ECLI:NL:GHARN:2011:BQ5856
GERECHTSHOF ARNHEM Sector strafrecht Parketnummer: 21-004257-08 Uitspraak d.d.: 12 januari 2011 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Arnhem van 9 oktober 2008 in de strafzaak tegen [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [1962], wonende te [woonplaats], [adres].
Het hoger beroep De verdachte en de officier van justitie hebben tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 17 februari 2010 en 8 december 2010 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat verdachte ten aanzien van het onder feit 4 tenlastegelegde zal worden vrijsproken en ten aanzien van het tenlastegelegde onder feit 1, 2 en 3 zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht.
Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr R.S. Teekens, naar voren is gebracht.
Ontvankelijkheid van het hoger beroep Verdachte is bij vonnis waarvan beroep partieel vrijgesproken van hetgeen onder feit 1 is tenlastegelegd met betrekking tot niet nader gespecificeerde certificaten, arbeidsovereenkomsten, salarisstroken, presentielijsten, weekstaten en praktijkopdrachten en met betrekking tot de volgende (wel nader gespecificeerde) arbeidsovereenkomsten, weekstaten, urenverantwoordingslijsten en facturen, te weten:
Hoger beroep tegen deze gegeven partiële vrijspraken staat voor de verdachte niet open.
De advocaat-generaal heeft verklaard dat het hoger beroep van het openbaar ministerie zich slechts richt op de door de rechtbank gegeven vrijspraak met betrekking tot feit 2 en niet is gericht tegen de partiële vrijspraken van feit 1 en 3. Aldus heeft het openbaar ministerie geen belang bij behandeling van het hoger beroep ten aanzien van deze partiële vrijspraken.
Het hof zal de advocaat-generaal en verdachte derhalve in zoverre niet-ontvankelijk verklaren in hun respectievelijke beroepen.
Het hof verstaat dat de rechtbank bij de bewezenverklaring van feit 3, gelet op de onderliggende samenhang tussen het kwalitatieve deel en de feitelijke invulling daarvan, anders dan in de bewezenverklaring door de rechtbank is aangegeven, bedoeld heeft bewezen te achten dat [bedrijf 1] een subsidievertrekkende organisatie bewogen heeft tot afgifte van een subsidie inzake het Europees Sociaal Fonds ([ESF]) en vrij te spreken van de afgifte van subsidie inzake de Stimuleringsregeling Vacaturevervulling door Werklozen en met werkloosheid bedreigde Werknemers (SVWW). Het hof leest derhalve in zoverre de bewezenverklaring ten aanzien van feit 3 als verbeterd.
Het vonnis waarvan beroep Het hof zal het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen.
De geldigheid van de tenlastelegging Ter terechtzitting heeft de verdediging betoogd dat de dagvaarding onder feit 3 nietig dient te worden verklaard aangezien de tenlastelegging spreekt over "subsidieverstrekkende organisaties althans rechts- en/of natuurlijke personen", hetgeen te vaag is waardoor de tenlastelegging, in strijd met artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) onvoldoende gespecificeerd zou zijn.
Tevens heeft de verdediging betoogd dat de dagvaarding onder feit 3 ten aanzien van de zinsnede na het tweede gedachtestreepje1 nietig dient te worden verklaard aangezien het vermelde te onbepaald is.
Deze verweren worden verworpen nu, mede gelet op de inhoud van de pleitnota, niet gebleken is ter terechtzitting dat het voor de verdachte en de verdediging niet duidelijk was tegen welke verdenking(en) de verdachte zich moest verdedigen. Het hof acht de bedoelde passages voldoende feitelijk. De tenlastelegging onder feit 3 voldoet aan de in art. 261 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) genoemde eisen.
De tenlastelegging Aan verdachte is, na twee door de rechtbank toegewezen vorderingen wijziging tenlastelegging alsmede de door het hof toegewezen vordering wijziging tenlastelegging, tenlastegelegd dat:
Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Vrijspraak2 Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het onder 2, 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.
Ten aanzien van feit 2.
Kort samengevat wordt aan [bedrijf 1] en/of [bedrijf 2] verweten dat zij opzettelijk en wederrechtelijk de SVWW- en [ESF]-subsidies die met een bepaald doel door of vanwege de Europese Gemeenschappen zijn verstrekt, heeft/hebben aangewend voor andere doeleinden dan waarvoor zij zijn verstrekt. Verdachte wordt verweten hieraan feitelijke leiding te hebben gegeven.
Het standpunt van de advocaat-generaal:
De advocaat-generaal acht het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen gelet op hetgeen is opgenomen in het proces-verbaal van de SIOD onder hoofdstuk 2 Subsidiefraude (bladzijde 185 en verder van dit proces-verbaal).
Het standpunt van de verdachte:
Verdachte ontkent het tenlastegelegde De verdediging heeft het tenlastegelegde gemotiveerd betwist. Ten aanzien van de verpanding van de subsidiegelden stelt de verdediging zich op het standpunt dat er slechts sprake is van een rechtsgeldige verpanding indien de pandakte wordt gevestigd bij authentieke akte of bij geregistreerde onderhandse akte. Dergelijke aktes zijn niet in het dossier aangetroffen zodat het er voor gehouden moet worden dat het pandrecht niet tot stand is gekomen.
Beoordeling Artikel 323a Sr is ingevoerd bij de Wet van 13 december 2000, Stb. 616. Het artikel vindt zijn oorsprong in het Fraudeverdrag, de op 26 juli 1995 te Brussel tot stand gekomen Overeenkomst, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen.3. Onder 'subsidie' dient hier in overeenstemming met art. 1 van het Fraudeverdrag te worden verstaan 'elke uitgave afkomstig van de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen of van de door of voor de Europese Gemeenschappen beheerde begrotingen'. Voor wat betreft de SVWW-subsidie is daarvan geen sprake, aangezien deze een nationale en geen Europese grondslag heeft. In zoverre dient verdachte alleen al daarom van dit onderdeel te worden vrijgesproken.
Volgens de tekst van de tenlastelegging zou het gebruik voor andere doeleinden onder meer volgen uit het in stand houden van de eigen onderneming, het verhogen van de managementsalarissen en het, via [bedrijf 5], uitkeren van gelden aan [bedrijf 3] Dit volgt niet uit de inhoud van de bewijsmiddelen. Zo blijkt uit de conceptcijfers over 2004 dat de ontvangen subsidies slechts een gedeelte vormen van het geheel van ontvangsten van [bedrijf 1] Hetzelfde geldt ook voor de prognose over 2005.4 Dit betekent dat vanuit [bedrijf 1] betalingen zijn gedaan vanuit één 'geldpot', waarin zowel de ontvangsten van derden als de subsidieontvangsten zich bevonden. Vanwege deze vermenging van gelden kan niet (meer) worden vastgesteld welke betalingen met welke ontvangen gelden zijn voldaan. Dit heeft tot gevolg dat verdachte ook van dit gedeelte van het tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken, temeer nu het op zichzelf niet onrechtmatig is met subsidies die eigen onderneming in stand te houden of managementvergoedingen te betalen voor reguliere werkzaamheden.
Het hof is voorts van oordeel dat uit de verpanding van de te verwachten, en later ook daadwerkelijk uitgekeerde, subsidiegelden van het [ESF]niet kan worden afgeleid dat subsidiegelden voor een ander doel zijn aangewend dan bedoeld. In geval het subsidiebedrag betrekking heeft op reeds gemaakte kosten (voor door het [ESF] gestimuleerde projecten), hoeft het uitgekeerde subsidiebedrag niet aangewend te worden voor (nieuwe) projecten die door het [ESF] worden gestimuleerd.
Ten aanzien van feit 3 Kort samengevat wordt aan [bedrijf 1] en/of [bedrijf 2] verweten dat zij subsidieverstrekkende organisaties heeft/hebben opgelicht door bij het agentschap SZW te verzwijgen dat zij al SVWW-subsidie heeft/hebben ontvangen. Verdachte wordt verweten hieraan feitelijke leiding te hebben gegeven.
Het standpunt van de advocaat-generaal De advocaat-generaal stelt zich op het standpunt dat het verzwijgen van het ontvangen van de SVWW-subsidie een listige kunstgreep is waardoor het [ESF] is bewogen tot afgifte van de subsidie. Hierdoor is voor hetzelfde project tweemaal subsidie ontvangen. Verdachte heeft hieraan leiding gegeven.
Het standpunt van verdachte Verdachte ontkent het tenlastegelegde. De verdediging stelt zich op het standpunt dat ontvangen SVWW-subsidies voor een ander doel zijn aangevraagd dan de [ESF]-subsidies.
Beoordeling [bedrijf 1] en/of [bedrijf 2] wordt verweten in de subsidieaanvragen en/of jaarrapportages en/of declaraties en/of in gesprekken ten behoeve van de [ESF]-subsidie(s) naar het Agentschap SZW verzwegen te hebben dat [bedrijf 1] en/of [bedrijf 2] tevens SVWW-subsidie hebben/heeft ontvangen.
Uit bijlage B017-02/D030-01-015 blijkt dat de aanvraag om subsidie in het kader van het programma doelstelling 3 betreffende de scholing van werkenden op 1 december 2003 is ingediend door Stichting Opleidingsfonds Groothandel (SOG) onder de projectnaam: werktreinbegeleider.
In een als bijlage 9 bij deze aanvraag gevoegde omschrijving van de cofinanciering van het project6 wordt verwezen naar een als bijlage 9B gevoegde cofinancieringsverklaring.
Op p. 2728 is de verklaring cofinanciering opgenomen. Deze heeft evenwel betrekking op de aanvraag 'opleiding werkplekbeveiliging'.
Onder D030-09 is de aanvraag 'opleiding werkplekbeveiliging'opgenomen. Deze aanvraag is ingediend door [aanvrager], directeur van de SOG en is voorzien van een cofinancieringsverklaring. Deze verklaring luidt als volgt:
Namens '[bedrijf 1] onderschrijft ondergetekende [verdachte], directeur van [bedrijf 1] de indiening van de aanvraag 'Opleiding werkplekbeveiliging' door de Stichting Opleidingsfonds Groothandel en de financiële verantwoording voor de te maken kosten in het plan volgens de begroting van [bedrijf 1] [bedrijf 1] ontvangt geen bijdragen van derden in de opgenomen kosten.'7 Uit hetgeen getuige [naam] heeft verklaard (p. 1384 en 1385) en is opgemerkt door verbalisanten op p. 209 en 210 van het Algemeen Proces-Verbaal zou aangenomen kunnen worden dat de subsidie werd aangevraagd voor mensen die een opleiding hadden gevolgd of zouden gaan volgen waarvoor reeds in het kader van de aanvraag van een SVWW-subsidie was ontvangen.
In dat geval is de namens [bedrijf 1] opgestelde cofinancieringsverklaring niet in overeenstemming met de waarheid.
De zin '[bedrijf 1] ontvangt geen bijdragen van derden in de opgenomen kosten' levert evenwel geen listige kunstgreep dan wel een samenweefsel van verdichtsels op, terwijl het hof niet bekend is met andere door [bedrijf 1] verrichte handelingen of opgestelde documenten die (eventueel in combinatie met de bovengenoemde zin) tot de conclusie leiden dat sprake was van oplichting zoals verwoord in de tenlastelegging.
Ten aanzien van feit 4.
Kort samengevat wordt verdachte verweten dat hij in de periode van 1 januari 2003 tot en met 17 oktober 2005 medeoprichter of bestuurder van een criminele organisatie was.
Het standpunt van de advocaat-generaal De advocaat-generaal is van oordeel dat niet bewezen kan worden dat er sprake is van een crimineel samenwerkingsverband zodat verdachte van dit feit dient te worden vrijgesproken.
Het standpunt van de verdachte Verdachte en de verdediging zijn van oordeel dat het oogmerk van [bedrijf 1]niet was gericht op het plegen van misdrijven.
Beoordeling Wil worden aangenomen dat er sprake is van het bestaan van een criminele organisatie als bedoeld in artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht, dan moet worden voldaan aan het vereiste van een gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband met een bepaalde organisatiegraad, welke organisatie het oogmerk heeft om misdrijven te plegen.
Het hof is van oordeel dat het bedrijf ([bedrijf 1]) waarbinnen verdachte werkzaam was, opgericht is met het oog op het verrichten van legale activiteiten en dat men, gedurende de tijd dat het bedrijf heeft bestaan, zich voor het overgrote deel inderdaad ook heeft beziggehouden met legale activiteiten. Ten aanzien van de onregelmatigheden die plaats hebben gevonden gedurende de zogenaamde inhaalslag kan worden gezegd dat deze plaatsvonden binnen een gestructureerd samenwerkingsverband, maar niet binnen een duurzaam samenwerkingsverband met als naaste doel het plegen van misdrijven.
Naar het oordeel van het Hof is uit het onderzoek ter zitting niet gebleken dat wordt voldaan aan de eisen voor deelname aan een criminele organisatie, zodat verdachte bij gebrek aan bewijs ook van het onder 4 ten laste gelegde moet worden vrijgesproken.
Overweging met betrekking tot het bewijs Ten aanzien van feit 1 Verdachte wordt -kort samengevat- verweten dat hij in de periode van 1 januari 2003 tot en met 17 oktober 2005 opdracht of leiding heeft gegegeven aan het valselijk opmaken van de administratie van [bedrijf 1] en/of [bedrijf 2] Het standpunt van de advocaat-generaal.
De advocaat-generaal acht het onder 1 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen. De advocaat-generaal stelt zich op het standpunt dat verdachte de aanzet heeft gegeven tot het achteraf opmaken van de administratie en daaraan ook daadwerkelijk heeft meegewerkt.
Het standpunt van de verdachte.
De verdachte en de verdediging stellen zich op het standpunt dat het nooit de intentie van verdachte was om de administratie valselijk op te maken of te vervalsen en dat verdachte daaraan in ieder geval geen leiding heeft gegeven .
Beoordeling Het hof acht feit 1, voor zover in hoger beroep aan de orde, wettig en overtuigend bewezen.
Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van dit feit wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze hieronder en later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen.
Het hof overweegt hiertoe in het bijzonder het volgende.
Uit het dossier blijken de volgende feiten en omstandigheden.
RWI-subsidie Op 4 augustus 2003 heeft [bedrijf 1]een projectsubsidieaanvraag ingediend voor 350 personen bij de Raad voor Werk en Inkomen (RWI). Het betrof een scholingstraject voor opleidingen VHM (veiligheidsfunctionaris) en LWB (leider werkplekbeveiliging). De subsidie richtte zich op een duurzame vervulling van vacatures en was bedoeld voor werkloze werkzoekenden en met werkloosheid bedreigde werknemers. Tot 12 maanden na de subsidieverlening mochten kandidaten instromen.8 27 augustus 2003 was het begin van de looptijd van de subsidietoekenning. Het RWI had aan [bedrijf 1]een subsidie verleend voor € 1.444.944,- voor 350 personen. Op 18 september 2003 heeft [bedrijf 1]bij het RWI een verzoek tot uitbetaling van een voorschot ingediend. Op 28 oktober 2003 heeft het RWI een voorschot uitgekeerd van € 288.999,-.9 In totaal zijn 6 voortgangsrapportages ingediend, nummer 1 tot en met 5. Nummer 5 is ingediend op 21 juli 2005 en een gewijzigde voortgangsrapportage is ingediend op 11 oktober 2005.10 Op 31 maart 2006 is door het RWI aangifte gedaan tegen [bedrijf 41 [bedrijf 41 had de subsidiabele kosten opgehoogd door valse facturen van opleiders op te nemen in de administratie en deelnemers in de regeling te brengen die er niet horen door de startdata van de deelnemers te wijzigen, en vervalste diploma's en arbeidscontracten te gebruiken. [ESF]-subsidie Het O&O fonds, de brancheorganisatie Stichting Opleidingen Groothandel (SOG) heeft 3 projectaanvragen voor [ESF]-subsidie ingediend bij het Agentschap SZW (SZW). [bedrijf 1]was de uitvoerder van de projecten. Het betrof hier subsidie voor scholing van werkenden en re-integratie van werklozen.11 Op 1 december 2003 is de eerste projectaanvraag ingediend. Het betrof de Opleiding tot Werktreinbegeleider over de periode van 1 oktober 2003 tot en met 31 december 2004. De aanvraag had betrekking op 100 deelnemers.
Het aantal deelnemers in de einddeclaratie was 45. Door het SZW is een voorschot betaald van € 318.000,-.12 Op 1 december 2003 is tevens een tweede projectaanvraag ingediend. Het betrof hier de opleiding Leider Werkplekbeveiliging over de periode van 1 januari 2004 tot en met 31 december 2004. Het aantal deelnemers in de aanvraag was 75. Het aantal deelnemers in de einddeclaratie was zeventien.13 Door het SZW is een voorschot betaald van € 215.250,-.14 Bij deze aanvraag is een verklaring van private cofinanciering gevoegd. Hierin heeft [bedrijf 1]verklaard geen bijdragen van derden aan te nemen. Deze verklaring is door [verdachte] ondertekend op 29 oktober 2003.15 Op 5 april 2005 is er een derde aanvraag ingediend voor 122 deelnemers voor 41 verschillende opleidingen over de periode van 31 januari 2005 tot en met 30 december 2005. Op 19 juni 2006 is deze aanvraag door het SZW geweigerd.16 Op 18 juli 2006 heeft SZW aangifte gedaan tegen [bedrijf 1] had een onjuiste projectadministratie gevoerd, alsmede een onjuiste financiële administratie en deelnemersadministratie. Tevens waren er onjuiste einddeclaraties ingediend. De administratie bevatte vervalste certificaten, arbeidscontracten, loonstroken, praktijkopdrachten, weekstaten en stageverslagen.17 Inhaalslag september 2004 Op 2 maart 2004 heeft er een standaardcontrole plaatsgevonden in opdracht van het RWI, uitgevoerd door Ernst & Young18 en op 24 maart 2004 heeft SZW een monitoronderzoek uit laten voeren19. De projectadministratie van [bedrijf 1]bleek niet geheel te voldoen aan de daaraan gestelde eisen.20 Dit heeft midden 2004 geleid tot spoedberaad bij [bedrijf 4][naam] en vervolgens tot een grote inhaalslag in september 2004. Tijdens deze inhaalslag moest de hele administratie aangepast worden22. Iedereen binnen [bedrijf 1]deed hieraan mee.23 Op onderdelen is de administratie toen vervalst.24 Verdachte heeft als directeur van [bedrijf 1]het startschot gegeven voor deze inhaalslag en was hier verantwoordelijk voor.25 Certificaten LWBPW [bedrijf 1]heeft de volgende certificaten LWBPW valselijk opgemaakt:
Salarisstroken [bedrijf 1]heeft de volgende salarisstroken valselijk opgemaakt:
Praktijkopdrachten [bedrijf 1]heeft de volgende praktijkopdrachten valselijk opgemaakt:
Het geven van feitelijke leiding Uit de volgende verklaringen blijkt dat de verdachte aan bovengenoemde gedragingen feitelijke leiding heeft gegeven: [naam getuige] heeft op 4 oktober 2005 onder meer het volgende verklaard: 'Mijn directe leidinggevende bij [bedrijf 1] was [verdachte]. Hij was in ieder geval eindverantwoordelijk en hield zich ook daadwerkelijk met de dagelijkse gang van zaken bezig. (...) Ik was in het begin bezig met het verzamelen van verklaringen die binnen de SVWW regelingen nodig waren. (....) Lopende de tijd zei [verdachte] tegen mij: "Er zijn heel weinig cursisten binnen dit SVWW". Ik meen dat hij voor 300 mensen had ingeschreven en er zaten maar ongeveer 20 mensen in. Hij had inmiddels het eerste voorschot aangevraagd en hij zei dat er nog andere mensen in de regeling moesten passen. (...) Als u zegt dat in een bericht dat u hebt aangetroffen op internet 40 mensen deze opleiding gevolgd zouden hebben dan kan het wel kloppen.
Hierbij merk ik op dat in dit aantal van 40 er personen opgenomen zijn die reeds in loondienst waren en de opleiding gevolgd hadden voor 27 augustus 2003 en ook mensen opgenomen zijn die niet voldeden aan de eis dat zij langer dan 6 maanden werkloos waren. Doordat de opleidingsdatum verzet werd, zijn zij toch onder de regeling gebracht. (...) Door [verdachte] werd aan mij gevraagd om het verslag dat elke maand moest worden uitgebracht zodanig aan te passen dat er meer mensen onder de regeling zouden vallen dan er eigenlijk recht op hadden. (...) Ook moesten de werkloze werknemers nieuw opgemaakte presentielijsten ondertekenen met betrekking tot de aanwezigheid bij de cursus en stage. Als de mensen op kantoor kwamen vroeg ik [naam medewerkers] hen die nieuwe lijsten te laten tekenen.
Dat deed ik in opdracht van [verdachte]. (...) Op kantoor stonden de ordners met kopie loonstroken van de werknemers. Wij, [getuige 1] en ik, hadden de opdracht van [verdachte] om de data van indiensttreding te veranderen, zodat het weer met elkaar overeenkwam. (...) Ik meen in september 2004 (...) is de hele administratie kloppend gemaakt. Iedereen op kantoor moest meewerken, zelfs 's avonds en in het weekeinde. (...) Bij die gelegenheid is bijvoorbeeld de vrouw van [naam] als trainster opgevoerd, terwijl zij volgens mij nog nooit trainingen heeft gegeven'. [getuige 1] heeft op 7 april 2006 onder meer het volgende verklaard: '(...), [verdachte] en (....) hadden de leiding in het opmaken en het vervalsen van stukken die betrekking hadden op de subsidieaanvragen van [ESF] en SVWW binnen [naam]. Zij gaven de opdrachten om stukken te vervalsen met betrekking tot de subsidie aanvragen'.
Bewezenverklaring Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging verkregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:
Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde:
Valsheid in geschrift, gepleegd door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd.
Strafbaarheid van de verdachte Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.
Oplegging van straf en/of maatregel Inleiding De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Bewezen is verklaard dat [bedrijf 1]een groot aantal documenten heeft vervalst en dat de verdachte daaraan feitelijke leiding heeft gegeven. De vervalsing had (mede) tot doel in aanmerking te komen voor een hoger bedrag aan subsidie dan waarop in werkelijkheid aanspraak gemaakt had kunnen worden.
Op 2 oktober 2008 heeft de officier van justitie tegen de verdachte een gevangenisstraf van 18 maanden geëist. De rechtbank heeft in haar vonnis van 9 oktober 2008 een straf opgelegd van 12 maanden (voor de feiten 1, 3 en 4) en daarbij overwogen dat gevangenisstraf de enige gepaste strafmodaliteit is.
De advocaat-generaal heeft eveneens een gevangenisstraf geëist van 12 maanden (voor de feiten 1, 2 en 3) en daarbij aangevoerd dat het gaat om een groot nadeelbedrag.
Bij het bepalen van de strafsoort en -hoogte zijn de strafdoeleinden (vergelding, speciale en generale preventie) bepalend.
Voor de vergelding is de ernst van het bewezenverklaarde (zoals onder meer tot uiting komend in de gevolgen) van belang, maar ook zijn de (negatieve) gevolgen relevant die het strafbare feit voor de verdachte heeft gehad of zal hebben.
Vanuit het oogpunt van de speciale preventie speelt de persoon van de verdachte een rol, de vraag of hij eerder is veroordeeld, maar ook de gevolgen die het strafbare feit voor hem heeft gehad of zal hebben.
Bij de generale preventie spelen motieven (zoals financiële belangen) die tot het delict hebben geleid een rol.
Ernst van het bewezenverklaarde en de (mogelijke) gevolgen ervan Vast staat dat er een groot aantal documenten is vervalst door [bedrijf 1]en dat de verdachte hieraan leiding heeft gegeven. De valsheid in geschrift heeft geleid tot een onrechtmatige verrijking van [bedrijf 1]ten koste van de subsidieverstrekkende instanties.
Het is het hof niet duidelijk geworden tot welk nadeelbedrag het bewezen verklaarde heeft geleid, omdat weliswaar in de stukken is aangegeven welke bedragen [bedrijf 1]heeft ontvangen van de subsidieverstrekkende instanties, maar niet welke bedragen [bedrijf 1]zou hebben ontvangen bij een juiste declaratie.
Naast onrechtmatige verrijking, kan subsidiefraude er toe leiden dat het draagvlak voor het verstrekken van subsidies aan (op zichzelf maatschappelijk nuttige) projecten wordt verkleind en/of (nog) meer kostenverhogende controlemomenten worden ingebouwd.
Door toedoen van de verdachte is er binnen [bedrijf 1]een sfeer ontstaan waarin het normaal leek te sjoemelen met de waarheid en binnen die sfeer deden verschillende stagiaires hun eerste werkervaring op.
De persoon van de verdachte Verdachte is een 48-jarige man die niet eerder met justitie in aanraking is geweest. Verdachte werkt thans als projectleider en heeft bij zijn huidige werkgever een vast contract. Verdachte heeft een gezin. De reclassering schat het recidiverisico in als laag.
De situatie van de verdachte na het plegen van het strafbare feit.
Uit het reclasseringsrapport van 11 mei 2010 blijkt dat de verdachte aan (en na) het faillissement van (onder andere) [bedrijf 1]een flinke schuldenlast heeft overgehouden. Verdachte heeft mede daarom geld van zijn vader geleend om een regeling te treffen met de curatoren. Een deel van zijn inkomen gebruikt hij om zijn schulden af te lossen. Door een van de subsidieverstrekkers is een civiele procedure tegen verdachte aangespannen. De claim zou een bedrag van € 600.000 à 700.000 omvatten. Na de faillissementen heeft verdachte zijn huis in Arnhem moeten verkopen, een gedeelte van de schulden met de opbrengst van zijn woning betaald, waarna hij een woning in een andere plaats heeft gehuurd. In Arnhem had hij een groot sociaal netwerk. Momenteel heeft hij met nog weinig mensen contact. Verdachte heeft in verband met de strafzaak enige tijd in voorarrest gezeten. De verdachte heeft last van concentratie- en slaapproblemen die voortkomen uit de problemen met betrekking tot zijn financiën, sociaal isolement en de door de rechtbank uitgesproken gevangenisstraf.
Oordeel hof Het hof is van oordeel dat uit oogpunt van speciale preventie een gevangenisstraf niet noodzakelijk is. Hoewel de bewezenverklaarde feiten ernstig zijn en op zichzelf een onvoorwaardelijke gevangenisstraf rechtvaardigen, acht het hof ook vanuit vergeldingsoogpunt een gevangenisstraf in casu niet noodzakelijk. Het hof houdt daarbij rekening met de grote negatieve financiële gevolgen die de handelwijze van verdachte (ook) voor hem hebben gehad en nog zullen hebben. Het opleggen van een gevangenisstraf brengt met zich dat verdachte zijn schulden (tijdelijk) niet zal kunnen aflossen en dat hij - mogelijk als gevolg van verlies van zijn werk - verder in de financiële problemen zal geraken. Gevangenisstraf raakt daarenboven niet alleen de belangen van de verdachte, maar ook die van zijn gezin en die van zijn schuldeisers.
Naar het oordeel van het hof kan met een werkstraf van 240 uur worden volstaan.
Toepasselijke wettelijke voorschriften Het hof heeft gelet op de artikelen 51, 57 en 225 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.
BESLISSING Het hof:
Verklaart het openbaar ministerie niet ontvankelijk in zijn hoger beroep voor zover gericht tegen de partiële vrijspraken van feit 1 en feit 3.
Verklaart de verdachte niet ontvankelijk in zijn hoger beroep, voor zover gericht tegen de partiële vrijspraken van feit 1 en feit 3.
Vernietigt het vonnis voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht.
Verklaart niet bewezen dat verdachte het onder 2, 3 en onder 4 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 120 (honderdtwintig) dagen hechtenis.
Bepaalt dat bij de uitvoering van de taakstraf 22 (tweeëntwintig) uren in mindering worden gebracht wegens de tijd door verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, te weten totaal 11 (elf) dagen.
Aldus gewezen door mr Y.A.J.M. van Kuijck, voorzitter, mr R. de Groot en mr J.D. den Hartog, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr G.W. Jansink, griffier, en op 12 januari 2011 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
1 Deze zinsnede luidt:
2 Tenzij anders aangeduid, hebben verwijzingen in het navolgende betrekking op paginanummers behorende bij het in de wettelijke vorm opgemaakt algemeen proces-verbaal van de SIOD alsmede de zaaksdossiers 1, 2 en 3, nr. 6640200500309, opgemaakt door [naam verbalisanten], beiden rechercheur bij de Sociale Inlichtingen- en Opsporingsdienst en buitengewoon opsporingsambtenaar, resp. gesloten op 26 juli 2006, 21 juli 2006, 12 juli 2006 en 26 juli 2006, met de onderliggende in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden.
3 Trb. 1995, 289 4 Bijlagen D-162-2 en D-165-09.
5 Dossierpagina's 2689 tot en met 2699.
6 Bijlage D030-01-09, dossierpagina 2724.
7 Dossierpagina. 2855.
8 Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal, inhoudende de verklaring afgelegd door aangever W. van Dam namens de Raad voor Werk en inkomen, d.d. 31 maart 2006 (bijlage A-01, p. 350-351).
9 Idem (bijlage A-01, p.352.).
10 idem (bijlage A-01, p. 353).
11 Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal, inhoudende de verklaring afgelegd door aangever namens het Agentschap SZW (bijlage A-02, p. 356-357).
12 Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal, inhoudende de verklaring afgelegd door aangever namens het Agentschap SZW (bijlage A-02, p. 357).
13 Idem (bijlage A-02, p. 357).
14 Idem (bijlage A-02, p. 357).
15 Idem (bijlage A-02, p. 360).
16Idem (bijlage A-02, p. 358).
17 Idem (bijlage A-02, p. 361-364).
18 Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal, inhoudende de verklaring afgelegd door aangever namens de Raad voor Werk en inkomen, d.d. 31 maart 2006 (bijlage A-01, p. 353).
19 Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal, inhoudende de verklaring afgelegd door aangever namens het Agentschap SZW (bijlage A-02, p. 360).
20 Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal, inhoudende de verklaring afgelegd door aangever namens de Raad voor Werk en inkomen, d.d. 31 maart 2006 (bijlage A-01, p. 353).
21 Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor van verdachte (V07-08, p. 2).
22 In de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal, inhoudende de verklaringen van de getuigen [naam] (G02, p. 1384); [getuige 1] (G03-2, p. 1419, 1420, 1421); (G04, p. 1431); [getuige 2] (G18, p. 1608), alsmede de verklaringen afgelegd bij de rechter-commissaris door de getuigen [getuige 2] (RC, p. 2); Rutten (RC, p. 5); [getuige 1] (RC, p. 7).
23 In de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal, inhoudende de verklaringen van de getuigen [naam] (G02, p. 1384); [getuige 1] (G03-2, p. 1419, 1421); (G04, p. 1431); [getuige 2] (G18, p. 1608), alsmede de verklaringen afgelegd bij de rechter-commissaris door de getuigen [getuige 1] (RC, p. 5, 7); [getuige 2] (RC, p. 3).
24 In de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal, inhoudende de verklaringen van de getuigen [naam] (G02, p. 1383, 1384); [getuige 1] (G03, p. 1419, 1420, 1425); (G04, p. 1432, 1433); [getuige 2] (G18, p. 1606, 1607).
25 De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 2 oktober 2008.
26 Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal, inhoudende de verklaring van getuige [naam] (G08-01, p. 1459), alsmede een schriftelijk bescheid te weten een certificaat LWBPW (D-013-21).
27 Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal, inhoudende de verklaring van getuige [naam] (G12, p. 1506), alsmede een schriftelijk bescheid te weten een certificaat LWBPW (D-016-01) 28 Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal, inhoudende de verklaring van getuige [naam] (G09-01, p. 1471), alsmede een schriftelijk bescheid te weten een certificaat LWBPW (D-018-04).
29 Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal, inhoudende de verklaring van getuige [naam] (G21-01, p. 1645), alsmede een schriftelijk bescheid te weten een certificaat LWBPW (D-028-08).
30 Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal, inhoudende de verklaring van getuige [naam 12] (G07-01, p. 1449), alsmede een schriftelijk bescheid te weten een certificaat LWBPW (D-012-06).
31 Schriftelijke bescheiden, te weten de originele aangetroffen salarisstroken o.n.v. [naam 1] (D-169-04) en de in kopie aangetroffen salarisstroken o.n.v. [naam 1] (D0169-03).
32 Schriftelijke bescheiden, te weten de originele salarisstroken o.n.v. [naam 2] (D-169-06) en de in kopie aangetroffen salarisstroken o.n.v. [naam 2] (D-169-05).
33 Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal, inhoudende de verklaring van getuige [naam] (G08-01, p. 1463); een schriftelijk bescheid in de vorm van een presentielijst (D-08-01).
34 Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal, inhoudende de verklaring van getuige [naam] (G20-01, p. 1628); een schriftelijk bescheid in de vorm van een presentielijst (D-062-09, v. 1).
35 Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal, inhoudende de verklaring van getuige [naam] (G20-01, p. 1630); een schriftelijk bescheid in de vorm van een presentielijst (D-062-09, v. 2).
36 Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal, inhoudende de verklaring van getuige [naam] (G21-01/02, p. 1646); een schriftelijk bescheid in de vorm van een presentielijst (D-028-23).
37 Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal, inhoudende de verklaring van getuige [naam] (G13-01/02, p. 1527); een schriftelijk bescheid in de vorm van een presentielijst (D-028-64).
38 Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal, inhoudende de verklaring van getuige [naam 12] (G07-01, p. 1449), alsmede een schriftelijk bescheid te weten een weekstaat (D-012-14).
39 Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal, inhoudende de verklaring van getuige [naam] (G12-01, p. 1506), alsmede een schriftelijk bescheid te weten een weekstaat (D-16-07).
40 Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal, inhoudende de verklaring van getuige [naam 12] (G07-01, p. 1449), alsmede een schriftelijk bescheid te weten een praktijkopdracht (D-012-08).
41 Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal, inhoudende de verklaring van getuige [naam] (G12-01, p. 1508), alsmede een schriftelijk bescheid te weten een praktijkopdracht (D-016-06).
42 Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal, inhoudende de verklaring van getuige [naam] (G13-01/02, p. 1525), alsmede een schriftelijk bescheid te weten een praktijkopdracht (D-020-09).
43 Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal, inhoudende de verklaring van getuige [naam] (G21-01/02, p. 1646), alsmede een schriftelijk bescheid te weten een praktijkopdracht (D-028-14).
44 Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal, inhoudende de verklaring van verdachte (V01-14, p. 865), alsmede een schriftelijk bescheid in de vorm van een factuur (D-051-02).