GERECHTSHOF ARNHEM Sector civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.002.024 (zaaknummer rechtbank 208229) arrest van de vijfde civiele kamer van 27 april 2010 inzake [appellante], wonende te [woonplaats], appellante, advocaat: mr. F.A.M. Knüppe, tegen: de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [geïntimeerde] Paper Fabrics B.V. (rechtsopvolgster van [geïntimeerde] Fabrics Haaksbergen B.V.), gevestigd te [vestigingsplaats], geïntimeerde, advocaat: mr. J.M.W. Werker. 1. Het geding in eerste aanleg Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het vonnis van 7 december 2005 van de rechtbank Almelo en de vonnissen van 17 januari 2006, 25 juli 2006 en 4 september 2007 die de kantonrechter (rechtbank Almelo, sector kanton, locatie Enschede) tussen appellante (hierna ook te noemen: [appellante]) als gedaagde en geïntimeerde (hierna ook te noemen: [geïntimeerde]) als eiseres heeft gewezen; van de vonnissen van 7 december 2005, 25 juli 2006 en 4 september 2007 is een fotokopie aan dit arrest gehecht. 2. Het geding in hoger beroep 2.1 [appellante] heeft bij exploot van 3 december 2007 [geïntimeerde] aangezegd van de vonnissen van 25 juli 2006 en 4 september 2007 in hoger beroep te komen, met dagvaarding van [geïntimeerde] voor dit hof. 2.2 Bij memorie van grieven heeft [appellante] één grief tegen het vonnis van 7 december 2005 aangevoerd, en vijf grieven tegen de vonnissen van 25 juli 2006 en 4 september 2007 aangevoerd en toegelicht, en nieuwe producties in het geding gebracht. Zij heeft gevorderd dat het hof de drie bestreden vonnissen zal vernietigen en, opnieuw recht doende, bij arrest de vordering van [appellante], door haar als eiseres in eerste aanleg ingesteld, alsnog zal toewijzen, met veroordeling van geïntimeerde in de kosten van het geding in beide instanties, alles uitvoerbaar bij voorraad. Het hof begrijpt dit aldus dat [appellante] vordert dat het hof de bestreden vonnissen zal vernietigen en, opnieuw recht doende, bij uitvoerbaar verklaard arrest, de vorderingen van [geïntimeerde] in eerste aanleg zal afwijzen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het geding in beide instanties. 2.3 Bij memorie van antwoord heeft [geïntimeerde] de grieven bestreden, en heeft zij bewijs aangeboden, en een aantal producties in het geding gebracht. Zij heeft geconcludeerd dat het hof de grieven van [appellante] zal afwijzen en [appellante] zal veroordelen in (bedoeld zal zijn:) de kosten van het hoger beroep. 2.4 Ter zitting van 11 september 2009 hebben partijen de zaak doen bepleiten, [appellante] door mr. G. van Atten, advocaat te Amsterdam en [geïntimeerde] door mr. N.E.W. van Dijkman, advocaat te Amsterdam, beiden hebben daarbij pleitnotities in het geding gebracht. Mr. Van Dijkman voornoemd heeft voorafgaand aan de zitting aan [appellante] en het hof een afschrift van de conclusie van antwoord, een akte houdende overlegging productie met datum 25 mei 2005, de conclusie van repliek tevens houdende vermeerdering van eis van [geïntimeerde] met producties, de akte vermeerdering van eis met datum 28 september 2005 en de pleitnota van [appellante] en [geïntimeerde] met datum 6 april 2006 toegezonden. Het hof heeft deze stukken zowel op 13 juli 2009 als op 4 september 2009 ontvangen. Het hof heeft met partijen geconstateerd dat deze stukken deel uitmaken van het procesdossier. Mr. Van Atten voornoemd heeft voorafgaand aan de zitting aan [geïntimeerde] en het hof de producties 19 tot en met 24 gezonden, welke bij het hof zijn ingekomen op 7 september 2009. Mr. Van Dijkman heeft verklaard tegen het in het geding brengen van die producties geen bezwaar te hebben, waarna het hof aan mr. Van Dijkman akte heeft verleend van het in het geding brengen van die producties. 2.5 Vervolgens heeft het hof de zaak naar de rol verwezen voor het overleggen van de stukken door beide partijen. 2.6 Vervolgens heeft het hof arrest bepaald. 3. De vaststaande feiten 3.1 Als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist, staan vast de door de kantonrechter in het tussenvonnis van 7 december 2005 vastgestelde feiten, met uitzondering van het feit dat [appellante] verantwoordelijk was voor de gehele administratie en boekhouding van [geïntimeerde], waartegen grief 3 is gericht en waarop het hof in rechtsoverweging 4.9 zal ingaan. 4. De motivering van de beslissing in hoger beroep 4.1 Het gaat in deze zaak om het volgende. [appellante] is op 20 januari 1986 op basis van een arbeidsovereenkomst in dienst getreden bij [geïntimeerde]. Zij was laatstelijk werkzaam in de functie van financieel controller. Zij was lid van het managementteam en beschikte blijkens het uittreksel van de kamer van koophandel over een ‘volledige volmacht’. Zij had toegang tot de kas, de kluis en de bankrekeningen van [geïntimeerde], beschikte over de codes voor internetbankieren en kon derhalve gelden overmaken en betalingen verrichten zonder dat zij hiervoor de medewerking van iemand anders nodig had. Tevens kon zij, zonder medewerking van anderen, deze overboekingen en betalingen in de boekhouding verwerken. Na een interne controle bij [geïntimeerde] begin maart 2005 is het vermoeden ontstaan dat [appellante] zich gelden van [geïntimeerde] heeft toegeëigend zonder dat daarvoor een zakelijke grondslag aanwezig was. In opdracht van [geïntimeerde] heeft Ernst & Young Security & Integrity Services B.V. (verder: E&Y) een rapport met datum 28 juli 2005 (verder: het rapport van E&Y) opgesteld. Dit rapport bevat de conclusie dat een bedrag van € 1.606.571,-- niet in de administratie en/of boekhouding van [geïntimeerde] is verantwoord. [geïntimeerde] heeft [appellante] voor dit bedrag aansprakelijk gesteld. [appellante] is in eerste aanleg veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 1.581.571,--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding tot aan de dag van algehele voldoening. Hiertegen richt zich het hoger beroep van [appellante]. 4.2 Met grief 1 komt [appellante] op tegen het vonnis van 7 december 2005, te weten het oordeel van de rechtbank dat zij niet bevoegd is van de vordering kennis te nemen en de daaropvolgende beslissing tot verwijzing van de zaak naar de kantonrechter. Het hof oordeelt als volgt. Tegen een beslissing tot verwijzing staat in beginsel - behoudens bijzondere omstandigheden - geen voorziening open (artikel 71 lid 5 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (verder: Rv)). Nu [appellante] geen feiten en omstandigheden heeft gesteld die doorbreking van het appelverbod kunnen rechtvaardigen, is [appellante] niet-ontvankelijk in haar hoger beroep tegen dit tussenvonnis. Deze grief faalt derhalve, althans kan niet tot vernietiging leiden. 4.3 Met grief 2 stelt [appellante] zich op het standpunt dat de kantonrechter het geschil uitsluitend aan de hand van artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek (verder: BW) mocht beoordelen, omdat [geïntimeerde] zich uitsluitend op die rechtsgrond heeft beroepen en de kantonrechter de rechtsgrond van artikel 7:661 BW niet ambtshalve mocht aanvullen. Volgens [appellante] diende, nu artikel 6:162 BW toepassing mist en de rechtsgrond uit artikel 7:661 BW niet aan de orde is, de vordering te worden afgewezen. 4.4 Ook deze grief faalt. Nog daargelaten dat [geïntimeerde] in hoger beroep alsnog een beroep op artikel 7:661 BW heeft gedaan, kan en moet artikel 7:661 BW zo nodig ambthalve toepassing vinden, indien wordt geageerd op basis van een onrechtmatige daad, begaan door de werknemer bij de uitvoering van de arbeidsovereenkomst (HR 2 maart 2007, JBPr 2007, 46). De vraag of [appellante] aansprakelijk is jegens [geïntimeerde] dient derhalve beantwoord te worden aan de hand van artikel 7:661 BW. 4.5 Het hof gaat voorbij aan de stelling van [geïntimeerde] dat de beschermende norm van artikel 7:661 BW in deze toepassing mist. De maatstaf uit artikel 7:661 BW is immers niet alleen van toepassing in het geval dat de aan [appellante] verweten handelingen zijn begaan bij de uitvoering van de arbeidsovereenkomst, doch ook in het geval de verweten gedragingen in een zodanig verband staan met de uitvoering van haar arbeidsovereenkomst, dat de strekking van artikel 7:661 BW zich tegen een verdergaande aansprakelijkheid verzet. Die laatste situatie doet zich hier in ieder geval voor, aangezien de aard van de aan haar verweten gedragingen niet los gezien kan worden van haar positie van financieel controller. 4.6 Met grief 5 verwijt [appellante] de kantonrechter dat hij niet heeft erkend dat [geïntimeerde] heeft gehandeld in strijd met de goede procesorde, waardoor het [appellante] onmogelijk is gemaakt te trachten aan de hand van bij [geïntimeerde] voorhanden stukken haar bewijsopdracht te vervullen. Ook deze grief faalt. Het betoog van [appellante] dat [geïntimeerde] kort voor het indienen van de conclusie na enquête nog duizend pagina’s papier heeft toegestuurd en [appellante] onvoldoende tijd zou hebben gehad om hierop te reageren kan haar in hoger beroep reeds niet baten, omdat zij in hoger beroep alsnog voldoende gelegenheid heeft gehad om op deze stukken te reageren. Ten aanzien van het verwijt van [appellante] dat [geïntimeerde] een groot deel van de gevraagde informatie niet ter beschikking wilde stellen en een weigerachtige houding aan heeft aangenomen bij de informatieverstrekking, heeft de kantonrechter - kort samengevat - overwogen dat, nu [geïntimeerde] [appellante] meerdere malen heeft uitgenodigd om bescheiden in te zien en te kopiëren, [appellante] voldoende mogelijkheden heeft gehad om gedurende een jaar lang gegevens in te zien en te verzamelen, welke periode zij grotendeels ongebruikt heeft gelaten. Ten aanzien van haar eigen personeelsdossier, dat volgens [geïntimeerde] niet in de administratie aanwezig was, heeft de kantonrechter overwogen dat tussen partijen in confesso is dat [appellante] na haar ontslag gedurende enkele maanden, toen zij al op de hoogte was van de verwijten van [geïntimeerde] jegens haar, de beschikking heeft gehad over dit personeelsdossier en derhalve toen al gelegenheid heeft gehad om kopieën te maken van de stukken die haar stellingen zouden kunnen onderbouwen. De kantonrechter is voorbij gegaan aan de bezwaren van [appellante]. Nu [appellante] in hoger beroep hier niets, althans onvoldoende, tegenover heeft gesteld dat het oordeel van de kantonrechter in een ander daglicht kan plaatsen, verenigt het hof zich met dit zich oordeel en de daarvoor gegeven gronden. 4.7 Met grief 3 maakt [appellante] bezwaar tegen het feit dat de kantonrechter (nagenoeg) de gehele vordering van [geïntimeerde] heeft toegewezen en derhalve heeft geoordeeld dat alle kosten waarvan E&Y de zakelijke grondslag niet kon vaststellen, voor rekening van [appellante] dienden te komen. Zoals het hof hiervoor onder 4.4 en 4.5 heeft geoordeeld dient dit geschil te worden beslist aan de hand van de in artikel 7:661 BW neergelegde maatstaf. Dit betekent dat [appellante] voor door haar bij de uitvoering van de arbeidsovereenkomst aan [geïntimeerde] toegebrachte schade eerst aansprakelijk is, indien haar ter zake, alle omstandigheden van het geval in aanmerking genomen, een ernstig verwijt valt te maken. De stelplicht - en zo nodig de bewijslast - van de stelling dat [appellante] bij de uitvoering van haar werkzaamheden schade heeft toegebracht aan [geïntimeerde], alsmede het feit dat [appellante] ter zake een ernstig verwijt valt te maken, rust op [geïntimeerde]. Voormelde ernstige verwijtbaarheid mag niet voorshands worden aangenomen dan op goede, in de motivering tot uiting gebrachte gronden (Hoge Raad 30 maart 2001, JAR 2001, 127 en artikel 150 Rv juncto artikel 7:661 BW). 4.8 De vordering van [geïntimeerde] in eerste aanleg ter hoogte van een bedrag van € 1.606.571,-- bestaat uit diverse schadeposten, welke alle zijn opgenomen in het rapport van E&Y. Het hof zal hierna per schadepost ingaan op de door [geïntimeerde] gestelde schade en de gestelde ernstige verwijtbaarheid ter zake. 4.9 Het hof stelt hierbij voorop dat [appellante] als financieel controller verantwoordelijk was voor de (periodieke) verslaglegging en de gehele financiële administratie van [geïntimeerde]. Niet alleen staat dit met zoveel woorden omschreven in haar functieomschrijving (bijgevoegd als productie 8 bij memorie van grieven), dit kan ook uit de getuigenverklaringen van [A] (verder: [A]), [B] (verder: [B]) en [C] (verder: [C]) worden afgeleid. Zo verklaart [A] “(…) De financiële zaken waren de verantwoordelijkheid van [appellante] (…)”, verklaart [B]: ”(…) [appellante] was de baas (…)” en verklaart [C]: “(…) [appellante] was hoofd van de afdeling (…)”. Verder vervulde zij, nu zij lid van het managementteam was, een leidinggevende positie binnen [geïntimeerde] en beschikte zij - zoals staat vermeld in het uittreksel van de kamer van koophandel - over een volledige volmacht. Het feit dat [appellante] niet alle uitvoerende werkzaamheden zelf deed en dat zij niet altijd aanwezig was (in welk geval zij werd vervangen door [B]), ontslaat haar - zonder nadere feiten en omstandigheden, die niet zijn aangevoerd en die niet zijn gebleken - niet van die verantwoordelijkheid. Ook het feit dat zij verantwoording moest afleggen aan - onder andere - de algemeen directeur van [geïntimeerde], doet aan haar eigen verantwoordelijkheid niet af. Het voorgaande brengt met zich dat indien komt vast te staan dat een deugdelijke verslaglegging ontbreekt, [appellante] daarvan in beginsel, gelet op haar verantwoordelijkheid binnen [geïntimeerde] en haar verplichting zich als goed werkneemster te gedragen, een ernstig verwijt kan worden gemaakt. In hoeverre daarvan sprake is zal per - door [geïntimeerde] gestelde - schadepost worden beoordeeld. 4.10 [appellante] heeft als algemeen verweer ten tijde van het pleidooi bij het hof nog gesteld dat [A] alle facturen heeft getekend en dat [geïntimeerde] hierdoor alle betalingsopdrachten van [appellante] heeft geaccordeerd. Volgens [appellante] staat dit aan de aansprakelijkheidstelling door [geïntimeerde] in de weg. [geïntimeerde] heeft betwist dat [A] alle facturen tekende. Aan dit verweer gaat het hof voorbij. In de eerste plaats heeft [appellante] haar stelling dat [A] alle facturen tekende niet, althans onvoldoende, onderbouwd. Uit de enkele verklaring van Schoonebeek luidende “(…) Betalingen worden voor zover door ons gezien door [A] en [appellante] geparafeerd(…).”, kan nog niet worden afgeleid dat [A] alle opdrachten parafeerde, waaronder de in dit geschil ter discussie staande betalingsopdrachten. Ook uit de navolgende verklaring van [A] kan dit niet worden afgeleid: “(…) De financiële zaken waren de verantwoordelijkheid van [appellante]. Ik tekende wel facturen af, maar ik weet niet of dat ik ook alles zag. De laatste maanden heb ik de financiële zaken ook wat laten liggen omdat er belangrijkere zaken speelden.(…). Ik ben trouwens financieel niet onderlegd.(…). Ik kreeg van mevrouw [appellante] een foliomapje met 4 of 5 betalingen die ik dan fiatteerde. Het ging om zogenaamde Interpaybetalingen. Ik weet niet of hetgeen ik van mevrouw [appellante] kreeg ook volledig was. Ik controleerde dat niet aan de hand van de boekhouding. Het is mij bekend dat jaarlijks zo’n € 100.000,-- a € 120.000,-- contant van de bank werd opgenomen. Dat gebeurde steeds door [appellante]. Ik voerde daar zelf geen controle op uit. (…).” 4.11 Uit die verklaringen kan niet worden afgeleid dat hij voor alle facturen tekende. Bovendien kan daaruit worden afgeleid dat [A] weinig aandacht had voor de betalingen die hij fiatteerde nu hij de financiën niet als zijn verantwoordelijkheid zag en bovendien niet financieel onderlegd was. Dit wordt bevestigd door de verklaring van [G], forensisch accountant bij E&Y, die heeft verklaard: “(…) Uit de gesprekken met [A] kreeg ik ook de indruk dat hij weinig aandacht had voor financiële zaken. Wellicht te weinig, zoals hij later ook zelf aangaf. In de praktijk tekende hij niet voor betalingen. Hij zag dat ook niet als zijn taak. In die zin was de operationele financiële leiding bij [geïntimeerde] gescheiden. Dat [appellante] als enige verantwoordelijk was voor de financiële gang van zaken kwam plausibel op mij over. Tijdens mijn onderzoek gaf [A] geen blijk van een ruime kennis van administratieve en financiële zaken.(…)”. 4.12 Het hof voegt daar nog aan toe dat, zelfs indien [A] facturen zou hebben afgetekend waarvoor [geïntimeerde] [appellante] in deze procedure aansprakelijk stelt, dit nog niet betekent dat [A] zich bewust was van wat hij tekende en beoogde [geïntimeerde] te binden. Voor die gevallen waarin [appellante] zich wel van bewust was van de benadeling van [geïntimeerde] (althans zich daarvan bewust had moeten zijn), gaat het dan niet aan om haar aansprakelijkheid af te wenden op de grond dat [A] facturen aftekende. Bovendien disculpeert het feit dat de algemeen directeur zijn controlerende taken ter zake heeft verzuimd en betalingen heeft afgetekend, [appellante] niet van haar eigen verantwoordelijkheid ten opzichte van [geïntimeerde]. Contant geld van bank opgenomen (€ 492.649,--) - (A) 4.13 [geïntimeerde] stelt dat ter hoogte van dit bedrag gelden zijn opgenomen van ABN AMRO Bank, die niet als kasontvangst zijn verantwoord en waarvoor evenmin een zakelijke grondslag is gevonden. Zij onderbouwt dit met het rapport van E&Y. Dit bedrag is onderverdeeld in diverse posten die het hof hierna één voor één zal bespreken. 4.14 Het hof stelt voorop dat [appellante] niet, althans onvoldoende, gemotiveerd heeft betwist dat dit bedrag in opdracht van [appellante] van de bank is opgenomen en dat zij over dit bedrag heeft kunnen beschikken. [appellante] heeft daar tijdens het pleidooi in hoger beroep tegen ingebracht dat zij andere werknemers onbeperkt heeft gemachtigd om in haar naam geld op te nemen en dat ondanks het feit dat de bankafschriften op haar naam staan, de gelden feitelijk door een ander zijn opgenomen. Zij heeft daar aan toegevoegd dat het in de praktijk om machtigingen ter hoogte van € 2.000,-- tot € 5.000,-- ging. Nog daargelaten dat zij die stelling niet nader heeft onderbouwd, ontslaat dit haar naar het oordeel van het hof niet van haar verantwoordelijkheid om als leidinggevende van de financiële afdeling controle ten aanzien van de bestemming van die gelden te betrachten. Het hof is dan ook van oordeel dat, zelfs indien juist is dat (een deel van) dit bedrag met machtiging van [appellante] door andere werknemers is opgenomen, [appellante] gelet op haar functie en de enorme omvang van het bedrag, een ernstig verwijt treft, indien vast komt te staan dat die gelden niet deugdelijk zijn verantwoord en [geïntimeerde] daardoor schade heeft geleden. De post tussenrekening vreemde valuta (€ 4.465,--): 4.15 Ten aanzien van deze post heeft [geïntimeerde] naar het oordeel van het hof onvoldoende gesteld dat zij schade heeft geleden en wat zij [appellante] ter zake verwijt. [geïntimeerde] verwijst weliswaar naar het rapport van E&Y, doch in dit rapport staat vermeld dat E&Y deze rekening niet nader heeft geanalyseerd. [appellante] is derhalve voor deze schadepost niet aansprakelijk. De post nog te ontvangen transitoria (€ 337.927,--) 4.16 Ter onderbouwing van haar schade verwijst [geïntimeerde] naar het rapport van E&Y (pagina 23 en 26), waarin staat vermeld: “Bij de start van ons onderzoek, medio maart 2005, hebben wij enkele duizenden euro’s in kas aangetroffen. (…). (…) Op de AFAS-grootboekrekening 614 ‘Nog te ontvangen bedragen’ of een vergelijkbare grootboekrekening zijn contante opnamen van de VFHA-bankrekening (de bankrekening van [geïntimeerde]; toevoeging hof) ten bedrage van € 339.927,-- (bedoeld zal zijn: 337.927,--; toevoeging Hof] geboekt. In de financiële administratie hebben wij geen bescheiden aangetroffen op basis waarvan de zakelijke grondslag kan worden vastgesteld. 4.17 [appellante] heeft betwist dat [geïntimeerde] schade heeft geleden ter hoogte van dit bedrag. Volgens [appellante] is er wel degelijk een zakelijke grondslag voor dit bedrag aanwezig. Zij voert daartoe - onder verwijzing naar diverse stukken - aan dat dit bedrag betrekking heeft op voorgeschoten kosten voor personeel van andere vestigingen. Die stukken geven echter naar het oordeel van het hof uitsluitend aan dat gecorrespondeerd is over werknemers die tevens werkzaamheden voor andere vestigingen verrichtten en dat kosten ter zake aan andere vestigingen worden doorbelast. Uit deze stukken kan echter niet worden afgeleid dat dit bedrag ter hoogte van € 337.927,-- doorbelast kan worden, en zo ja, aan welke vestiging. Die stukken geven derhalve een onvoldoende verklaring voor de bestemming van dit concrete bedrag en kunnen haar niet baten. Gelet op het door [geïntimeerde] overgelegde rapport van E&Y, bezien in het licht van het door [appellante] bijgebrachte bewijs dat haar betoog zou kunnen onderschrijven, acht het hof voorshands bewezen dat [geïntimeerde] deze kosten niet op een andere vestiging kan verhalen, zodat [geïntimeerde] schade heeft geleden. Tevens acht het hof op grond van het voorgaande - mede gelet op haar verantwoordelijkheid om voor een deugdelijke verslaglegging zorg te dragen - voorshands bewezen dat [appellante] ter zake van die schade een ernstig verwijt treft. Nu [appellante] in hoger beroep geen bewijs heeft aangeboden van haar stellingen, zal [appellante] niet in de gelegenheid worden gesteld de voorshands bewezen stellingen van [geïntimeerde] te ontzenuwen. 4.18 De conclusie van het voorgaande is dat [appellante] voor de schade ter hoogte van € 337.927,-- aansprakelijk is. Leningen aan werknemers (€ 75.395,--) 4.19 [appellante] heeft niet, althans onvoldoende gemotiveerd, betwist dat dit bedrag is uitgegeven. Wel heeft zij betwist dat [geïntimeerde] dientengevolge schade heeft geleden. Volgens [appellante] zouden ter hoogte van dit bedrag leningen aan werknemers zijn verstrekt. Zij verwijst daartoe naar door haar overgelegde documenten. Uit die documenten kan echter uitsluitend worden afgeleid dat werknemer [D] (verder: [D]) onkosten heeft gedeclareerd en dat op de onkostendeclaratie van [D] een bedrag ter zake van de aflossing van zijn lening werd ingehouden. Dat de uitbetaling en aflossing van deze lening via de kasadministratie verliepen, volgt hieruit niet. Daar komt bij dat in het rapport van E&Y staat dat E&Y in de personeelsdossiers, de administratie noch in de geautomatiseerde bestanden leningsovereenkomsten heeft aangetroffen. [geïntimeerde] heeft daar nog aan toegevoegd (onder verwijzing naar het rapport van E&Y) dat de leningen die wel staan geadministreerd (te weten leningen aan [D] en aan [E]) niet via de kasadministratie maar via de bankrekening van [geïntimeerde] zijn uitbetaald en dat die werknemers deze leningen in 2005 reeds geheel hebben terugbetaald zodat dit geen verklaring kan zijn voor het openstaande bedrag van € 75.395,--. [appellante] heeft dit niet, althans onvoldoende gemotiveerd bestreden. Op grond van het rapport van E&Y, bezien in het licht van het door [appellante] bijgebrachte bewijs, acht het hof voorshands bewezen dat dit bedrag is uitgeven zonder dat dit in de kas is teruggevloeid en zonder dat daar vorderingen tegenover staan (uit hoofde van leningsovereenkomsten), zodat [geïntimeerde] schade heeft geleden. Verder acht het hof voorshands bewezen dat [appellante] ter zake een ernstig verwijt valt te maken, nu van [appellante], gelet op haar positie, verwacht had mogen worden dat zij - ook indien dit bedrag wel betrekking zou hebben op leningen - zorg zou dragen voor een deugdelijke administratie daarvan. Nu [appellante] geen bewijs heeft aangeboden, zal zij niet in de gelegenheid worden gesteld de voorshands bewezen stelling van [geïntimeerde] te ontzenuwen. 4.20 De conclusie van het voorgaande is dat [appellante] voor de schade ter hoogte van € 75.395,-- aansprakelijk is. Voorraden (€ 38.760,--) 4.21 [appellante] heeft op zich niet betwist dat er gelden ter hoogte van dit bedrag zijn uitgegeven ten laste van [geïntimeerde], maar zij heeft als verklaring gegeven dat met dit bedrag zwarte betalingen zijn verricht. Zij legt in dat verband een aantal handgeschreven documenten over, waarop werkzaamheden en bedragen zijn vermeld. Die documenten onderschrijven haar betoog echter niet, aangezien uit die enkele vermelding niet kan worden afgeleid dat, wanneer en door wie zwarte betalingen zijn gedaan. Ook uit de getuigenverklaringen blijkt niet dat er een cultuur van zwarte betalingen binnen [geïntimeerde] bestond, nu behalve [A] niemand daarover verklaart. Wel heeft [A] verklaard over een drietal concrete gevallen waarin zwarte betalingen zijn gedaan. Zo verklaart [A] dat eenmalig een bedrag van € 6.000,-- á € 7.000,-- is betaald aan ene [F]. Verder verklaart hij dat betalingen zijn verricht aan [H] en een monteur. Concrete bedragen noemt hij niet. De kantonrechter heeft deze zwarte betalingen geschat op een bedrag van € 19.480,--. [appellante] heeft daartegen weliswaar bezwaar gemaakt maar zij heeft niet, althans onvoldoende, nader geconcretiseerd en onderbouwd welk bedrag dit volgens haar wel zou moeten zijn en dit oordeel in zoverre onvoldoende gemotiveerd betwist, zodat het hof daaraan voorbij gaat. 4.22 Met uitzondering van voormeld bedrag van € 19.480,-- acht het hof gelet op het rapport van E&Y en de getuigenverklaringen, afgezet tegen het de door [appellante] bijgebrachte bewijs, voorshands bewezen dat [geïntimeerde] schade heeft geleden en dat [appellante] ter zake - gelet op haar verantwoordelijkheid om voor een deugdelijke verslaglegging zorg te dragen - een ernstig verwijt treft. 4.23 De conclusie is dat [appellante] voor de schade ter hoogte van € 19.280,-- (€ 38.760,-- minus € 19.480,--) aansprakelijk is. Kostenrekeningen (€ 28.257,--) 4.24 In het rapport van E&Y staat dat dit bedrag is geboekt op grootboekrekeningen als ‘bankkosten buitenland, ‘premie pensioenfonds’ en ‘personeelskosten’ en dat E&Y geen primaire bescheiden van de boekingen op deze kostenrekeningen heeft aangetroffen. [appellante] heeft hiervoor geen verklaring gegeven. Gelet op het voorgaande acht het hof voorshands bewezen dat [geïntimeerde] schade heeft geleden en dat [appellante] ter zake een ernstig verwijt valt te maken. Het was immers, gelet op haar functie, de verantwoordelijkheid van [appellante] om voor een deugdelijke administratie te zorgen. 4.25 De conclusie is dat [appellante] voor de schade ter hoogte van € 28.257,-- aansprakelijk is. Kruisposten (€ 7.845,--) 4.26 [geïntimeerde] heeft gesteld dat een bedrag van € 522.822,-- als kasopname op de rekening Kruisposten is geboekt. In totaal is daarvan € 514.977,-- als kasstorting geboekt. Het verschil tussen voormelde bedragen, ter hoogte van € 7.845,-- is niet als kasstorting geboekt. Voor dit bedrag kan volgens [geïntimeerde] aan de hand van de ter beschikking staande bescheiden, de zakelijke grondslag niet kan worden vastgesteld. [appellante] heeft hiervoor geen verklaring gegeven. Gelet op het voorgaande acht het hof voorshands bewezen dat [geïntimeerde] schade heeft geleden. Ook acht het hof voorshands bewezen dat [appellante] ter zake een ernstig verwijt valt te maken. Het was immers, gelet op haar functie, de verantwoordelijkheid van [appellante] om voor een deugdelijke administratie te zorgen. 4.27 De conclusie is dat [appellante] voor de schade ter hoogte van € 7.845,-- aansprakelijk is. Betalingen per company card (€ 112.961,--) - (B) 4.28 [geïntimeerde] stelt dat uit het onderzoek van E&Y naar voren is gekomen dat in de onderzoeksperiode voor € 112.961,-- aan betalingen zijn verricht met de door [geïntimeerde] aan [appellante] ter beschikking gestelde company card. [appellante] heeft erkend dat zij dit bedrag heeft uitgegeven. Zij heeft aangegeven dat zij een bedrag ter hoogte van € 71.652,-- voor privé-bestedingen heeft aangewend en dat het (resterende) bedrag van € 41.309,-- een zakelijk karakter had. 4.29 Alvorens in te gaan op deze afzonderlijke posten, merkt het hof op dat het voorbij gaat aan de stelling van [appellante] dat een bedrag van € 3.835,88 buiten de onderzoeksperiode valt, nu dit niet wegneemt dat de bedragen door E&Y zijn gesignaleerd als bedragen waarvoor geen zakelijke grondslag is terug te vinden. Bij de beoordeling of [appellante] voor de kosten waarvoor geen zakelijke grondslag is terug te vinden, aansprakelijk is, zal dit bedrag daarom niet buiten beschouwing worden gelaten. Ten aanzien van het bedrag van € 71.652,-- 4.30 Het hof stelt vast dat E&Y in haar rapport heeft vermeld dat in de kasadministratie in relatie tot deze privé-uitgaven een bedrag van € 9.566,-- als kasontvangst is verantwoord. Voor dit bedrag kan [appellante] derhalve, zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, niet aansprakelijk worden gehouden. 4.31 [appellante] heeft aangevoerd dat zij het resterende bedrag ook aan [geïntimeerde] heeft terugbetaald. Om haar betoog kracht bij te zetten, legt [appellante] een aantal kasbewijzen over waaruit zou moeten blijken dat zij in ieder geval een bedrag van € 18.607,85 heeft terugbetaald. Naar het oordeel van het hof kan uit die stukken niet kan worden afgeleid dat zij enig bedrag heeft terugbetaald. Op de kasbewijzen staan louter bedragen met daarbij de vermelding ‘zie spec.’. De daarbij behorende specificaties ontbreken echter. In één overgelegd kasbewijs wordt zelfs verwezen naar een datum uit het kasboek van na haar ontslag, hetgeen niet bijdraagt aan de geloofwaardigheid van haar verweer op dit punt. Gelet op het door [geïntimeerde] overlegde rapport, bezien in het licht van het door [appellante] bijgebrachte bewijs, acht het hof voorshands bewezen dat [appellante] dit resterende bedrag niet aan [geïntimeerde] heeft terugbetaald en dat [appellante] daarvan - gelet op het feit dat het tot haar verantwoordelijkheid behoorde om zorg te dragen voor een deugdelijke verslaglegging en administratie binnen [geïntimeerde] - ter zake een ernstig verwijt treft. Voor dit oordeel is temeer aanleiding nu het de administratie betreft van de terugbetaling van gelden van haar werkgever die zij voor privé-doelstellingen heeft aangewend. Het is aan [appellante] om tegenbewijs te leveren tegen die voorshands bewezen stellingen. Nu [appellante] geen bewijs heeft aangeboden zal zij daartoe echter niet in de gelegenheid worden gesteld. 4.32 Uit het voorgaande vloeit voort dat van de schade van € 71.652,--, [appellante] voor € 62.086,-- aansprakelijk is. Ten aanzien van het bedrag van € 41.309,-- 4.33 Het hof stelt vast dat E&Y in haar rapport heeft vermeld dat zij ter zake van dit bedrag de zakelijke grondslag voor een bedrag van € 2.219,-- heeft kunnen onderbouwen. Voor dit bedrag van € 2.219,-- kan [appellante] derhalve, zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet aansprakelijk worden gehouden. 4.34 Ten aanzien van het bedrag van € 39.090,-- staat in het rapport van E&Y vermeld: “(…) Op basis van de ter beschikking staande bescheiden hebben wij de zakelijke grondslag van uitgaven tot een bedrag ad € 2.219,-- kunnen onderbouwen. Dit betreft onder andere uitgaven voor de kaartbijdrage en hotelovernachtingen in vestigingsplaatsen van [geïntimeerde] in het buitenland. Uit een analyse van de privé-vakanties, zoals deze naar voren komen uit het door mevrouw [appellante] opgestelde en aan ons verstrekte overzicht van vakantiedagen, blijkt dat gedurende de periodes dat mevrouw [appellante] op vakantie was, er uitgaven met haar company creditcard zijn verricht voor € 4.327. Mevrouw [appellante] heeft ons het zakelijke karakter van deze betalingen niet kunnen aantonen. Daarnaast zijn betalingen vericht bij tankstations en garages voor een totaalbedrag € 604. Mevrouw [appellante] rijdt een privé-auto en ontvangt voor zakelijke kilometers een vergoeding. Voor de overige uitgaven per company creditcard, veelal uitgaven in restaurants en hotels, ten bedrage van in totaal € 34.159, is een aantal gevallen de bijbehorende inkoopfactuur in de financiële administratie verantwoord. Op basis van de ter beschikking bestaande bescheiden kan door ons de zakelijke grondslag van de kosten niet vastgesteld worden. Van enkele uitgaven met de company creditcard in warenhuizen, elektronica zaken en in een lederwarenzaak, hebben wij geen bescheiden in de financiële administratie aangetroffen. Het is niet duidelijk waar de betreffende goederen zich thans bevinden (…).” 4.35 Met het rapport van E&Y heeft [geïntimeerde] gemotiveerd gesteld dat de zakelijke grondslag ontbreekt en dat zij schade heeft geleden ter hoogte van het bedrag van € 39.090,--. [appellante] heeft hiervoor als verklaring gegeven dat zij veel zakelijk op pad was en dat zij kosten van verblijf, etentjes met collega’s en attenties voor werknemers met haar company card betaalde. Zij legt daartoe onkostendeclaraties van werknemer [D] over en een e-mail ter zake van enkele zakelijke diners. Hieruit volgt echter - zonder nadere bescheiden - niet dat zij kosten ter hoogte van dit bedrag zakelijk heeft gemaakt en dat zij deze specifieke kosten met haar company card heeft betaald. Het had juist vanwege haar functie, de aard en de hoogte van de uitgaven op haar weg gelegen om voor een deugdelijke administratie zorg te dragen van door haar met gelden van haar werkgever gedane uitgaven. Het feit dat werknemer [D] zeer hoge bedragen aan onkosten declareerde leidt niet tot een ander oordeel. Nog daargelaten dat het feit dat een andere werknemer hoge bedragen declareert, [appellante] nog geen vrijbrief geeft om dit zelf ook te doen, volgt uit de getuigenverklaring van [G], dat van alle overige werknemers met een zakelijke credit card de uitgaven wel door middel van bonnen werden verantwoord. Dit wordt bevestigd door de getuigenverklaringen van [B], [C] en [I], [J], [K], [D] en [L], waaruit kan worden afgeleid dat onkosten werden gedeclareerd op basis van bonnen. Op grond van het rapport van E&Y en de getuigenverklaringen, bezien in het licht van het door [appellante] bijgebrachte bewijs, acht het hof voorshands bewezen dat de betreffende kosten geen zakelijke grondslag hebben, dat [geïntimeerde] schade heeft geleden en dat [appellante] ter zake een ernstig verwijt valt te maken, behoudens door [appellante] te leveren tegenbewijs. Nu [appellante] geen bewijs heeft aangeboden, zal zij daartoe niet worden toegelaten. 4.36 De conclusie van het voorgaande is dat [appellante] aansprakelijk is voor de schade ter hoogte van € 39.090,--. Betalingen ten gunste van privé credit card [appellante] (€ 292.627,--) - (C) 4.37 Ten aanzien van dit bedrag stelt [geïntimeerde] dat uit het onderzoek van E&Y naar voren is gekomen dat ter hoogte van dit bedrag gelden van de bankrekening van [geïntimeerde] zijn overgemaakt naar American Express, waarbij als omschrijving het nummer van de privé-creditcard van [appellante] is vermeld. Dit wordt door [appellante] niet betwist. [appellante] stelt echter dat zij recht op dit geld had, (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.