Beschikking d.d. 25 februari 2010 Zaaknummer 200.035.339 HET GERECHTSHOF ARNHEM Nevenzittingsplaats Leeuwarden Beschikking in de zaak van [appellante], wonende te [woonplaats], appellante, hierna te noemen: de moeder, advocaat mr. R.A. Scherpenhuysen, kantoorhoudende te Harderwijk, tegen xxx [geïntimeerde], ook bekend onder de naam: [geïntimeerde], verbijvende te [woonplaats], geïntimeerde, hierna te noemen: de man, advocaat mr. A.H.A. Beijersbergen van Henegouwen, kantoorhoudende te Zeewolde. Belanghebbende: mr. E.A.C. Nijhof-Top, gevestigd te Zeewolde, hierna te noemen: bijzonder curator. Het geding in eerste aanleg Bij beschikking van 20 maart 2009 heeft de rechtbank Zwolle-Lelystad, locatie Lelystad, onder meer het verzoek van de man tot het verlenen van vervangende toestemming tot erkenning van de minderjarige [kind] (hierna ook: de minderjarige), geboren op [...] 2005 in de gemeente Harderwijk, toegewezen. Het verzoek ten aanzien van de omgangsregeling is door de rechtbank (bij de bestreden beschikking) aangehouden, in afwachting van een terzake verzocht rapport en advies van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna ook: de raad). Het geding in hoger beroep Bij beroepschrift, binnengekomen op de griffie op 12 juni 2009, heeft de moeder verzocht de beschikking van 20 maart 2009 te vernietigen ten aanzien van de vervangende toestemming erkenning en opnieuw beslissende het verzoek van de man alsnog af te wijzen. Bij verweerschrift, binnengekomen op de griffie op 3 augustus 2009, heeft de vader het verzoek bestreden en verzocht de bestreden beschikking te bekrachtigen. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de overige stukken, waaronder een brief van 17 augustus 2009 met bijlagen en een brief van 18 januari 2010, beide van mr. Beijersbergen van Henegouwen en een brief van 13 januari 2010 met bijlagen van mr. Scherpenhuysen. Ter zitting van 26 januari 2010 is de zaak behandeld. Verschenen zijn partijen en hun advocaten, alsmede de bijzonder curator. Tevens was ten behoeve van de man een beëdigd tolk in de Engelse taal aanwezig. Mr. Scherpenhuysen heeft pleitnotities overgelegd. De beoordeling Inleiding 1. Tegen de weergave van de vaststaande feiten, zoals neergelegd in de bestreden beschikking van de rechtbank, is geen grief ontwikkeld, zodat ook in hoger beroep van die feiten zal worden uitgegaan. 2. Rapportage raad Namens de man is, bij brief van 18 januari 2010, bezwaar gemaakt tegen het door de moeder (bij brief van 13 januari 2010) inbrengen van de rapportage van 8 december 2009 die door de raad is opgemaakt, aangezien dat rapport is opgemaakt in het kader van het verzoek omgangsregeling. De vader stelt zich op het standpunt dat deze rapportage niet ten doel heeft de vervangende toestemming tot erkenning. 3. Het hof neemt wel kennis van de inhoud van dit rapport. Rapporten worden door de raad immers opgemaakt met als doel om in het belang van het desbetreffende kind de rechter te informeren en te adviseren. Dat is bij het onderhavige rapport niet anders. Dat de aanleiding van dit rapport ziet op een omgangsregeling doet daar niet aan af. Grieven 4. De moeder heeft in het beroepschrift als laatste, vijfde, grief aangevoerd dat de man ten tijde van de erkenning gehuwd was met een ander. De man heeft gesteld dat deze grief door de moeder nimmer in prima is aangevoerd en dat het hof daarop geen acht dient te slaan. Het hof zal deze grief als eerste behandelen, nu deze het meest verstrekkend is. 5. Voor zover de man bedoelt te stellen dat de moeder niet voor het eerst in hoger beroep een nieuwe grief kan formuleren, is dat standpunt onjuist. De man miskent dat het hoger beroep mede ertoe strekt partijen de gelegenheid te bieden tot het verbeteren en aanvullen van hetgeen zij bij de procesvoering in eerste aanleg hebben gedaan en/of nagelaten. 6. Het hof zal derhalve als eerste ingaan op de stelling dat de man (nog steeds) gehuwd is. 7. Dat de man is gehuwd in 2007 wordt door hem niet ontkend. Hij stelt echter dat hij nadien van die vrouw is gescheiden. De moeder weerspreekt dat. Het hof constateert het volgende. 8. Uit de overgelegde producties, met name een "affidavit" in een procedure van mevrouw [x] (Applicant) tegen [y] (Respondent) van 5 december 2008, en daarvan in het bijzonder de pagina met het bijgeschreven bladnummer 19, blijkt dat zij (onder 3.1.) heeft verklaard dat zij met hem is gehuwd in februari 2007: '3.1. The Respondent and I met in England in about August 2006. We were engaged by November 2006 and started living together in December 2006. We married in Februari 2007 in Wanganui, New Zealand.' Voorts blijkt uit het vervolg van die verklaring dat uit dit huwelijk twee kinderen zijn geboren, een in augustus 2007 en de ander in augustus 2008. 9. In diezelfde productie heeft ze op dezelfde pagina (punt 3.2.) verklaard: '(…) The Respondent and I separated in December 2007.' 10. Er wordt in de stukken echter niet gesproken over een 'divorce'. Dat partijen apart zijn gaan wonen en/of feitelijk uit elkaar zijn gegaan, wil nog niet zeggen dat er juridisch een ontbinding van het huwelijk heeft plaatsgevonden. 11. Nu de moeder dit punt in haar beroepschrift reeds naar voren heeft gebracht, had het op de weg van de man gelegen om, met bewijsstukken, aan te tonen dat er wel sprake is geweest van een juridische ontbinding van dat huwelijk. 12. Het hof constateert dat door de man niet, althans onvoldoende, is aangetoond dat er een echtscheiding is uitgesproken. Het hof houdt het er dan ook voor dat de man nog steeds gehuwd is. 13. Dat de moeder vervolgens stelt dat een erkenning door de man nietig is, omdat hij op dat moment was gehuwd met een andere vrouw is onjuist. Immers, artikel 1:204 lid 1 onder e (BW) stelt dat de erkenning nietig is, indien zij is gedaan door een op het tijdstip van de erkenning met een andere vrouw gehuwde man, tenzij wordt vastgesteld (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.