GERECHTSHOF ARNHEM Avnr: 1173-09 Het gerechtshof heeft te beslissen op het hoger beroep ingesteld door: [naam appellante], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum], wonende te [adres appellante], domicilie kiezende te [adres kantoor raadsman], ten kantore van haar raadsman, hierna te noemen appellante. Het hoger beroep is ingesteld tegen de beschikking van de rechtbank te Arnhem van 9 oktober 2009, houdende de beslissing op een verzoek ex artikel 89 van het Wetboek van Strafvordering. Het hof heeft gehoord in openbare raadkamer van 16 februari 2010 de advocaat-generaal en namens appellante [raadsman], advocaat te [plaatsnaam]. Appellante is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. Het hof heeft kennis genomen van: -het verzoekschrift, ingediend op 4 mei 2009 ter griffie van de rechtbank te Arnhem door [raadsman] voornoemd; -het proces-verbaal van de behandeling van het verzoek door de rechtbank; -voormelde beschikking van de rechtbank; -de akte rechtsmiddel van 16 november 2009, opgemaakt door de griffier van de rechtbank te Arnhem, waarbij namens appellante hoger beroep werd ingesteld tegen voormelde beschikking; -de overige zich in het dossier bevindende stukken. OVERWEGINGEN 1.De zaak tegen appellant is op 6 februari 2009 door de officier van justitie afgedaan door middel van een sepot, nu in Duitsland gelijktijdig een onderzoek naar appellante zou lopen. De zaak is derhalve geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel. 2.Het inleidend verzoekschrift strekt tot toekenning van een vergoeding van schade die appellante heeft geleden tengevolge van de ondergane verzekering en voorlopige hechtenis. 3.Bij de beschikking waarvan beroep heeft de rechtbank voor de schade welke appellante tengevolge van de ondergane verzekering en voorlopige hechtenis heeft geleden, de gebruikelijke forfaitaire vergoeding per dag toegekend. Voor een hogere vergoeding heeft de rechtbank geen termen aanwezig geacht, nu van de gestelde immateriële schade onduidelijk is of deze rechtstreeks verband houdt met de ondergane detentie. 4.Het hoger beroep is tijdig ingesteld. Appellante kan in zoverre daarin worden ontvangen. 5.Namens appellante heeft de raadsman als grief tegen de beschikking van de rechtbank aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte geen hogere vergoeding heeft toegekend voor de schade die appellante als gevolg van de ondergane detentie heeft geleden. Voor het overige hebben appellant en zijn raadsman volhard bij hetgeen in het inleidend verzoekschrift is aangevoerd en verzocht. 6.De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot bevestiging van de beslissing waarvan beroep. 7.Op grond van het bepaalde in artikel 89 en verder van het Wetboek van Strafvordering kan de rechter aan de gewezen verdachte, in het geval de zaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel of met zodanige oplegging, doch op grond van een feit waarvoor voorlopige hechtenis niet is toegelaten, en de rechter daarvoor – alle omstandigheden in aanmerking genomen – gronden van billijkheid aanwezig acht, een vergoeding toekennen voor schade die hij heeft geleden ten gevolge van ondergane verzekering en voorlopige hechtenis. Een dergelijk geval doet zich hier voor. 8.Appellante is op 14 december 2007 in verzekering gesteld. Vervolgens is op 17 december 2007 de bewaring ingegaan en daarop volgend is de gevangenhouding bevolen. De voorlopige hechtenis is opgeheven op 27 december
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.