GERECHTSHOF ARNHEM Sector belastingrecht nummer 09/00451 uitspraakdatum: 5 oktober 2010 Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer op het hoger beroep van X BV gevestigd te Z (hierna: belanghebbende), tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 17 november 2009, nummer AWB 08/2439, in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur van de Belastingdienst/P (hierna: de Inspecteur).
(2000), in de winst behoeft te worden opgenomen. 4.8. Blijkens artikel 3.54, lid 5, Wet IB 2001, kan de herinvesteringstermijn worden verlengd, indien de aanschaffing van een bedrijfsmiddel door bijzondere omstandigheden is vertraagd en mits aan de aanschaffing een begin van uitvoering is gegeven. Gelet op de verklaring van X dat hij in het najaar 2004 ervan uitging dat het over was (zie 2.6 en 2.8), kan naar het oordeel van het Hof vanaf dat moment niet langer worden gesproken van een begin van uitvoering. Voor een verlenging van de herinvesteringstermijn is in dat geval geen plaats. 4.9. Ook indien moet worden aangenomen dat er nog wel een begin van uitvoering werd gegeven aan de aanschaffing, is het Hof van oordeel dat de herinvesteringstermijn niet kan worden verlengd. De omstandigheid dat C BV in 2004 nog niet bereid was het pand te verkopen aan belanghebbende, is immers geen bijzondere omstandigheid in de zin van artikel 3.54, lid 5, Wet IB 2001 (vgl. HR 14 september 1988, 24939, BNB 1988/305). 4.10. De omstandigheid dat belanghebbende vanwege de onderhandelingen met C BV in 2004 niet meer de mogelijkheid had om haar financiële middelen voor de investering in een ander pand aan te wenden, kan evenmin als een bijzondere omstandigheid worden aangemerkt die de aankoop van het bedrijfspand heeft vertraagd, maar is veeleer een gevolg ervan. 4.11. Het vorenstaande brengt mee dat de herinvesteringsreserve ultimo 2004 ten bate van de winst dient vrij te vallen. Onderhoudsvoorziening 4.12. In het “Baksteenarrest” van 26 augustus 1998, 33417, LJN AA2555, BNB 1998/409, heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bij de bepaling van de winst voor een zeker jaar ter zake van toekomstige uitgaven onder de volgende voorwaarden een passiefpost mag worden gevormd:
- i)de uitgaven vinden hun oorsprong in feiten of omstandigheden, die zich in de periode voorafgaand aan de balansdatum hebben voorgedaan (het oorsprongvereiste),
- ii)ook overigens kunnen de uitgaven aan de periode voorafgaand aan de balansdatum worden toegerekend (het toerekeningsvereiste), en iii) er bestaat een redelijke mate van zekerheid dat de uitgaven zich zullen voordoen (het zekerheidsvereiste). 4.13. Gelet op de toezegging van de Staatssecretaris in zijn Besluit van 4 januari 2001, nr. CPP2000/3175, BNB 2001/114, punt 2.3.2, kan ook een voorziening worden gevormd die betrekking heeft op uitgaven die hun oorsprong vinden in eerdere jaren (inhaal van kosten). 4.14. Belanghebbende maakt aanspraak op een ten laste van de winst komende dotatie aan een onderhoudsvoorziening. Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt dan mee dat op belanghebbende de last rust om de feiten aannemelijk te maken die meebrengen dat en in hoeverre de dotatie op grond van de in het Baksteenarrest genoemde voorwaarden gerechtvaardigd is. 4.15. Belanghebbende heeft ultimo 2004 een, door de Inspecteur toegestane, onderhoudsvoorziening gevormd voor een bedrag van € 120.400. Belanghebbende wenst daarenboven nog een bedrag van € 152.500 dan wel € 219.228 aan de voorziening te doteren. Ter onderbouwing van deze dotatie wijst belanghebbende op de in de commerciële jaarrekening opgenomen voorziening van € 272.900 - welk bedrag is gebaseerd op een inschatting van X - en op de door Aannemersbedrijf D B.V. in september 2007 opgestelde kostenraming van € 464.800 (zie 2.10). Belanghebbende heeft verder opgemerkt dat zij het stellige voornemen heeft om noodzakelijke onderhoudswerkzaamheden uit te laten voeren, dat dit in principe op basis van haar planning dient te geschieden, dat het onderhoud echter niet altijd wordt uitgevoerd op het van tevoren beoogde tijdstip, dat het tijdstip van uitvoering mede afhankelijk is van de noodzaak, de prijsstelling van de werkzaamheden door een derde, de beschikbaarheid van een derde, de aanwezigheid van liquide middelen bij belanghebbende en de (medewerking van
- de)huurder van het pand. 4.16. Met de verwijzing naar de commerciële jaarrekening miskent belanghebbende dat voor de fiscale winstberekening een voorziening slechts aanvaardbaar is indien aan de in het Baksteenarrest vermelde voorwaarden is voldaan, en dat een in de commerciële jaarrekening gevormde voorziening op zichzelf niet meebrengt dat aan deze voorwaarden is voldaan. 4.17. Naar het oordeel van het Hof geeft de in 2007 opgestelde kostenraming geen inzicht in de staat van onderhoud per ultimo 2004, net zo min als daaruit kan worden afgeleid dat per ultimo 2004 een redelijke mate van zekerheid aanwezig was dat de uitgaven voor het in het rapport opgesomde onderhoud, zich zouden gaan voordoen. 4.18. Verder is het Hof met de Inspecteur van oordeel dat gelet op de relatief geringe uitgaven voor onderhoud in de periode van 2001 tot en met 2009 (zie 2.4) niet aannemelijk is geworden dat per ultimo 2004 een redelijke mate van zekerheid bestond dat de toekomstige onderhoudsuitgaven waarvoor een voorziening kan worden gevormd een bedrag van € 120.400 te boven zouden gaan. Ook in hetgeen belanghebbende overigens nog heeft aangevoerd, ziet het Hof geen aanleiding anders te oordelen. Gelet daarop staat goed koopmansgebruik niet toe dat belanghebbende ultimo 2004 een grotere voorziening vormt dan ten bedrage van € 120.400. Heffingsrente 4.19. Het hoger beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de heffingsrente (vgl. HR 27 november 2009, 07/13621, LJN BJ7907, BNB 2010/52). Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte heffingsrente aangevoerd. Nu de aanslag in stand blijft, is er ook geen aanleiding voor een vermindering van de in rekening gebrachte heffingsrente. 4.20. Gelet op het vorenoverwogene moet het hoger beroep van belanghebbende ongegrond worden verklaard. 5. Proceskosten Het Hof vindt geen aanleiding voor een kostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. 6. Beslissing Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank. Deze uitspraak is gedaan te Arnhem door mr. A.J.H. van Suilen, voorzitter, mr. J.P.M. Kooijmans en mr. G.W.J.M. Kampschöer, in tegenwoordigheid van mr. J.H. Luggenhorst als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 oktober 2010. De griffier, De voorzitter, (J.H. Luggenhorst) (A.J.H. van Suilen) Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op: Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag Daarbij moet het volgende in acht worden genomen: 1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd; 2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. de dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; d. de gronden van het beroep in cassatie. Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.