer 200 meter, in zijn achteruitkijkspiegel had waargenomen. Verdachte verklaarde tevens dat hij bij het inzetten van de manoeuvre, het linksaf slaan, de motorrijder niet meer in zijn spiegels heeft waargenomen en dat hij daarom veronderstelde dat de motorrijder reeds eerder was afgeslagen. Bij het inzetten van de manoeuvre raakte verdachte met de linkervoorkant van zijn auto de motorrijder. Verdachte stelt dat de motorrijder waarschijnlijk in de “dode hoek” heeft gezeten. Het hof is allereerst van oordeel dat er geen sprake is van roekeloos verkeersgedrag van verdachte. Het hof is wel van oordeel dat sprake is van aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend verkeersgedrag van verdachte. Verdachte had juist bij deze bijzondere verrichting, terwijl hij reeds eerder in zijn achteruitkijkspiegel een motorrijder had waargenomen, de grootst mogelijke voorzichtigheid moeten betrachten en zich ervan moeten vergewissen dat de weg vrij was om linksaf te gaan keren zonder andere weggebruikers in gevaar te brengen. De veronderstelling van verdachte dat de motorrijder reeds eerder was afgeslagen acht het hof onvoldoende voor de aanname dat de weg vrij was voor verdachte om te gaan keren. Verdachte heeft niet goed genoeg gekeken c.q. onvoldoende aandacht hieraan besteed en onvoldoende rekening gehouden met de dode hoek. Als verdachte over zijn linkerschouder had gekeken, zoals hij zelf reeds eerder heeft verklaard, had hij de motorrijder links naast of dicht achter hem moeten zien. Het verweer van de raadsman dat men per definitie niet in een dode hoek kan kijken, verwerpt het hof. Over de linkerschouder kijkend, kan men bij een personenauto immers ook door de ruit linksachter kijken, terwijl een motor met berijder te groot is om verborgen te blijven achter de middenspijl. Bewezenverklaring Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging verkregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het onder 1 primair, 2, 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat: 1 primair: hij, op 9 februari 2007, te Eemnes, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Wakkerendijk, zich zodanig heeft gedragen, dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend het door hem bestuurde motorrijtuig op de rijbaan van genoemde weg tot stilstand te brengen en vervolgens op te trekken en naar links te rijden en zich er daarbij niet voldoende van te vergewissen dat hij zulks kon doen zonder andere weggebruikers in gevaar te brengen en zonder daarbij de bestuurder van een motor, welke zich links naast danwel links dicht achter hem bevond, voor te laten gaan, tengevolge waarvan een aanrijding/botsing is ontstaan tussen het door hem bestuurde motorrijtuig en die motorrijder waardoor de bestuurder van genoemde motor, genaamd [slachtoffer], werd gedood; 2: hij op 9 februari 2007 te Eemnes, als bestuurder van een motorrijtuig betrokken bij een verkeersongeval op de Wakkerendijk, de plaats van het ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval naar hij redelijkerwijs moest vermoeden, een ander te weten [slachtoffer] was gedood 3: hij op of omstreeks 10 februari 2007 te Soest, tezamen en in vereniging met [medeverdachte], aangifte heeft gedaan dat een strafbaar feit was gepleegd, wetende dat dat feit niet was gepleegd, door toen aldaar ten overstaan van [osporingsambtenaar], zijnde een brigadier van politie Utrecht, district Eemland-Noord opzettelijk in strijd met de waarheid aangifte te doen van op 9 februari 2007 gepleegde diefstallen van een portemonnee (waarin zich onder meer een autosleutel bevond van de hierna te noemen personenauto) en een personenauto (merk Audi); 4: hij, op 9 februari 2007, te Eemnes, als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) heeft gereden op de weg, de Wakkerendijk, zonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen, waartoe dat motorrijtuig behoorde. Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het bewezene levert op: ten aanzien van het onder 1 primair bewezenverklaarde: Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood. ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde: Overtreding van artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wegenverkeerswet
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.