GERECHTSHOF ARNHEM Sector civiel recht zaaknummer gerechtshof: 200.055.913 (zaaknummers rechtbank: 107555 / FT RK 09.1038 & 107557 / FT RK 09.1039) arrest van de eerste civiele kamer van 8 april 2010 inzake [appellant sub 1] en zijn echtgenote [appellante sub 2], beiden wonende te [woonplaats], appellanten, advocaat: mr. M.P. Smit te Almelo. 1. Het geding in eerste aanleg 1.1 Bij vonnis van de rechtbank Almelo van 26 januari 2010 is het verzoek van appellanten (hierna te noemen: [appellanten]) tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling afgewezen. 1.2 Het hof verwijst naar voornoemd vonnis, dat in fotokopie aan dit arrest is gehecht. 2. Het geding in hoger beroep 2.1 Bij ter griffie van het hof op 3 februari 2010 ingekomen verzoekschrift zijn [appellanten] in hoger beroep gekomen van voornoemd vonnis en hebben zij het hof verzocht dat vonnis te vernietigen en, opnieuw recht doende, ten aanzien van hen de schuldsaneringsregeling van toepassing te verklaren, althans de zaak ter inhoudelijke beoordeling terug te verwijzen naar de rechtbank Almelo. 2.2 Het hof heeft kennisgenomen van het verzoekschrift met bijlagen, alsmede van de brieven met bijlagen van 22 februari 2010 en 24 maart 2010 van mr. Smit. 2.3 De mondelinge behandeling heeft, nadat deze was bepaald op 4 maart 2010 maar wegens ziekte van mr. Smit werd aangehouden, plaatsgevonden op 1 april 2010, waarbij [appellanten] zijn verschenen in persoon, bijgestaan door mr. Smit. Tevens is verschenen [A], werkzaam bij Stichting Quadrans. 3. De motivering van de beslissing in hoger beroep 3.1 [appellant sub 1], 57 jaar, en [appellante sub 2], 50 jaar, zijn met elkaar gehuwd en hebben samen drie kinderen. [appellant sub 1] is werkzaam in loondienst. Zijn inkomen bedraagt volgens de Verklaring Schuld-sanering van 24 november 2009 € 1.447,95 netto per maand. [appellante sub 2] ontvangt een WW-uitkering, die volgens voornoemde Verklaring € 545,- netto per maand bedraagt. De totale schuldenlast van [appellanten] bedraagt volgens het bij de Verklaring Schuldsanering gevoegde schuldenoverzicht ruim € 95.000,-. 3.2 De rechtbank heeft het verzoek van [appellanten] om toegelaten te worden tot de wettelijke schuldsaneringsregeling afgewezen, omdat onvoldoende is gebleken dat een persoon of instelling als bedoeld in artikel 48, eerste lid, van de Wet op het consumentenkrediet (verder te noemen: WCK) een poging heeft gedaan om tot een buitengerechtelijke schuldregeling te komen. In dat verband staat vast dat in de oproepingsbrief van de rechtbank aan [appellanten] op dit punt om een nadere toelichting is gevraagd en dat die toelichting niet binnen de daartoe gestelde termijn is verschaft. Zij hebben ook ter terechtzitting van 19 januari 2010 geen nadere toelichting kunnen verschaffen, aldus de rechtbank. 3.3 Het hof oordeelt als volgt. Op grond van artikel 285 lid 1 onder f Fw moet het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling voorzien zijn van onder meer een met redenen omklede verklaring dat er geen reële mogelijkheden zijn om tot een buitengerechtelijke schuldregeling te komen, welke verklaring moet zijn afgegeven door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente van de woon- of verblijfplaats van de schuldenaar. Voorts bepaalt artikel 288 lid 2, aanhef en onder b, Fw dat het verzoek tot toelating wordt afgewezen indien de poging tot een buitengerechtelijke schuldregeling niet is uitgevoerd door een persoon of instelling als bedoeld in artikel 48 lid 1 van de WCK. Artikel 48 lid 1 WCK bepaalt dat het in artikel 47 lid 1 van die wet bedoelde verbod (op schuldbemiddeling) niet van toepassing is wanneer het gaat om schuldbemiddeling: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.