Arrest d.d. 23 december 2010 Zaaknummer 200.077.572 HET GERECHTSHOF ARNHEM Nevenzittingsplaats Leeuwarden Arrest in de zaak van [verzoeker], wonende te [woonplaats], appellant, hierna te noemen: [verzoeker], advocaat: mr. A.M. Bouwmeester, kantoorhoudende te Almere. Het geding in eerste aanleg Bij vonnis van 16 november 2010 heeft de rechtbank Zwolle-Lelystad, locatie Lelystad, het verzoek van [verzoeker] om de toepassing van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van hem uit te spreken, afgewezen. Het geding in hoger beroep Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 23 november 2010, heeft [verzoeker] verzocht voornoemd vonnis te vernietigen en opnieuw beslissende zijn verzoek toe te wijzen. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de overige stukken. Ter zitting van 15 december 2010 is de zaak behandeld. Verschenen is [verzoeker], bijgestaan door zijn advocaat. De beoordeling Aanduiding van het geschil
- De rechtbank heeft het verzoek van [verzoeker] tot toepassing van de schuldsaneringsregeling afgewezen op grond van artikel 288, eerste lid, aanhef en onder b, van de Faillissementswet (hierna: Fw) in samenhang met de Recofa-richtlijnen (bijlage IV bij het Procesreglement verzoekschriftprocedures insolventiezaken rechtbanken). De rechtbank is van oordeel dat de schuld van € 3.257,70 aan Nuon een gevolg is van een misdrijf of overtreding. Deze schuld dient naar het oordeel van de rechtbank op grond van de Recofa-richtlijnen niet als een schuld te goeder trouw worden gekwalificeerd. Volgens de rechtbank is onvoldoende onderbouwd dat zich een situatie als bedoeld in artikel 288, derde lid, Fw voordoet.
- [verzoeker] kan zich met deze beslissing niet verenigen en is hiertegen in hoger beroep gekomen. Het oordeel
- Op grond van artikel 288, eerste lid, aanhef en onder b, Fw wordt het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest. Het ligt op de weg van de schuldenaar om dit aannemelijk te maken.
- Het hof constateert dat de beroepsprocedure niet heeft geleid tot andere stellingen of weren dan die [verzoeker] reeds heeft aangevoerd in eerste aanleg en die door de rechtbank op toereikende gronden zijn verworpen, met welke gronden het hof zich verenigt en die het hof tot de zijne maakt.
- Het hof voegt hieraan toe dat het [verzoeker] vrijstaat om een nieuw verzoekschrift als bedoeld in artikel 285 Fw bij de rechtbank in te dienen wanneer hij voldoende aannemelijk kan maken dat hij voldoet aan de in artikel 288, eerste lid, Fw genoemde vereisten. Slotsom
- Op grond van het voorgaande dient het vonnis waarvan beroep te worden bekrachtigd. De beslissing Het gerechtshof: bekrachtigt het vonnis waarvan beroep. Dit arrest is gewezen door mrs. J.H. Kuiper, voorzitter, G.M. van der Meer en A.W. Jongbloed, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 23 december 2010 in bijzijn van de griffier.