GERECHTSHOF ARNHEM Sector civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.060.165 (zaaknummer rechtbank 109624/ KG ZA 10-3) arrest in kort geding van de eerste civiele kamer van 28 september 2010 inzake de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Rademaker B.V., gevestigd te Culemborg, appellante, advocaat: mr. F.A.M. Knüppe, tegen: 1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Kaak Nederland B.V., gevestigd te Terborg, 2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid DrieM Dough Sheeting Technology B.V., gevestigd te ’s-Hertogenbosch, geïntimeerden, advocaat: mr. W.A.J. Hagen. 1. Het geding in eerste aanleg Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het vonnis van 9 februari 2010 dat de voorzieningenrechter in de rechtbank Zutphen tussen appellante (hierna ook te noemen: Rademaker) als eiseres en geïntimeerden (hierna gezamenlijjk ook te noemen: Kaak c.s. en afzonderlijk ook te noemen: Kaak respectievelijk DrieM) als gedaagden heeft gewezen; van dat vonnis is een fotokopie aan dit arrest gehecht. 2. Het geding in hoger beroep 2.1 Rademaker heeft bij exploot van 9 maart 2010 Kaak c.s. aangezegd van het hierboven genoemde vonnis van 9 februari 2010 in hoger beroep te komen, met dagvaarding van Kaak c.s. voor dit hof. In deze dagvaarding heeft Rademaker vijf grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd en toegelicht. Zij heeft aangekondigd te zullen vorderen dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en, opnieuw recht doende, bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard arrest Kaak c.s. zal gebieden gedurende een periode van tweeëneenhalf jaar vanaf de dag dat dit arrest wordt betekend, geen door Kaak c.s. gezamenlijk of afzonderlijk ontwikkelde en/of geproduceerde brooddeeguitrollijn, welke in functionaliteit vergelijkbaar is met de Crusto II op de wereldmarkt aan te bieden, op verbeurte van een dwangsom van € 500.000,= per overtreding van dit gebod en € 10.000,= voor iedere dag dat de betreffende overtreding voortduurt, alsmede Kaak c.s. zal veroordelen in de kosten van deze procedure. 2.2 Rademaker heeft de zaak aangebracht op de rol van 23 maart 2010. Op die rol heeft zij geconcludeerd voor eis overeenkomstig het exploot van dagvaarding. 2.3 Bij memorie van antwoord hebben Kaak c.s. verweer gevoerd. Zij hebben geconcludeerd dat het hof de grieven van Rademaker ongegrond zal verklaren en het bestreden vonnis zal bekrachtigen, met veroordeling van Rademaker in de kosten van het hoger beroep. 2.4 Rademaker heeft bij brief van 3 september 2010 een akte houdende wijziging eis aangekondigd. In deze akte heeft zij een subsidiaire vordering vermeld, inhoudende dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en opnieuw recht doende Kaak c.s. zal gebieden, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, gedurende een periode van tweeëneenhalf jaar vanaf de dag dat dit arrest wordt betekend, geen door Kaak c.s. gezamenlijk of afzonderlijk ontwikkelde en/of geproduceerde brooddeeguitrollijn, althans deegbandvormer (de Dough 3Mer) welke in functionaliteit vergelijkbaar is met de Crusto II, althans de daar onderdeel van uitmakende deegbandvormer (X-pack van Rademaker), op de wereldmarkt aan te bieden, op verbeurte van een dwangsom van € 500.000,= per overtreding van dit gebod en € 10.000,= voor iedere dag dat de betreffende overtreding voortduurt, alsmede Kaak c.s. zal veroordelen in de kosten van deze procedure. 2.5 Ter zitting van 6 september 2010 hebben partijen de zaak doen bepleiten, Rademaker door mr. P.N.A.M. Claassen, advocaat te Breda en Kaak c.s. door mr. R.P. Gasseling, advocaat te Rotterdam, beiden hebben daarbij pleitnotities in het geding gebracht. Mr. Claassen voornoemd heeft voorafgaand aan de zitting aan Kaak c.s. en het hof de producties 32 tot en met 38 gezonden. Mr. Gasseling voornoemd heeft voorafgaand aan de zitting aan Rademaker en het hof de producties 1. en 2. en de producties A, B en C gezonden. Mr. Gasseling en mr. Claassen hebben verklaard tegen het door de advocaat van de wederpartij in het geding brengen van de hiervoor genoemde producties geen bezwaar te hebben, waarna het hof aan hen akte heeft verleend van het in het geding brengen van die producties. Mr. Gasseling heeft verklaard evenmin (processueel) bezwaar te hebben tegen de eiswijziging van Rademaker, waarna van deze eiswijziging eveneens akte is verleend. 2.6 Vervolgens hebben Kaak c.s. stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd, terwijl mr. Claassen namens Rademaker heeft verklaard dat het hof recht kan doen op de reeds in het geding gebrachte stukken. 2.7 Daarna heeft het hof arrest bepaald. 3. De vaststaande feiten 3.1 Het hof gaat uit van de in het bestreden vonnis onder 2.1 tot en met 2.17 vermelde feiten. Daaraan wordt het navolgende toegevoegd. 3.2 Op 5 juli 2010 heeft een voorlopig deskundigenverhoor bij de rechtbank Zutphen plaatsgevonden. Blijkens het proces-verbaal van dit verhoor is de door de rechtbank benoemde deskundige, A. Gort (hierna: Gort), opgedragen een nader deskundigenbericht uit te brengen. De deskundige heeft vervolgens bij e-mailbericht van 31 juli 2010 aan de rechtbank antwoorden verzonden op vragen die hem door mr. Claassen en mr. Gasseling zijn gesteld. In dit e-mailbericht heeft de deskundige onder meer vermeld: “Ik wil u vragen om de op- en aanmerkingen uwerzijds mij zo spoedig mogelijk te mailen. Indien er vragen zijn over de door mij geciteerde stukken dan hoor ik dat graag.” Mr. Gasseling heeft bij brief van 6 augustus 2010 commentaar geleverd op de antwoorden van de deskundige in het e mailbericht. Mr. Claassen heeft bij brief van 20 augustus 2010 een nadere vraag gesteld, waarop de deskundige bij e-mailbericht van 26 augustus 2010 heeft gereageerd. 4. De motivering van de beslissing in hoger beroep 4.1 De in eerste aanleg ingestelde, door de rechtbank afgewezen en in hoger beroep herhaalde en deels uitgebreide, vorderingen van Rademaker strekken ertoe dat Kaak c.s. zich gedurende een bepaalde periode zullen onthouden van het op de markt brengen van de door hen ontwikkelde machine voor een brooddeeguitrollijn, die volgens Rademaker is ontworpen met behulp van de door Kaak c.s. onrechtmatig verkregen deegtechnologische kennis die aanwezig was bij voormalige werknemers van Rademaker, de heren [A], [B] en [C] (hierna te noemen: [A], [B] en [C]). Rademaker heeft aan deze vorderingen de stelling ten grondslag gelegd dat Kaak c.s. onrechtmatig jegens haar hebben gehandeld doordat Kaak c.s. aan waardevolle geheime informatie van Rademaker zijn gekomen door [A], [B] en [C] een arbeidsovereenkomst aan te bieden en hen te faciliteren bij het overtreden van hun geheimhoudings- en/of concurrentiebedingen. Blijkens de memorie van grieven (onder 11. en 58.) heeft Rademaker zich in hoger beroep geconcentreerd op de overtreding door [A] van zijn concurrentie- en geheimhoudingsbeding en op de overtreding door [B] en [C] van hun geheimhoudingsbedingen. 4.2 In grief I komt Rademaker op tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat voorshands onvoldoende aannemelijk is dat [A] het concurrentiebeding, dat volgens Rademaker voor [A] gold, heeft overtreden. 4.3 Deze grief faalt reeds om de navolgende reden. [A] heeft eind april 2008 zijn dienstbetrekking bij Rademaker beëindigd. Volgens het gestelde op zijn arbeids¬overeenkomst met Rademaker van toepassing zijnde concurrentiebeding, was [A] jegens Rademaker verplicht om zich tot mei 2009 te onthouden van concurrerende activiteiten. Gelet op het feit dat deze datum inmiddels al lang is verstreken, kan een eventuele overtreding van het concurrentiebeding door [A] en het faciliteren daarvan door Kaak c.s. thans geen grondslag meer vormen voor de door Kaak c.s. gevorderde voorziening. 4.4 De grieven II tot en met IV bestrijden het oordeel van de voorzieningenrechter dat [A], [B] en [C] niet in strijd hebben gehandeld met hun geheimhoudingsbeding, zodat ook geen sprake kan zijn van het gebruik maken van wanprestatie door Kaak c.s.. 4.5 Bij de beoordeling van deze grieven stelt het hof voorop dat de vorderingen van Rademaker zijn ingesteld in het kader van een kort geding procedure. Een dergelijke procedure strekt er naar zijn aard slechts toe om een voorlopige voorziening te geven en is niet omgeven met de waarborgen van een bodemprocedure, waarin bewijslevering en (nader) deskundigenonderzoek mogelijk zijn. De vorderingen van Rademaker kunnen dan ook slechts worden toegewezen wanneer Rademaker voldoende concrete – door Kaak c.s. niet, dan wel onvoldoende gemotiveerd betwiste – feiten en omstandigheden aanvoert en onderbouwt, waaruit met voldoende bepaaldheid valt af te leiden dat [A], [B] en [C] hun geheimhoudingsbedingen jegens Rademaker hebben geschonden en dat Kaak c.s. wisten, dan wel behoorden te weten dat zij gebruikmaakten van deze tekortkomingen van [A] en/of [B] en/of [C] jegens Rademaker, alsmede dat Kaak c.s. deze tekortkomingen hebben uitgelokt dan wel bevorderd, dan wel dat er sprake is van andere bijkomende omstandigheden die maken dat Kaak c.s. onrechtmatig jegens Rademaker hebben gehandeld. Daarbij dient te worden bedacht dat het enkele feit dat [A], [B] en [C] tijdens hun dienstverband bij Rademaker de nodige kennis en ervaring hebben opgedaan en dat zij deze kennis en ervaring in een nieuwe werkkring bij Kaak c.s. hebben aangewend, nog niet maakt dat zij hun geheimhoudings-verplichting jegens Rademaker hebben geschonden, laat staan dat Kaak c.s. door daarvan gebruik te maken onrechtmatig jegens Rademaker hebben gehandeld. 4.6 Rademaker heeft nagelaten concreet aan te geven welke, onder de geheimhoudingsbedingen vallende, gegevens [A], [B] en [C] hebben doorgespeeld aan Kaak c.s. In dit kader kan de algemene verwijzing naar de “tijdens het dienstverband verkregen deegtechnologische kennis” niet als een dergelijke concrete aanduiding worden aangemerkt. Rademaker heeft eveneens nagelaten verslagen van de werkgroepbesprekingen dan wel andere bescheiden in het geding te brengen, waaruit zou kunnen worden afgeleid dat en zo ja, welke, onder de geheimhoudingsbedingen vallende informatie via [A], [B] en [C] bij Kaak c.s. terecht is gekomen. 4.7 Rademaker heeft in plaats van een dergelijke verwijzing naar concreet prijsgegeven onder de geheimhoudingsbedingen vallende informatie, haar stelling dat Kaak c.s. gebruik hebben gemaakt van onder de geheimhoudingsbedingen vallende informatie van Rademaker afkomstig van [A], [B] en [C], afgeleid uit de navolgende, door haar gestelde, omstandigheden:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.