GERECHTSHOF ARNHEM Sector civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.046.347 (zaaknummer rechtbank 162561/VD RK 07-2125) beschikking van de vierde civiele kamer van 26 oktober 2010 inzake [A], wonende te [woonplaats], verzoekster in het principaal hoger beroep, verweerster in het incidenteel hoger beroep, verder te noemen "de vrouw", advocaat: mr. F.A.M. Knüppe, en [B], wonende te [woonplaats], verweerder in het principaal hoger beroep, verzoeker in het incidenteel hoger beroep, verder te noemen "de man", advocaat: mr. R.P. Zwarts. 1. Het geding in eerste aanleg Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de beschikkingen van 15 mei 2008, 28 augustus 2008 en 27 april 2009 die de rechtbank Arnhem tussen de vrouw, als verzoekster in het principaal hoger beroep tevens verweerster in het incidenteel hoger beroep, enerzijds en de man, verweerder in het principaal hoger beroep tevens verzoeker in het incidenteel hoger beroep, anderzijds heeft gegeven. Van de beschikking van 27 april 2009 is een fotokopie aan deze beschikking gehecht. 2. Het geding in hoger beroep 2.1 Bij beroepschrift (ingekomen op 24 juli 2009) is de vrouw in hoger beroep gekomen van de beschikking van 27 april 2009 (hierna: de bestreden beschikking), heeft zij twaalf genummerde grieven tegen de bestreden beschikking aangevoerd en toegelicht en heeft zij haar oorspronkelijke verzoek gewijzigd. Zij heeft verzocht dat het hof de beschikking zal vernietigen en, opnieuw beschikkende, overeenkomstig de eis in haar beroepschrift, hersteld bij brief van 27 juli 2009: I. met betrekking tot de verdeling van de woning aan de [adres] op Aruba en de daaraan gekoppelde hypothecaire geldlening: primair - te gelasten dat de woning aan de [adres] op Aruba aan de man wordt toegedeeld; - te bepalen dat alle kosten die met de levering gepaard gaan voor rekening van de man komen; - te bepalen dat de man aan de vrouw binnen een maand na afgifte van deze beschikking de helft van de overwaarde dient uit te keren, zijnde € 67.299, althans een bedrag dat het hof redelijk acht, door storting van voornoemd bedrag op rekeningnummer 59.81.90.449 ten name van de vrouw bij de ABN AMRO Bank; - te bepalen dat de man wettelijke rente verschuldigd is over de helft van de overwaarde van de woning met ingang van 1 januari 2001, althans met ingang van de datum waarop de man de woning heeft ingebracht in zijn onderneming, althans met ingang van 14 februari 2007, althans met ingang van de datum die het hof redelijk acht; - te bepalen dat de man binnen een maand na afgifte van deze beschikking alle rechtshandelingen dient te verrichten die er toe strekken dat de vrouw wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid terzake de hypothecaire geldlening, op straffe van een dwangsom van € 100 per dag dat de man in gebreke blijft, en voorts te bepalen dat alle kosten die gepaard gaan met dit ontslag voor rekening van de man komen; - te bepalen dat deze beschikking in de plaats treedt voor alle rechtshandelingen die noodzakelijk zijn om de vrouw te doen ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid terzake de hypothecaire geldlening; subsidiair - de verdeling van de eenvoudige gemeenschap vast te stellen op de wijze die het hof redelijk en billijk acht; II. met betrekking tot de afwikkeling van het in de huwelijksvoorwaarden opgenomen finale verrekenbeding primair - te bepalen dat de man binnen een maand na afgifte van deze beschikking aan de vrouw een bedrag dient uit te keren van € 277.629, althans een bedrag dat het hof redelijk acht, door storting van het bedrag op rekeningnummer 59.81.90.449 ten name van de vrouw bij de ABN AMRO Bank, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum dat de man in verzuim is tot aan de dag der algehele voldoening; - te bepalen dat de man binnen een maand na afgifte van deze beschikking aan de vrouw en aan het hof een door zijn accountant opgesteld overzicht verstrekt waaruit het verloop van alle onder zijn beheer staande bank-, spaar- en girorekeningen blijkt vanaf 1 januari 2001 tot 14 februari 2007, op straffe van een dwangsom van € 100 per dag voor iedere dag dat de man in gebreke blijft, waarna vervolgens de vrouw in de gelegenheid wordt gesteld zich binnen een maand uit te laten over die overzichten alvorens een verdeling/verrekening van die gelden zal plaatsvinden; subsidiair - de afwikkeling van de huwelijksvoorwaarden op een wijze vast te stellen die het hof redelijk en billijk acht; III. - te verklaren voor recht dat de man met betrekking tot het bestuur van de gemeenschappelijke woning aan de [adres] op Aruba toerekenbaar tekort is geschoten, althans dat er sprake is van een onrechtmatige daad, waardoor de vrouw schade heeft geleden, welke schade nader bij staat dient te worden opgemaakt; - te verklaren voor recht dat de man met betrekking tot het bestuur van de gemeenschappelijke hypothecaire geldlening toerekenbaar tekort is geschoten, althans dat er sprake is van een onrechtmatige daad, waardoor de vrouw schade heeft geleden, welke schade nader bij staat dient te worden opgemaakt; - te verklaren voor recht dat alle belastingaanslagen die de vrouw eventueel nog mocht ontvangen en die de huwelijkse periode betreffen, voor rekening van de man dienen te komen, waarbij geldt dat de man deze aanslag binnen veertien dagen nadat hij daarvan kennis heeft kunnen nemen aan de vrouw dient te voldoen door storting op rekeningnummer 59.81.90.449 ten name van de vrouw bij de ABN AMRO Bank, te vermeerderen met de wettelijke rente voor iedere dag dat hij in verzuim is tot aan de dag der algehele voldoening; - te verklaren voor recht dat alle schade die voortvloeit uit een eventuele onmogelijkheid om de vrouw te ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid terzake de twee gemeenschappelijke hypothecaire geldleningen voor rekening van de man dient te komen; - te verklaren voor recht dat het pensioen dat partijen tijdens het huwelijk hebben opgebouwd, dient te worden verevend conform de wet pensioenverevening bij scheiding; - te verklaren voor recht dat de man verplicht is om binnen drie maanden na afgifte van deze beschikking het aan de vrouw toekomende deel van het tijdens het huwelijk door de man opgebouwde ouderdomspensioen af te storten bij een door de vrouw aan te wijzen verzekeringsmaatschappij, op straffe van een dwangsom van € 100,- per dag voor iedere dag dat de man in gebreke blijft. 2.2 Bij verweerschrift heeft de man de grieven bestreden. Hij heeft verzocht dat het hof de vrouw niet-ontvankelijk zal verklaren in haar verzoek in hoger beroep dan wel deze zal verwerpen. 2.3 Bij dat verweerschrift heeft de man incidenteel hoger beroep ingesteld tegen de bestreden beschikking en heeft daartegen vier grieven (A tot en met D) aangevoerd en toegelicht. De man heeft verzocht dat het hof de bestreden beschikking zal vernietigen en rekening houdende met het incidenteel hoger beroep van de man de verrekening / verdeling zal vaststellen. 2.4 Bij verweerschrift in het incidenteel hoger beroep heeft de vrouw verweer gevoerd en verzocht dat het hof de man in zijn verzoek in het incidenteel hoger beroep niet-ontvankelijk zal verklaren, althans het beroep zal afwijzen. 2.5 Bij brief van haar advocaat van 8 juni 2010 heeft de vrouw een nadere toelichting gegeven en producties in het geding gebracht. Bij die gelegenheid heeft de vrouw haar verzoek gewijzigd en een grief ingetrokken. 2.6 Bij brief van zijn advocaat van 8 juni 2010 heeft de man elf producties in het geding gebracht. 2.7 De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 18 juni 2010. Bij die gelegenheid hebben partijen de zaak mondeling doen toelichten, de vrouw door mr. E.P. van der Schraaf, advocaat te Hilversum, en de man door mr. R.P. Zwarts, advocaat te Arnhem. De vrouw heeft daarbij notities in het geding gebracht. De advocaten hebben verklaard van elkaars producties te hebben kennisgenomen en tevens aangegeven dat zij zich voldoende hebben kunnen voorbereiden op een verweer daartegen en dat zij instemmen met het in het geding brengen van die producties zonder nadere maatregel door het hof. Het hof neemt derhalve kennis van die stukken. 2.8 Vervolgens heeft het hof beschikking bepaald op heden. 3. De vaststaande feiten Als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist, staan in hoger beroep de navolgende feiten vast. 3.1 Partijen zijn op 21 september 1990 met elkaar gehuwd. 3.2 Krachtens de tussen partijen gesloten huwelijkse voorwaarden zijn zij met uitsluiting van elke gemeenschap van goederen gehuwd geweest, zulks in combinatie met een periodiek verrekenbeding, met een rechtskeuze voor Nederlands recht. Partijen hebben gedurende het huwelijk geen uitvoering gegeven aan dit periodiek verrekenbeding. 3.3 De akte van huwelijkse voorwaarden van 20 september 1990 bevat onder meer de volgende bepalingen: “(….) PENSIOENRECHTEN ARTIKEL 13 1. Ingeval van ontbinding van het huwelijk anders dan door de dood zullen de echtgenoten met betrekking tot aanspraken op al of niet ingegaan pensioen en hetgeen daarvoor is opgeofferd onderling een redelijke en billijke regeling of afrekening treffen op grondslag van de opbouw van die aanspraken gedurende het bestaan van het huwelijk, waarbij acht geslagen wordt op de omstandigheid tot verzorging van wie die aanspraken bestemd zijn en in welke mate, en in hoeverre op andere wijze in de verzorging van een echtgenoot is of wordt voorzien. Ten aanzien van de voormelde regeling of afrekening zal met de belangen van beide echtgenoten rekening worden gehouden. 2. Indien de echtgenoten omtrent het vorenstaande niet tot overeenstemming komen, zal een voor beide echtgenoten bindend advies gegeven worden door een verzekeringsdeskundige en een notaris, die op verzoek van de eerstgerede der echtgenoten worden benoemd door de kantonrechter (…). 3. Het in lid 1 bepaalde is niet van toepassing indien en voorzover de desbetreffende pensioenregeling aan de gewezen echtgenoot van de pensioengerechtigde aanspraken op al of niet ingegaan pensioen toekent, of indien een dwingende wettelijke regeling daaromtrent tot stand komt. (…..) AFREKENING BIJ ECHTSCHEIDING ARTIKEL 16 Indien het huwelijk wordt ontbonden door echtscheiding (..) zal er een verrekening plaatsvinden, zo, dat ieder van de echtgenoten gerechtigd is tot een waarde gelijk aan die, waartoe hij gerechtigd zou zijn geweest, indien er de algehele gemeenschap van goederen tussen hun had bestaan. (….) Ten aanzien van het tussen hen geldende huwelijksgoederenrecht is het Nederlandse recht van toepassing. (….)” 3.4 Partijen zijn in 1994 naar Aruba verhuisd. 3.5 Uit dit huwelijk zijn twee zonen geboren: - [C], geboren op [geboortedatum]; - [D], geboren op [geboortedatum]. 3.6 Partijen zijn op 10 april 2001 feitelijk uit elkaar gegaan. De vrouw is toen teruggekeerd naar Nederland. 3.7 De man heeft op [geboortedatum] een dochter gekregen uit een andere relatie. Vervolgens heeft hij met een andere partner een nieuw gezin gesticht. Samen met die partner heeft hij een tweeling gekregen die geboren is op [geboortedatum]. Daarnaast heeft die partner nog een dochter uit een eerder huwelijk, geboren op [geboortedatum] Deze dochter woont bij de man en zijn nieuwe partner. 3.8 Bij verzoekschrift van 14 februari 2007 heeft de vrouw een verzoek ingediend tot echtscheiding en afwikkeling van de tussen partijen bestaande huwelijkse voorwaarden op een nog nader te noemen wijze. De door de rechtbank bij beschikking van 15 mei 2008 tussen partijen uitgesproken echtscheiding is op 23 oktober 2008 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. 3.9 Partijen hebben de onroerende zaak gelegen aan de [adres] op Aruba in gezamenlijke eigendom. 4. De motivering van de beslissing in hoger beroep Zowel in het principaal als in het incidenteel hoger beroep 4.1 Tussen partijen is in geschil hoe hun vermogen verdeeld en verrekend dient te worden. De vrouw heeft zich in het kader van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden op het standpunt gesteld dat in beginsel alle vermogensbestanddelen aan de man worden toebedeeld. De rechtbank heeft de eerder genoemde woning aan de [adres] aan de man toegedeeld. De man is door de rechtbank veroordeeld tot betaling van € 26.288,- aan de vrouw wegens overbedeling aan zijn zijde. Tevens heeft de rechtbank overwogen dat verrekening uit hoofde van het finaal verrekeningbeding tussen partijen achterwege dient te blijven in die zin dat het in de verrekening te betrekken vermogen van partijen geen lagere waarde dan nihil kan hebben. Vervolgens heeft de rechtbank het vermogen op nihil gewaardeerd. 4.2 Het geschil in hoger beroep concentreert zich op de navolgende zaken: - het tijdstip waarop de samenstelling en omvang van het te verrekenen vermogen dient te worden bepaald (grief 1 in het principaal hoger beroep); - de gemeenschappelijke woning aan de [adres] op Aruba (grieven 2, 3 en 4 in het principaal hoger beroep en grief A in het incidenteel hoger beroep); - de rekening-courant schuld van de man aan de naamloze vennootschap Clinica Perspectiva Psiquiatrico N.V., opgericht in 2001 en statutair gevestigd op Aruba (hierna: Clinica) (grief 7 in het principaal hoger beroep); - de waarde van de aandelen van de man in Clinica (grieven 5 en 6 in het principaal hoger beroep); - de banksaldi van de bankrekeningen van de man aangehouden bij de RBTT Bank Aruba N.V. (grief 10 in het principaal hoger beroep); - de belastingschuld (grief 10 in het principaal hoger beroep en grief C in het incidenteel hoger beroep); - de woning aan de Van Dragtstraat op Aruba (grief 9 in het principaal hoger beroep). Peildatum 4.3 Het hof stelt voorop dat partijen een finaal verrekenbeding zijn overeengekomen (zie onder 3.3). De rechtbank heeft in de bestreden beschikking overwogen dat, volgens het bepaalde in artikel 1:142 lid 1 aanhef onder b BW, als tijdstip waarop de samenstelling en de omvang van het te verrekenen vermogen 14 februari 2007 geldt, te weten de datum van indiening van het echtscheidingsverzoek. Daarbij heeft de rechtbank ook overwogen dat voor zover de vrouw een voorbehoud heeft gemaakt voor de rekening-courant schuld de rechtbank daaraan voorbij gaat nu de vrouw dat voorbehoud op geen enkele wijze heeft onderbouwd. De vrouw komt daartegen op met grief 1. De vrouw betoogt onder andere dat zij een voorbehoud heeft gemaakt, omdat zij geen inzage krijgt in de omvang en de waarde van het te verdelen en te verrekenen vermogen. De man voert verweer en geeft onder andere aan dat het voor hem niet duidelijk is welke datum de vrouw wenst te hanteren. 4.4 Uit hetgeen de vrouw in haar brief van 8 juni 2010 onder 9 aanvoert en uit haar toelichting tijdens de mondelinge behandeling volgt dat zij primair, in navolging van de wettelijke regeling, betoogt dat 14 februari 2007 als peildatum geldt, maar dat de rekening-courant schuld buiten de verrekening moet worden gehouden. Het hof constateert dat de man geen bezwaren heeft tegen de door de rechtbank vastgestelde peildatum. Aldus is het hof, met de rechtbank, van oordeel dat 14 februari 2007 heeft te gelden als tijdstip waarop de samenstelling en de omvang van het te verrekenen vermogen wordt bepaald. Ten aanzien van de rekening-courant schuld van de man verwijst het hof naar de hierna volgende overwegingen waaruit volgt dat de vrouw voor het overige geen belang meer heeft bij de behandeling van deze grief. Grief 1 in het principaal hoger beroep faalt derhalve. [adres] 4.5 Ten aanzien van de woning gelegen aan de [adres] bestaat tussen partijen een eenvoudige gemeenschap. Tussen partijen is niet in geschil dat deze onroerende zaak aan de man moet worden toegedeeld, zodat het hof de onroerende zaak aan hem zal toedelen. In navolging van de uitlatingen van partijen tijdens de mondelinge behandeling dient de getaxeerde waarde van de woning in april 2008, zoals vermeld in rechtsoverweging 6 van de bestreden beschikking, als uitgangspunt te worden genomen. Deze waarde is gesteld op AWG (Arubaanse guldens) 319.000,-. De rechtbank heeft overwogen dat na aftrek van de hypothecaire schuld van AWG 194.394,76, de man wegens overbedeling een bedrag van AWG 62.302,62, omgerekend € 26.288,- aan de vrouw verschuldigd is. 4.6 Beide partijen komen tegen deze overweging op. Het betoog van de vrouw komt er samengevat op neer dat zij van oordeel is dat van een hogere overwaarde moet worden uitgegaan. Zij stelt dat gelijktijdig met de economische overdracht van de onroerende zaak aan Clinica ook de hypothecaire schuld door Clinica is overgenomen. Volgens de man heeft de rechtbank bij de verrekening ten onrechte de waarde van de onroerende zaak buiten beschouwing gelaten. 4.7 Voor zover de vrouw bezwaren heeft tegen de (economische) overdracht aan Clinica behoeven die bezwaren geen behandeling. Uit een kadastraal uittreksel van 30 maart 2010 van de Dienst Landmeetkunde en Vastgoedregistratie Aruba (overgelegd door de man bij brief van 8 juni 2010) volgt dat beide partijen nog steeds (juridisch) eigenaar zijn van de onroerende zaak gelegen aan de [adres]. Grief 2 in het principaal hoger beroep faalt dus. 4.8 De man betwist dat de hypothecaire schuld verbonden aan de woning aan de Dieselstraat is overgenomen door Clinica en legt een afschrift van de hypothecaire schuld over waarop beide namen van partijen zijn vermeld. Het hof is van oordeel dat een schuld niet zonder meer kan worden overgenomen door een ander, althans niet zonder toestemming van de schuldeiser. De vrouw laat na haar stellingen te onderbouwen, bijvoorbeeld door het overleggen van een verklaring van de bank dat partijen daarvoor niet meer aansprakelijk zijn dan wel een verklaring van de bank dat de schuldenaar een andere dan partijen is. Bij gebreke daarvan gaat het hof ervan uit dat beide partijen nog steeds aansprakelijk zijn voor betaling van de hypothecaire schuld. De vrouw lijkt daar overigens ook van uit te gaan, blijkens haar brief van 8 juni 2010 onder 22. 4.9 Voor zover de vrouw betoogt dat zij niet draagplichtig is ten aanzien van deze schuld verwerpt het hof dat betoog. Het enkele feit dat zij niet meer in de woning woont, maakt nog niet dat zij niet draagplichtig is. Ook ten opzichte van de hypotheekverstrekker is zij nog steeds hoofdelijk schuldenaar, dus draagplichtig. Grief 3 in het principaal hoger beroep faalt. 4.10 De rechtbank heeft geoordeeld dat de hypothecaire schuld AWG 194.302,62 bedraagt. De vrouw gaat uit van een schuld van afgerond AWG 194.395,-. De vrouw stelt dat dit de hypothecaire schuld was ten tijde van de aankoop van de woning. Volgens de vrouw betreft het een annuïteitenhypotheek. De man betwist de stellingen van de vrouw niet. Uit een afschrift, overgelegd door de man, volgt dat de hypothecaire schuld per 1 oktober 2007 afgerond AWG 110.846,- bedroeg en uit het door de vrouw overgelegde afschrift volgt dat de schuld per 4 mei 2005 afgerond AWG 85.215,- bedroeg. Het hof leidt hieruit af dat op de schuld wordt afgelost. 4.11 De vrouw kan aanspraak maken op de helft van de overwaarde van deze onroerende zaak. Omdat partijen bij de waardering van de woning uitgaan van de taxatiewaarde in april 2008 dient het hof de hypothecaire schuld op die datum te kunnen vaststellen, om vervolgens de overwaarde te bepalen. Als de meest gerede partij (de man is nog steeds woonachtig in het huis) zal het hof de man in de gelegenheid stellen om een brief of een afschrift van de hypotheekverstrekker, RBTT Bank Aruba N.V., in het geding te brengen waaruit blijkt hoeveel de hypotheekschuld (verbonden aan deze onroerende zaak) bedroeg in april 2008. Voor het overige houdt het hof iedere verdere beslissing op dit punt aan. Rekening-courant schuld 4.12 De rechtbank heeft na vaststelling van het vermogen van de man daarop in mindering gebracht de rekening-courant schuld van de man aan Clinica ten bedrage van AWG 1.610.823,-. De vrouw komt daartegen op met grief 7. De vrouw heeft tijdens de mondelinge behandeling aangevoerd dat de rekening-courant positie op 10 april 2001, het moment dat partijen uit elkaar zijn gegaan, positief was (AWG 100.955,45). Zij verwijst naar het overzicht, overgelegd als productie B bij brief van 22 januari 2009 van de zijde van de man. Uit de door de man ingebrachte stukken blijkt dat de man aanzienlijke opnames in rekening-courant heeft gedaan, nadat partijen feitelijk uit elkaar zijn gegaan. De opnames zijn volgens de vrouw niet of nauwelijks aan haar of aan hun kinderen ten goede gekomen. Zij stelt dat deze schuld ten laste van de man komt. Zij doet daarbij een beroep op artikel 6:248 lid 2 BW. Daarnaast voert zij aan dat bij de vaststelling van de hoogte van de alimentatie al rekening is gehouden met de aflossingsverplichtingen van de man ten aanzien van deze schuld. 4.13 De man voert aan dat de vrouw eigenlijk een andere peildatum wenst wat betreft de rekening-courant schuld. Hij voert tevens aan dat niet relevant is waaraan de opnames zijn besteed en betwist dat de opnames alleen aan zijn nieuwe gezin zijn besteed. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de man wederom aangevoerd dat de opnames niet alleen aan zijn nieuwe gezin ten goede zijn gekomen, maar ook aan de vrouw en hun kinderen zijn besteed. Hij onderbouwt die (door de vrouw betwiste) stelling niet. 4.14 Het hof oordeelt dat – als onvoldoende gemotiveerd betwist – vaststaat dat op het moment dat partijen op 10 april 2001 feitelijk uit elkaar zijn gegaan de rekening-courant positie AWG 110.955,45 positief stond. Na die datum tot aan de datum van indiening van het verzoekschrift bestond deze rekening-courant uit een schuld van ongeveer AWG 1.626.531,- (productie B bij brief van 22 januari 2009 van de man). De man heeft onvoldoende gemotiveerd onderbouwd dat deze schuld mede is ontstaan doordat hij opnames heeft gedaan ten behoeve van de verzorging van de vrouw en hun kinderen en gesteld noch gebleken is dat zijn reguliere salaris daartoe ontoereikend was. Het hof oordeelt dat dit wel op de weg van de man lag, aangezien partijen in april 2001 uit elkaar zijn gegaan, hij vervolgens een nieuwe relatie is aangegaan waarmee hij een gezin heeft gesticht en hij beschikt, althans behoort te beschikken over de nadere onderbouwing van het verloop van deze schuld. 4.15 De vrouw heeft een gemotiveerd beroep gedaan op artikel 6:248 lid 2 BW ten aanzien van haar betoog dat de rekening-courant schuld buiten de verrekening dient te blijven, althans volledig ten laste van de man dient te komen. 4.16 Het hof overweegt dat: - partijen op 10 april 2001 feitelijk uit elkaar zijn gegaan wegens huwelijksproblemen en de vrouw samen met beide kinderen Aruba toen heeft verlaten; - de rekening-courant positie toen AWG 110.955,- positief stond; - de man op Aruba is gebleven, daar een nieuwe relatie heeft gekregen en daarmee een nieuw gezin gesticht heeft; - de man dat nieuwe gezin, alsook een dochter uit een eerdere relatie dient te onderhouden; - de rekening-courant positie na 10 april 2001 is omgezet naar een schuld van ongeveer AWG 1.626.531,-. De vrouw heeft in dit verband ook gesteld dat de man de afgelopen jaren kennelijk aanzienlijk is ingeteerd op zijn vermogen, zonder dat zij daarvan enig voordeel heeft genoten. De man heeft dit onvoldoende gemotiveerd weersproken. Het hof overweegt dat de man onvoldoende gemotiveerd heeft onderbouwd dat die opnames in rekening-courant geheel of gedeeltelijk ten goede zijn gekomen aan de vrouw en hun kinderen, hetgeen na de betwisting hiervan door de vrouw op zijn weg had gelegen. 4.17 Dat schulden onderdeel uitmaken van het te verrekenen vermogen, staat niet eraan in de weg dat een van de echtgenoten naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid gehouden kan zijn bepaalde schulden uit de aan deze ter beschikking staande middelen te voldoen en dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar kan zijn dat deze schulden in het kader van de verdeling van de gemeenschap door middel van verrekening voor de helft ten laste van de andere echtgenoot worden gebracht. Gezien de onder 4.12 tot en met 4.16 genoemde omstandigheden, in onderling verband beschouwd, is het hof van oordeel dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is indien de helft van de rekening-courant schuld ten laste van de vrouw komt doordat deze schuld in mindering wordt gebracht op het te verrekenen vermogen van de man. Het hof zal bepalen dat de man gehouden is deze schuld uit de aan hem ter beschikking staande middelen te voldoen en dat deze schuld in het kader van de verrekening niet voor de helft ten laste van de vrouw kan worden gebracht. De beslissing hierover zal worden aangehouden. Grief 7 in het principaal hoger beroep slaagt dus. Waarde aandelen in Clinica 4.18 De rechtbank heeft de waarde van de aandelen van de man in Clinica bepaald op AWG 898.159,-. De rechtbank heeft daarbij het eigen vermogen van Clinica als waarderingsmaatstaf genomen en zich gebaseerd op de jaarstukken 2006 (rechtsoverwegingen 8 en 9 van de beschikking). De jaarstukken 2006 van Clinica zijn bij brief van 15 april 2008 door de man overgelegd. Het betreft hier concept jaarstukken. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep hebben partijen verklaard dat de definitieve jaarstukken niet zijn overgelegd in deze procedure, maar wel gelijk zijn aan de concept jaarstukken. 4.19 Partijen hebben geen grieven gericht tegen de door de rechtbank gehanteerde maatstaf voor de waardering van de waarde van de aandelen. Evenmin hebben partijen bezwaren tegen de gebruikmaking van de jaarstukken 2006 van Clinica. In haar brief van 8 juni 2010 stelt de vrouw dat de aandelen op AWG 1.061.688,- moeten worden gewaardeerd (onder 9, sub A van de brief). 4.20 Met grieven 5 en 6 in het principaal hoger beroep komt de vrouw op tegen de door de rechtbank vastgestelde belastinglatentie die in aftrek komt op de waarde van de aandelen. De vrouw voert aan dat daar geen rekening mee dient te worden gehouden en subsidiair voert zij aan dat deze latentie nooit hoger dan 25% kan zijn. De man voert verweer en stelt in grief C in het incidenteel hoger beroep dat met een belastinglatentie van 55% rekening gehouden dient te worden. 4.21 Het hof is van oordeel dat in geval dat onder de Arubaanse (fiscale) wetgeving bij staking van de onderneming Clinica belasting verschuldigd zou zijn door de man in privé, bij de waardering van de aandelen rekening daarmee moet worden gehouden. Het hof acht zich onvoldoende voorgelicht om over het voorgaande een oordeel te geven en overweegt om hiervoor een fiscalist op het gebied van de Arubaanse (fiscale) wetgeving als deskundige te benoemen. Partijen zullen in de gelegenheid worden gesteld om zich bij akte uit te laten over het aantal te benoemen deskundigen, de perso(o)n(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.