GERECHTSHOF ARNHEM Sector belastingrecht nummer 10/00070 uitspraakdatum: 4 januari 2011 Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer op het hoger beroep van X te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 14 januari 2010, nummer AWB 09/2033, in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur van de Belastingdienst/P (hierna: de Inspecteur)
(2005). Blijkens artikel 3.81 Wet IB wordt voor de toepassing van die wet onder loon verstaan, het loon overeenkomstig de wettelijke bepalingen van de loonbelasting. 4.5 Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende, op wie zoals in onderdeel 4.2 is overwogen, in dezen de bewijslast rust, in het in geschil zijnde kalenderjaar geen arbeid heeft verricht voor A B.V. Ook heeft belanghebbende niet doen blijken dat een lager loon dan € 39.000 gebruikelijk zou zijn. De stelling dat over dit loon geen inkomstenbelasting is verschuldigd omdat over dat bedrag door A B.V. vennootschapsbelasting is betaald, wat daar verder ook van zij, vindt naar het oordeel van het Hof geen steun in het recht. 4.6 Voor het overige heeft de Rechtbank naar het oordeel van het Hof juist en op goede gronden geoordeeld dat belanghebbende niet heeft voldaan aan de op haar rustende bewijslast dat en in hoeverre de uitspraak van de Inspecteur op het bezwaar tegen de aanslag onjuist blijkt te zijn. Ook oordeelt zij juist en op goede gronden dat de berekening van die aanslag berust op een redelijke schatting door de Inspecteur. Tegen het oordeel van de Rechtbank dat de opgelegde verzuimboete dient te worden verminderd tot € 113, zijn geen grieven aangevoerd en het Hof acht deze boete terecht, passend en geboden. 4.7 Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de heffingsrente (zie Hoge Raad 27 november 2009, nr. 07/13621, LJN BJ7907, BNB 2010/52). Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte heffingsrente aangevoerd. Nu het Hof ook overigens niet is gebleken dat de bepalingen met betrekking tot de heffingsrente onjuist zijn toegepast, is het beroep in zoverre ongegrond. slotsom Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.
- Kosten Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
- Beslissing Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.G.J.M. van Kempen, voorzitter, mr. J. van de Merwe en mr. P. van der Wal, in tegenwoordigheid van mr. N. ten Broek als griffier. De beslissing is op 4 januari 2011 in het openbaar uitgesproken. De griffier, De voorzitter, N. ten Broek M.G.J.M. van Kempen Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 6 januari
- Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer) Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen: 1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd; 2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. de dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; d. de gronden van het beroep in cassatie. Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.