GERECHTSHOF ARNHEM sector civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.060.636 (zaaknummer rechtbank 338765) arrest van de tweede civiele kamer van 19 juli 2011 na verwijzing inzake de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [appellante], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante, advocaat: mr. J.J. Versluijs, tegen: de stichting Stichting Wooninc., voorheen de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid Beter Wonen Patrimonium, gevestigd te Eindhoven, geïntimeerde, advocaat: M. van Heeren. 1. Het geding in de voorafgaande instanties Voor het geding in cassatie en de voorafgaande instanties verwijst het hof naar de inhoud van het arrest dat de Hoge Raad op 30 januari 2009 heeft gewezen tussen eiseres tot cassatie, (thans) appellante (hierna ook te noemen: [appellante]) en verweerster in cassatie Beter Wonen Patrimonium, (thans) geïntimeerde (hierna ook te noemen: Beter Wonen of Wooninc.). Het is gepubliceerd onder LJN: BG4017 en in NJ 2009, 221. 2. Het geding in hoger beroep na verwijzing 2.1 [appellante] heeft bij exploot van 25 januari 2010 Wooninc. opgeroepen om voor dit hof voort te procederen. 2.2 Bij memorie na verwijzing, tevens houdende wijziging van eis, heeft [appellante] bewijs aangeboden, nieuwe producties in het geding gebracht en onder eiswijziging gevorderd dat het hof bij arrest, uitvoerbaar voorraad, het arrest van het hof ’s-Hertogenbosch van 27 februari 2007 (hetgeen het hof op grond van het laatste exploot begrijpt als: de vonnissen van de kantonrechter Eindhoven van 19 mei 2005 en 17 november 2005) zal vernietigen en, de zaak zelf afdoende, de vorderingen van [appellante] in reconventie, zoals daarbij gewijzigd, zal toewijzen, met veroordeling van Wooninc. in de kosten van beide instanties. 2.3 Bij antwoordmemorie na verwijzing heeft Wooninc. tegen de wijziging van eis bezwaar gemaakt, nieuwe producties in het geding gebracht en geconcludeerd dat het hof bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, [appellante] in haar hoger beroep niet–ontvankelijk zal verklaren, althans de gronden van [appellante], die betrekking hebben op de reconventionele vordering die thans op basis van de devolutieve werking van het appel voorligt, zal verwerpen en het hoger beroep, tevens de wijziging van eis, ongegrond zal verklaren en, de zaak zelf afdoende, de vorderingen van [appellante] in reconventie zoals in de onderhavige memorie bij eiswijziging ingesteld, zal afwijzen en de vonnissen van de kantonrechter te Eindhoven van 19 mei 2005 en 17 november 2005 zal bekrachtigen, met veroordeling van [appellante] in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze proceskosten vanaf 14 dagen na betekening van het te wijzen arrest, met uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de uit te spreken proceskostenveroordeling, alsmede veroordeling van [appellante] in de nakosten. 2.4 Ter zitting van 3 mei 2011 hebben partijen de zaak doen bepleiten, [appellante] door mr. J.J. Versluijs, advocaat te 's-Hertogenbosch, en Wooninc. door mr. M. van Heeren, advocaat te Eindhoven. Beiden hebben daarbij pleitnotities in het geding gebracht. Mr. Versluijs heeft voor de zitting bij brief van 18 april 2011 aan de wederpartij en het hof de producties 17 tot en met 26 gezonden, waartegen mr. van Heeren bij brief van 28 april 2011 bezwaar heeft gemaakt. Nadat het hof partijen daarover ter zitting nader heeft gehoord, heeft het hof aan partijen meegedeeld daarop in het arrest te zullen beslissen. 2.5 Vervolgens heeft [appellante] de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest en heeft het hof met instemming van Wooninc. op één dossier arrest bepaald. 3. De vaststaande feiten Het hof gaat uit van de volgende voorgeschiedenis. 3.1 [appellante] heeft vanaf 1981 in Eindhoven bedrijfsruimte als bedoeld in art. 7:290 lid 2 BW gehuurd van (de rechtsvoorgangster van) Beter Wonen. 3.2 Beter Wonen heeft de huurovereenkomst bij brief van 28 januari 2004 aan [appellante] opgezegd, waarbij zij zich primair erop heeft beroepen dat zij de verhuurde ruimte dringend nodig had voor eigen gebruik, bestaande uit sloop ten dienste van de realisatie van een woningcomplex. [appellante] heeft niet ingestemd met beëindiging van de overeenkomst. 3.3 Beter Wonen heeft op de voet van art. 7:295 BW huurbeëindiging en ontruiming gevorderd. [appellante] vorderde in reconventie primair € 1.086.086 in hoofdsom als schadeloosstelling in verband met afbraak “met het oog op de uitvoering van werken in het algemeen belang” in de zin van artikel 7:309 lid 1 BW en subsidiair € 350.721 in hoofdsom als tegemoetkoming in haar verhuis- en inrichtingskosten in de zin van artikel 7:297 lid 1 BW. 3.4 De kantonrechter heeft bij zijn deelvonnis van 17 november 2005 in conventie de vorderingen op de primaire grondslag toegewezen en het vonnis in zoverre uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Daarbij heeft hij voorts in reconventie de primaire vordering niet toewijsbaar geoordeeld, maar voor de subsidiaire vordering instructie nodig geoordeeld. Tegen dit deelvonnis heeft [appellante] dit hoger beroep ingesteld. 3.5 Tijdens dit hoger beroep heeft Beter Wonen het gehuurde in de periode van 25 augustus tot en met 7 september 2006 ontruimd. 3.6 Intussen werd in de eerste aanleg voortgeprocedeerd over de subsidiaire vordering in reconventie, waarop de kantonrechter bij eindvonnis van 2 november 2006 een hoofdsom van € 125.000 exclusief BTW met rente heeft toegewezen onder de voorwaarde van bedrijfsverplaatsing binnen zes maanden, een en ander onder compensatie van de proceskosten. Ook hiertegen heeft [appellante] een (afzonderlijke) appelprocedure ingesteld, die bij het hof 's-Hertogenbosch (op de parkeerrol) is aangehouden in afwachting van de beslissing op de primaire reconventie. 3.7 In het hoger beroep van [appellante] tegen de toewijzing van de conventie en de afwijzing van de primaire reconventie heeft het hof ’s-Hertogenbosch bij arrest van 27 februari 2007 de vonnissen van de kantonrechter van 19 mei 2005 en 17 november 2005 bekrachtigd. Daarbij heeft het hof in rov. 11.11.1 van zijn bestreden arrest met betrekking tot de door grief 9 van [appellante] in appel opnieuw aan de orde gestelde vraag of zij aanspraak heeft op de in art. 7:309 lid 1 BW bedoelde schadeloosstelling overwogen: "Artikel 7:309 BW voorziet in een schadeloosstelling in het geval sprake is van afbraak van het gehuurde met het oog op de uitvoering van werken in het algemeen belang. Naar het oordeel van het hof kan de voorgenomen nieuwbouw niet worden aangemerkt als een werk van algemeen belang als bedoeld in deze bepaling. De omstandigheid dat ‘de burgers van Eindhoven’ in aanmerking komen om een woning te huren, is daartoe onvoldoende. Om aan dit criterium te voldoen is nodig dat, na realisering, het gebouwde ‘het publiek’ dient. Hier zullen, na verhuur alleen Beter Wonen en de huurders degenen zijn die gebruik maken van de nieuwbouw. Terecht heeft de kantonrechter geoordeeld dat het ontbreken van een publieke of openbare functie van het gebouwde in de weg staat aan het aannemen van het vervuld zijn van het bepaalde in artikel 7:309 BW." 4. De motivering van de beslissing in hoger beroep na verwijzing 4.1 Naar aanleiding van het cassatiemiddel van [appellante] heeft de Hoge Raad als volgt overwogen: “3.4.1 Bij de beoordeling van deze klachten moet het volgende worden vooropgesteld. Zoals naar voren komt uit de in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 16–18 vermelde wetsgeschiedenis, heeft de wetgever met het in art. 7:309 geformuleerde criterium dat huurbeëindiging plaatsvindt in verband met de omstandigheid dat het gebouwde zal worden afgebroken ‘met het oog op de uitvoering van werken in het algemeen belang’, met name gedacht aan werken waarvoor in de regel ook onteigening kan plaatsvinden. Hoewel de reikwijdte van art. 7:309 te veel zou worden ingeperkt indien zou moeten worden aangenomen dat slechts aan het criterium wordt voldaan indien het uit te voeren nieuwe werk, waarvoor de afbraak plaatsvindt, berust op een of meer op het totstandbrengen van dat nieuwe werk gerichte overheidsbesluiten, zal wel de eis moeten worden gesteld dat het hier bedoelde algemeen belang ten minste uitdrukking heeft gevonden in concreet, openbaar gemaakt overheidsbeleid dat (mede) met de uitvoering van het betrokken nieuwe werk wordt gerealiseerd. 3.4.2 Anders dan het hof kennelijk heeft geoordeeld, kan evenwel niet de eis worden gesteld dat het nieuwe werk zelf het publiek dient doordat het een openbare functie heeft. Immers ook onteigening kan — op grond van art. 77 Onteigeningswet — plaatsvinden met het oog op de realisering van bijvoorbeeld bouwprojecten ten behoeve van particulier gebruik of particuliere exploitatie, zoals ten behoeve van de volkshuisvesting of het ontwikkelen van winkelcentra.” De Hoge Raad heeft het arrest van het hof 's-Hertogenbosch van 27 februari 2007 vernietigd en het geding naar dit hof verwezen ter verdere behandeling en beslissing, zodat het hof deze kwestie naar aanleiding van grief 9 opnieuw moet onderzoeken. 4.2 Na verwijzing heeft [appellante] bij haar memorie na verwijzing, tevens houdende eiswijziging, de grondslag van haar primaire vordering in reconventie in die zin willen wijzigen dat zij thans de hoofdsom van € 1.086.086 vordert, primair (nieuw in deze procedure) tot vergoeding van de schade als gevolg van de huuropzegging en van de (onrechtmatige wijze van) ontruiming met de daardoor veroorzaakte liquidatie van de onderneming, al dan niet te bepalen door een (onteigenings-)deskundige, subsidiair (voorheen primair) als begroting van de schadeloosstelling wegens het verlies van de kans dat de huurverhouding zonder de overgang op de voet van artikel 7:226 BW zou hebben voortgeduurd. 4.3 Mét Wooninc. oordeelt het hof deze vermeerdering van de grondslag van de eis in dit stadium van de procedure niet geoorloofd. Zij is mede gebaseerd op volgens [appellante] gestelde en door Wooninc. betwiste onrechtmatige wijze van ontruiming. Buiten de aanvankelijke grondslag van het verlies van de kans dat de huurverhouding zonder eigendomsoverdracht zou hebben voortgeduurd, zou deze vermeerdering van de grondslag van eis een nader debat vergen en, naar het zich laat aanzien, ook instructie. Daarvoor is het na cassatie en verwijzing nu in ieder geval te laat. In zijn arrest heeft de Hoge Raad niet meer dan een nadere randinvulling gegeven aan het in artikel 7:309 lid 1 BW opgenomen begrip "uitvoering van werken in het algemeen belang". Anders dan [appellante] aanvoert, heeft het arrest niet een nieuwe juridische situatie in het leven geroepen. Evenmin kan worden volgehouden dat partijen tevoren met dit oordeel nog geen rekening konden houden. Daarom ligt hierin geen reden voor een uitzondering op de hoofdregel dat een partij na cassatie en verwijzing niet de vrijheid heeft om haar stellingen en conclusies aan te passen dan wel haar eis te wijzigen. [appellante] heeft verder aangevoerd dat er nog geen rechterlijk oordeel ligt over de omvang van hetgeen Wooninc. in het kader van artikel 7:309 lid 1 BW is verschuldigd, maar dit brengt het hof er niet toe de gewenste vermeerdering van de grondslag van de eis na verwijzing toe te laten nu partijen vóór verwijzing al wel over die omvang hebben gestreden. Op basis van het voorgaande zal hof de vermeerdering van de grondslag van de eis buiten beschouwing laten. 4.4 Het hof zal nu grief 9 behandelen. Naar tussen partijen vaststaat, heeft (de rechtsvoorgangster van) Wooninc. als verhuurster op wie de rechten en verplichtingen uit de huurovereenkomst op de voet van artikel 7:226 BW zijn overgegaan, deze overeenkomst door opzegging doen eindigen in verband met de omstandigheid dat het gebouwde zal worden afgebroken. Partijen zijn echter verdeeld over het antwoord op de vraag of de opzegging heeft plaatsgevonden, zoals artikel 7:309 lid 1 BW voor verschuldigdheid van een schadeloosstelling vereist, in verband met afbraak "met het oog op de uitvoering van werken in het algemeen belang". Daarvoor zal volgens het arrest van de Hoge Raad als (naar het hof begrijpt: minimum-)eis moeten worden gesteld dat het hier bedoelde algemeen belang ten minste uitdrukking heeft gevonden in concreet, openbaar gemaakt overheidsbeleid dat (mede) met de uitvoering van het betrokken nieuwe werk wordt gerealiseerd. 4.5 Uit de tekst van artikel 7:309 lid 1 BW en de strekking van dit artikellid vloeit voort dat voor de toepassing van het criterium ontwikkelingen na de datum van opzegging, hier 28 januari 2004, niet meer bepalend kunnen zijn. Niet alleen de huurder maar vooral ook de verhuurder moet immers uiterlijk ten tijde van de huuropzegging kunnen voorzien en kunnen berekenen of de hier bedoelde schadeloosstelling wel of niet verschuldigd zal zijn en welke gevolgen dat zal (kunnen) hebben. Later aan de dag getreden feiten en/of omstandigheden kunnen hooguit van belang zijn voor zover deze een licht werpen op de situatie ten tijde van de opzegging. 4.6 Op [appellante] rusten ingevolge de hoofdregel van artikel 150 Rv de stelplicht en de bewijslast dat aan de eisen van artikel 7:309 lid 1 BW is voldaan. Bij de pleidooien in hoger beroep d.d. 1 november 2006 heeft [appellante] aan de toen inmiddels uitgevoerde gedeeltelijke afbraak van het gehuurde het vermoeden van artikel 7:309 lid 3 BW verbonden. Volgens artikel 7:309 lid 3 BW wordt een opzegging vermoed te zijn gedaan in verband met de omstandigheid dat het gebouwde met het oog op de uitvoering van werken in het algemeen belang zal worden afgebroken, indien de afbraak binnen zes jaar na de opzegging aanvangt. In beginsel moet de huurder het oorzakelijk verband aantonen tussen de opzegging van de huur en de omstandigheid dat het gebouwde met het oog op de uitvoering van werken in het algemeen zal worden afgebroken. De regel van lid 3 strekt ertoe om de bewijspositie van de huurder, geconfronteerd met een opzegging waaruit niet blijkt van de voorgenomen afbraak, ten aanzien van het oorzakelijk verband tussen de voorgenomen afbraak en de opzegging te vergemakkelijken. Lid 3 beoogt echter geen verandering te brengen in de bewijspositie ter zake de vraag of een afbraak geschiedt met het oog op de uitvoering van werken van algemeen belang. De situatie waarin uit de huuropzegging niet blijkt dat deze op een voorgenomen afbraak is gebaseerd hoewel dat feitelijk wel het geval is, doet zich hier echter niet voor. Artikel 7:309 lid 3 BW kan [appellante] niet baten ter beantwoording van de vraag of de voorgenomen afbraak in verband waarmee de opzegging werd gedaan zou geschieden met het oog op de uitvoering van werken in het algemeen belang. 4.7 Voor hetgeen [appellante] heeft aangevoerd ten behoeve van haar stelling dat de opzegging ter afbraak heeft plaatsgevonden met het oog op de uitvoering van werken in het algemeen belang, verwijst het hof naar de cassatiedagvaarding. Daarin heeft [appellante] sub 8 als het derde onderdeel van het cassatiemiddel aangevoerd: "(…) Van werken in het algemeen belang kan ook sprake zijn in een situatie als de onderhavige die zich (deels op basis van een hypothetisch feitelijke grondslag) kenmerkt doordat: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.