GERECHTSHOF ARNHEM Sector belastingrecht nummer 09/00257 uitspraakdatum: 31 augustus 2010 Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer op het hoger beroep van X te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 2 juni 2009, nummer AWB 08/5192, in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur van de Belastingdienst/P (hierna: de Inspecteur) 1. Ontstaan en loop van het geding 1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 2004 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: aanslag IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 26.171 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 292. Aan heffingsrente is daarbij een bedrag berekend van € 415. 1.2. De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar de aanslag gehandhaafd en de heffingsrente verminderd naar nihil. 1.3. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Arnhem (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 2 juni 2009, verzonden op 9 juni 2009, ongegrond verklaard. 1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. 1.5. De griffier heeft belanghebbende bij aangetekende brief met handtekening retour, verzonden op 20 mei 2010 en gericht aan belanghebbende op het adres a-straat 1 te Z, uitgenodigd ter zitting te verschijnen onder vermelding van plaats en tijdstip. Uit de retour ontvangen, door belanghebbende op 21 mei 2010 getekende, Handtekening Retourkaart leidt het Hof af dat de zending op voornoemde datum aan belanghebbende is uitgereikt. Belanghebbende is op juiste wijze voor de zitting van het Hof uitgenodigd. 1.6. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 juni 2010 te Arnhem. Belanghebbende is daar zonder kennisgeving aan het Hof niet verschenen. Namens de Inspecteur is verschenen H. Huver. Het Hof heeft ter zitting het onderzoek gesloten. 1.7. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht. 2. Feiten 2.1. Belanghebbende heeft tot maart 2004 in Q gewoond en gewerkt. Vanwege een burn out is belanghebbende vanaf maart 2004 woonachtig bij een bekende/verzorger in Z. 2.2. Vanaf 1 mei 2004 is belanghebbende op therapeutische basis weer gaan werken bij haar werkgever in Q. Haar verblijf op de werkplek heeft geen ander doel dan hervatting van haar, door haar burn-out onderbroken, werkzaamheden. Daartoe wordt zij door haar verzorger met de auto vervoerd van Z naar Q en vice versa. 2.3. In haar aangifte heeft belanghebbende autokosten ten bedrage van € 7.466 in aanmerking genomen als uitgaven wegens ziekte. 2.4. Verder heeft belanghebbende in haar aangifte een bedrag van € 124 als uitgaven wegens ziekte opgevoerd. Dit betreft uitgaven voor de thuiszorg van haar moeder, welke uitgaven pas na het overlijden van haar moeder door de erfgenamen, waaronder belanghebbende, zijn voldaan (hierna: de postume uitgaven). 2.5 De Inspecteur heeft bij de aanslagregeling de aftrek van de autokosten en de postume uitgaven geweigerd. 3. Geschil In geschil is of belanghebbende de autokosten en de postume uitgaven als uitgaven wegens ziekte in aanmerking kan nemen. Belanghebbende beantwoordt deze vraag bevestigend, de Inspecteur ontkennend. 4. Beoordeling van het geschil Autokosten 4.1 Op grond van het bepaalde in artikel 6.16, aanhef en onderdeel a, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001; tekst 2004) worden als buitengewone uitgaven aangemerkt de uitgaven wegens ziekte, invaliditeit en bevalling van de belastingplichtige. 4.2 Op grond van artikel 6.17, eerste lid, onderdeel a, van de Wet IB 2001 worden als uitgaven wegens ziekte, invaliditeit en bevalling aangemerkt de daarmee verband houdende uitgaven voor genees-, heel- en verloskundige hulp, met inbegrip van uitgaven voor vervoer. 4.3. Vervoerskosten die rechtstreeks verband houden met het verkrijgen van medische hulp zijn integraal aftrekbaar (hierna: categorie 1-kosten). In het onderhavige geval heeft belanghebbende de autokosten gemaakt om op therapeutische basis arbeid te kunnen verrichten. Van een medische behandeling is geen sprake. De autokosten zijn derhalve niet integraal aftrekbaar. 4.4. De kosten voor het overige gebruik van de auto in verband met ziekte zijn slechts aftrekbaar indien zij overtreffen hetgeen behoort tot het normale bestedingspatroon van personen die niet ziek of invalide zijn, doch overigens wat inkomen, vermogen en gezinsomstandigheden betreft, in een gelijke positie verkeren als belanghebbende (hierna: categorie 2-kosten) (vergelijk HR 15 december 1999, nr. 35157, LJN AA3847, BNB 2000/61 en HR 24 januari 2001, nr. 35913, LJN AA9626, BNB 2001/110). 4.5. Ter zitting heeft de Inspecteur verklaard dat belanghebbendes autokosten verband houden met haar ziekte, maar dat belanghebbende geen meerkosten in vorenbedoelde zin heeft gemaakt. 4.6. Belanghebbende is bij de berekening van de autokosten uitgegaan van 13.120 gereden kilometers en heeft ter zake van deze kilometers € 0,569 per kilometer in aanmerking genomen. Laatstgenoemd bedrag zou zijn ontleend aan een opgave van de ANWB. 4.7. De Inspecteur heeft aan de hand van de door belanghebbende verstrekte gegevens bij brief van 9 februari 2007, de autokosten voor belanghebbende berekend op € 4.335. Daarvan heeft een bedrag van € 514 betrekking op vervoerskosten voor artsenbezoek (categorie 1-kosten), welke kosten voor dit bedrag in aftrek zijn toegelaten. Na aftrek van deze kosten resteert een bedrag van € 3.821 als overige vervoerskosten (categorie 2-kosten). Uitgaande van de kilometerstanden op 7 juli 2004 (17.590
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.