GERECHTSHOF ARNHEM Sector civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.033.077 (zaaknummers rechtbank 105796 ES RK 03-866 en 116558 / OR RK 04-115) beschikking van de familiekamer van 3 november 2009 inzake [verzoeker], wonende te [woonplaats], verzoeker in hoger beroep, verder te noemen “de vader”, advocaat: mr. J.M. Wigman, en [verweerster], wonende te [woonplaats], Frankrijk, verweerster in hoger beroep, verder te noemen “de moeder”, advocaat: mr. A.A. Voets. Als overige belanghebbende is aangemerkt: Stichting Bureaus Jeugdzorg Gelderland, gevestigd te Nijmegen, verder te noemen “de stichting”. 1. Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Arnhem van 22 juli 2004, 17 juni 2005, 18 november 2005, 19 mei 2006, 7 mei 2007, 17 maart 2008 en 23 januari 2009, uitgesproken onder voormelde zaaknummers. 2. Het geding in hoger beroep 2.1 Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 21 april 2009, is de vader in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking van 23 januari 2009. De vader verzoekt het hof, uitvoerbaar bij voorraad, die beschikking te vernietigen, voor zover het betreft de bepaling van het hoofdverblijf van de hierna te noemen [kind 3], de omgangsregeling tussen de vader en [kind 3] en de omgang tussen de kinderen van partijen onderling en opnieuw beschikkende zijn verzoek in eerste aanleg alsnog toe te wijzen. 2.2 Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 6 juli 2009, heeft de moeder het verzoek in hoger beroep van de vader bestreden. De moeder verzoekt het hof het hoger beroep van de vader af te wijzen en de bestreden beschikking zo nodig onder aanvulling en verbetering der gronden te bekrachtigen. 2.3 De volgende stukken zijn ingekomen ter griffie van het hof: - een brief van mr. J.M. Wigman van 19 mei 2009, ingekomen op diezelfde datum; - een brief van mr. A.A. Voets van 21 juli 2009 met bijlagen, ingekomen op 22 juli 2009; - een brief van mr. A.A. Voets van 27 augustus 2009 met bijlagen, ingekomen op 28 augustus 2009; - een brief van mr. J.M. Wigman van 15 september 2009, ingekomen op diezelfde datum, en - een brief van de stichting van 6 oktober 2009, ingekomen op diezelfde datum. 2.4 De minderjarige [kind 3] is in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken. Zij heeft het hof op 2 september 2009 een brief geschreven die op 9 september 2009 is ingekomen ter griffie van het hof. 2.5 Op 5 oktober 2009 is de hierna te noemen [kind 2] verschenen, die buiten aanwezigheid van de overige belanghebbenden door het hof is gehoord. 2.6 De mondelinge behandeling heeft op 8 oktober 2009 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, de vader bijgestaan door mr. J.M. Wigman, advocaat te ’s-Gravenhage, en de moeder bijgestaan door mr. A.A. Voets, advocaat te Druten. Namens de Raad voor de Kinderbescherming te Arnhem (verder te noemen "de raad") is [...] verschenen. De stichting is met kennisgeving vooraf niet verschenen. 3. De vaststaande feiten 3.1 Partijen zijn op 31 maart 1978 met elkaar gehuwd. Uit dit huwelijk zijn geboren: - [kind 1] (verder te noemen “[kind 1]”), op [geboortedatum] 1987; - [kind 2] (verder te noemen “[kind 2]”), op [geboortedatum] 1992, en - [kind 3] (verder te noemen “[kind 3]”), op [geboortedatum] 1996. Partijen oefenen gezamenlijk het gezag uit over [kind 2] en [kind 3]. 3.2 Bij beschikking voorlopige voorziening van 2 oktober 2003 heeft de rechtbank Arnhem een omgangsregeling tussen de vader en de kinderen vastgesteld van éénmaal per veertien dagen van zaterdag 16.00 uur tot zondag 19.00 uur in het vakantiehuis van partijen in [woonplaats] (Frankrijk), ingaande 4 oktober 2003, waarbij de moeder de kinderen brengt en haalt en partijen elkaar per email informeren over de kinderen en verstaan dat deze voorziening geldt voor de duur van het geding. 3.3 Bij verzoekschrift, ingekomen bij de rechtbank Arnhem op 22 oktober 2003, heeft de moeder, voor zover hier van belang, verzocht de echtscheiding tussen partijen uit te spreken en te bepalen dat de in de beschikking voorlopige voorziening van 2 oktober 2003 vastgestelde omgangsregeling geldt tussen de vader en de kinderen. 3.4 [kind 1] is op 3 november 2003 op haar verzoek door de vader meegenomen en bij hem gaan wonen. 3.5 Bij verweerschrift tevens zelfstandig verzoek, ingekomen bij de rechtbank Arnhem op 15 november 2003, heeft de vader het verzoek van de moeder bestreden en de rechtbank verzocht, voor zover hier van belang, te bepalen dat de gewone verblijfplaats van alle drie de kinderen bij hem zal zijn en een passende omgangsregeling vast te stellen. 3.6 Bij beschikking voorlopige voorziening van 28 januari 2004 heeft de rechtbank Arnhem bepaald dat [kind 1] aan de vader en [kind 2] en [kind 3] aan de moeder worden toevertrouwd en dat de omgangsregeling zoals deze is vastgelegd bij beschikking van 2 oktober 2003 tussen de vader en de kinderen wordt opgeheven met uitzondering van het elkaar per email informeren over de kinderen, verstaan dat deze voorzieningen gelden voor de duur van het geding en de moeder niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek dat de vader zich niet meer in de nabijheid van haar woning mag bevinden. 3.7 Bij beschikking van 22 juli 2004 heeft de rechtbank, voor zover hier van belang: 1. de echtscheiding tussen partijen uitgesproken; 2. de raad verzocht te adviseren en te rapporteren over de vraag welke hoofdverblijfplaats en omgangsregeling in het belang van de kinderen is; 3. bepaald dat in afwachting van het raadsrapport en advies de hoofdverblijfplaats van [kind 1] voorlopig bij de vader zal zijn; 4. bepaald dat in afwachting van het raadsrapport en advies de hoofdverblijfplaats van [kind 2] en [kind 3] voorlopig bij de moeder zal zijn; 5. de definitieve beslissing over het gezag en de omgang aangehouden. 3.8 De raad heeft op 20 april 2005 een rapport uitgebracht en geadviseerd de hoofdverblijfplaats van [kind 1] bij de vader en die van [kind 2] en [kind 3] bij de moeder vast te stellen, tussen de kinderen en de ouders geen omgang vast te stellen en tussen de kinderen onderling een minimale omgangsregeling vast te stellen van één keer per twee maanden gedurende vier maanden en na acht maanden ter zitting opnieuw het verloop van de omgangsregeling te bezien en de afspraken definitief vast te stellen dan wel bij te stellen. 3.9 Bij beschikking van 17 juni 2005 heeft de rechtbank als tijdelijke omgangsregeling tussen de kinderen onderling vastgesteld op 4 juli 2005 van 11.00 uur tot 16.00 uur bij de familie [A.] en een nog nader in onderling overleg vast te stellen tijdstip in augustus 2005 en de behandeling voor het overige aangehouden. 3.10 Bij beschikking van 18 november 2005 heeft de rechtbank de behandeling aangehouden en partijen verzocht de rechtbank tijdig hun standpunt mee te delen. 3.11 Bij beschikking van 19 mei 2006 heeft de rechtbank de beslissing pro forma aangehouden en de raad verzocht te rapporteren en te adviseren over de gewenste gezagssituatie, de hoofdverblijfplaats van de kinderen en de omgangsregeling tussen de vader, [kind 2] en [kind 3] en tussen de kinderen onderling en te informeren over de mogelijkheden die er in Frankrijk bestaan voor het begeleiden van het opstarten van omgangscontacten. 3.12 Op 22 januari 2007 heeft de International Social Service afdeling Nederland (verder te noemen "ISS") een rapport uitgebracht, waarin zij constateert dat het gezinsklimaat van de moeder in Frankrijk bevredigend lijkt en dat het voor [kind 2] en [kind 3] belangrijk lijkt om het contact met [kind 1] te hervatten en voor [kind 2] om het contact met de vader te hervatten. 3.13 Bij brief van 19 maart 2007 heeft de raad de rechtbank laten weten dat de van het ISS verkregen informatie erg beperkt is waardoor de raad niet in staat is de rechtbank nader te adviseren, maar dat het ISS mogelijk nog aanvullende informatie zal verstrekken voor de datum van de zitting die de raad na tijdige ontvangst aan de rechtbank zal doorsturen. 3.14 Bij brief van 2 april 2007 heeft het ISS de raad nader bericht over keuzemogelijkheden bij het realiseren van omgangscontacten tussen [kind 2] en [kind 3] en de vader. 3.15 Bij de -uitvoerbaar bij voorraad verklaarde- beschikking van 7 mei 2007 heeft de rechtbank een voorlopige (begeleide) omgangsregeling vastgesteld -in een omgangshuis in Frankrijk- tussen de vader en [kind 2] en [kind 3] van éénmaal per veertien dagen op zaterdag de eerste twee keer wat korter en na twee keer van 10.00 uur tot 18.00 uur, de eerste keer zal de vader omgangscontact hebben met [kind 2] en indien [kind 3] dit wenst ook met [kind 3] en ten overvloede bepaald dat [kind 1] vanaf de eerste keer dat zij meekomt omgangscontact zal (kunnen) hebben met [kind 2] en [kind 3] en voorts bepaald dat partijen de bevoegde instanties van deze beslissing in kennis dienen te stellen ten behoeve van de uitvoering ervan, zonodig middels geautoriseerde vertaling, de verdere beslissing aangehouden en partijen alsmede de raad verzocht schriftelijk de stand van zaken aan de rechtbank mee te delen. 3.16 [kind 2] is in december 2007 op zijn verzoek door de vader meegenomen en bij hem gaan wonen. 3.17 Bij beschikking van 17 maart 2008 heeft de rechtbank vastgesteld dat [kind 2] zijn voorlopige verblijfplaats bij de vader heeft en de definitieve beslissing voor wat betreft de omgang en de verblijfplaats van de kinderen aangehouden in afwachting van het rapport van de raad. 3.18 Op 18 augustus 2008 heeft de ISS een rapport uitgebracht en geadviseerd de hoofdverblijfplaats van [kind 3] bij de moeder te handhaven, de resultaten van het gerechtelijk onderzoek naar [kind 2] af te wachten alvorens te beslissen over een eventuele hervatting van de familiebanden en de door [kind 3] geuite wensen op te volgen, te weten haar vader niet te zien, behalve bij wijze van uitzondering in een zeer gecontroleerd kader (bezoek met bemiddeling op neutraal terrein) en in de toekomst een briefwisseling op te zetten indien [kind 1] daar eveneens de wens toe uit. 3.19 Op 27 oktober 2008 heeft de raad een rapport uitgebracht en geadviseerd de hoofdverblijfplaats van [kind 2] bij de vader te bepalen, tot de meerderjarigheid van [kind 2] geen omgangsregeling vast te stellen tussen de moeder en [kind 2], de hoofdverblijfplaats van [kind 3] bij de moeder te bepalen, voor de duur van ten minste twee jaar geen omgangsregeling vast te stellen tussen de vader en [kind 3] en voor de duur van ten minste twee jaar geen omgangsregeling vast te stellen tussen de kinderen onderling en het aan (één van) de kinderen zelf over te laten of zij het contact met broers/zussen willen herstellen. 3.20 Bij beschikking van 1 december 2008 heeft de kinderrechter in de rechtbank Arnhem [kind 2], op verzoek van de raad, onder toezicht gesteld van de Stichting Bureaus Jeugdzorg Gelderland, voor de duur van één jaar, met ingang van 1 december 2008. 3.21 Bij de -uitvoerbaar bij voorraad verklaarde- beschikking van 23 januari 2009 heeft de rechtbank bepaald dat de hoofdverblijfplaats van [kind 2] bij de vader en de hoofdverblijfplaats van [kind 3] bij de moeder zal zijn en het meer of anders verzochte afgewezen. 4. De motivering van de beslissing 4.1 Het hof ziet zich ambtshalve geplaatst voor de vraag of het hof rechtsmacht toekomt, nu de moeder en [kind 3] de Franse nationaliteit hebben en hun gewone verblijfplaats zich aldaar bevindt. 4.2 Ter beantwoording van deze vraag is allereerst de datum van indiening van het inleidend verzoek van belang. In artikel 64 van de Verordening (EG) nr. 2201/2003 van de Raad van de Europese Unie van 27 november 2003 (ook wel genoemd de Brussel IIbis-verordening) is immers bepaald dat die verordening slechts van toepassing is op gerechtelijke procedures die zijn ingesteld na de datum waarop de verordening van toepassing is geworden. Nu het inleidende verzoekschrift bij de rechtbank is ingekomen alvorens de Brussel IIbis-verordening op 1 maart 2005 inwerking trad, is die verordening niet van toepassing. 4.3 Ingevolge artikel 37 van de Verordening (EG) nr. 1347/2000 van de Raad van de Europese Unie van 29 mei 2000 (ook wel genoemd de Brussel II-verordening) heeft de Brussel II-verordening voorrang boven het Verdrag betreffende de bevoegdheid der autoriteiten en de toepasselijke wet inzake de bescherming van minderjarigen van 1961 (ook wel genoemd het Haags Kinderbeschermingsverdrag van 1961). Het hof zal daarom in het navolgende beoordelen of aan de op het moment dat het inleidende verzoekschrift is ingediend van kracht zijnde Brussel II-verordening rechtsmacht kan worden ontleend. 4.4 De Brussel II-verordening is op grond van artikel 1 aanhef en lid 1 sub b van die verordening van toepassing op burgerlijke rechtsvorderingen betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid voor gemeenschappelijke kinderen van de echtgenoten ter gelegenheid van de onder
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.