GERECHTSHOF ARNHEM Sector civiel recht zaaknummer gerechtshof 104.003.220 (zaaknummer rechtbank 133550/HA ZA 05-2038) arrest van de tweede civiele kamer van 28 april 2009 inzake [appellant], wonende te [woonplaats], appellant in het principaal hoger beroep, geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep, advocaat: mr. F.A.M. Knüppe, tegen: 1. [geïntimeerde], wonende te [woonplaats], 2. [geïntimeerde], wonende te [woonplaats], geïntimeerden in het principaal hoger beroep, appellanten in het incidenteel hoger beroep, advocaat: mr. J.M.W. Werker. 1. Het geding in eerste aanleg Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van 8 februari 2006, 7 juni 2006 en 25 oktober 2006 die de rechtbank Arnhem tussen principaal appellant (hierna te noemen: [appellant]) als eiser in conventie, tevens verweerder in reconventie, en principaal geïntimeerden (hierna te noemen: tezamen geïntimeerden en ieder apart [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2]) als gedaagden in conventie, tevens eisers in reconventie, heeft gewezen. Van de vonnissen van 7 juni 2006 en 25 oktober 2006 is een kopie aan dit arrest gehecht. 2. Het geding in hoger beroep 2.1 [appellant] heeft bij exploot van 19 januari 2007 [geïntimeerden aangezegd van de vonnissen van 8 februari 2006, 7 juni 2006 en 25 oktober 2006 in hoger beroep te komen, met dagvaarding van [geïntimeerden] voor dit hof. 2.2 Bij memorie van grieven heeft [appellant] acht grieven tegen de bestreden vonnissen aangevoerd en toegelicht. Hij heeft zijn eis vermeerderd, bewijs aangeboden en nieuwe producties in het geding gebracht. Hij heeft geconcludeerd dat het hof de bestreden vonnissen zal vernietigen met instandhouding van hetgeen in conventie is toegewezen en in reconventie is afgewezen en, opnieuw recht doende, bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard arrest, - de vordering in conventie alsnog geheel zal toewijzen; - de vordering in reconventie geheel zal afwijzen; - [geïntimeerden] zal veroordelen in de kosten van het geding in beide instanties. 2.3 Daarop hebben [geïntimeerden] bij memorie van antwoord de grieven bestreden, bewijs aangeboden en nieuwe producties in het geding gebracht. Bij dezelfde memorie hebben zij incidenteel beroep ingesteld tegen de vonnissen van 8 februari 2006, 7 juni 2006 en 25 oktober 2006 en hun eis (deels voorwaardelijk) vermeerderd en gewijzigd. Zij hebben in het principaal en in het incidenteel beroep geconcludeerd dat het hof [appellant] in zijn grieven niet-ontvankelijk zal verklaren, althans deze zal verwerpen en, zonodig onder verbetering van gronden, de bestreden vonnissen zal vernietigen, met instandhouding van hetgeen in conventie is afgewezen en in reconventie is toegewezen, en opnieuw recht doende, bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard arrest, - de vordering in conventie alsnog geheel zal afwijzen; - de vordering in reconventie geheel zal toewijzen, met inachtneming van de (deels voorwaardelijke) wijziging/vermeerdering van eis; - [appellant] zal veroordelen in de kosten van het geding in beide instanties. 2.4 Vervolgens heeft [appellant] bij memorie van antwoord in het incidenteel beroep de grieven van [geïntimeerden] bestreden, alsmede zijn eis in conventie vermeerderd. Hij heeft geconcludeerd dat het hof: - in het incidenteel beroep: [geïntimeerden] in hun vordering niet-ontvankelijk zal verklaren, althans deze zal afwijzen, met veroordeling van [geïntimeerden] in de kosten van het incidenteel beroep; - in het principaal beroep: [appellant]’ gewijzigde vordering in conventie integraal zal toewijzen, onverminderd het bij memorie van grieven in principaal beroep gevorderde. 2.5 Daarop hebben [geïntimeerden] zich bij ‘antwoordmemorie vermeerdering van eis’ tegen de eisvermeerdering van [appellant] verzet vanwege het stadium waarin deze vermeerdering is gedaan. Subsidiair hebben zij inhoudelijk verweer tegen de eisvermeerdering gevoerd en ter zake bewijs aangeboden. Zij hebben geconcludeerd dat het hof bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, de eisvermeerdering zal afwijzen en zij hebben voor het overige gepersisteerd. 2.6 [appellant] heeft zich vervolgens bij akte uitgelaten over de bezwaren van [geïntimeerde] tegen zijn eisvermeerdering. 2.7 Ten slotte hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald. 3. De vaststaande feiten 3.1 Tussen partijen staan in hoger beroep als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende weersproken en op grond van de in zoverre niet bestreden inhoud van overgelegde producties, de navolgende feiten vast. 3.2 Partijen wonen allen aan de [Dijk] te [woonplaats]. Zij zijn daar eigenaar van verschillende percelen grond, [appellant] van perceel (kadastraal bekend gemeente [B.]) L104, [geïntimeerde 1] van perceel L125 en L127, en [geïntimeerde 2] van perceel L126. De percelen van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] enerzijds en het perceel van [appellant] anderzijds worden gescheiden door de [Dijk] en liggen ongeveer tegenover elkaar. De percelen van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] liggen aan de rivierzijde, het perceel van [appellant] niet. Alle partijen hebben hun uitrit naar de dijk. [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] hebben hun uitrit gemeenschappelijk. De uitritten van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] enerzijds en die van [appellant] anderzijds komen vrijwel tegenover elkaar op de [Dijk] uit. De uitrit van [appellant] - hierna ook ‘de weg’ te noemen - loopt langs de zuidwestgrens van zijn perceel en langs zijn woning door naar de noordwestgrens van zijn perceel waar zij uitmondt op de [straat]. 3.3 Ten nutte van (onder meer) de huidige percelen van [geïntimeerde 1] en ten laste van het huidige perceel van [appellant] is in 1934 een erfdienstbaarheid gevestigd. Deze erfdienstbaarheid is krachtens akte van toedeling van 12 december 1983 als onderdeel van de ruilverkaveling ['naam'] als volgt opnieuw gevestigd: ‘Ten behoeve van de kavels BSD L 124, L 125, L 127 en ten laste van de kavel BSD L 104 wordt gevestigd de erfdienstbaarheid van weg om te komen en te gaan van en naar de [straat], naar en van de heersende kavels uit te oefenen op de minst bezwarende wijze, als omschreven in [de] akte [uit 1934], waarbij de kosten van het onderhoud van die weg bij helfte ten laste komen van de eigenaar van de lijdende kavel en bij helfte ten laste van de eigenaars van de heersende kavels.’ 3.4 In 1934 is ten laste van het huidige perceel van [appellant] tevens een erfdienstbaarheid ten behoeve van het huidige perceel van [geïntimeerde 2] gevestigd. Ook deze erfdienstbaarheid is ter gelegenheid van voornoemde ruilverkaveling opnieuw gevestigd, en wel als volgt: ‘Ten behoeve van de kavel BSD L 126 en ten laste van de kavel BSD L 104 wordt gevestigd de erfdienstbaarheid van uitweg om te komen van en te gaan naar de [straat] naar en van de heersende kavel, uit te oefenen langs de zuidwestzijde van de lijdende kavel, met bepaling dat de weg niet mag worden bereden met motorrij- of voertuigen alzo wel met rij- en voertuigen met paarden bespannen en dat op de weg aanwezige reeds gestelde of nog te stellen hekken na gebruik moeten worden gesloten, zoals reeds is omschreven en vastgesteld in de akte [uit 1934].’ 3.5 Het parcours van de beide erfdienstbaarheden loopt over de weg van [appellant]. [appellant] heeft deze weg in 2003 op eigen kosten laten asfalteren. 3.6 [appellant] heeft zijn perceel in 2001 in eigendom verkregen. [geïntimeerde 1] is sinds 1975 eigenaar van zijn percelen en oefent hierop een agrarisch bedrijf uit. [geïntimeerde 2] is sinds 1971 eigenaar van zijn perceel. Hij heeft op dit perceel een huis met atelier, waar hij zijn beroep als kunst- en portretschilder uitoefent. Daarnaast houdt [geïntimeerde 2] als hobby twee tot zes schapen. 3.7 Omstreeks begin 2004 heeft [appellant] bij de toegang van de weg vanuit de [straat] een ijzeren hek geplaatst waarvan de beide uiteinden zijn bevestigd aan gemetselde pilaren. Het hek kan alleen elektronisch worden geopend, hetzij door middel van een afstandsbediening, hetzij door middel van het intoetsen van een code op een van de pilaren. In de verdere loop van 2004 heeft [appellant] eveneens een ijzeren hek bij de toegang van de weg vanuit de[Dijk] geplaatst. Dit hek is met de hand te openen. 3.8 Zowel op de[Dijk] als op de [straat] geldt eenrichtingsverkeer, op de[Dijk] noordoostwaarts en op de [straat] zuidwestwaarts. De[Dijk] is zeer smal, vanuit de percelen van de partijen gezien in de richting van de dorpskern van [woonplaats] zelfs zo smal dat een personenauto een fietser er slechts met moeite kan passeren. Daarnaast is het naar rechts indraaien vanuit de[Dijk] naar de percelen van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] zonder aangrenzende grond van derden te moeten berijden met een grote personenauto minst genomen lastig te noemen en met een kleine vrachtauto of (landbouw)trekker met aanhanger vrijwel onmogelijk. 4. De motivering van de beslissing in hoger beroep 4.1 Het hof stelt voorop dat, voor zover het principaal beroep van [appellant] en het incidenteel beroep van [geïntimeerden] zijn gericht tegen het tussenvonnis van 8 februari 2006, [appellant] en [geïntimeerden] in hun beroep niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard, aangezien zij tegen dat vonnis geen grieven hebben aangevoerd. 4.2 Partijen twisten over de inhoud en de toegestane wijze van gebruik van de beide erfdienstbaarheden. Zij hebben in dat kader in eerste aanleg over en weer diverse vorderingen ingesteld. De daarop door de rechtbank gegeven beslissingen worden in hoger beroep door partijen over en weer aangevochten. Het gaat om de navolgende beslissingen: in conventie:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.