GERECHTSHOF ARNHEM Sector civiel recht zaaknummer gerechtshof: 200.088.818 (rekestnummers rechtbank: 210757/FT-RK 11.71 en 210758/FT-RK 11.72) arrest van de eerste civiele kamer van 11 augustus 2011 inzake [appellant sub 1] en zijn echtgenote [appellante sub 2], beiden wonende te [woonplaats], appellanten, advocaat: mr. H.D.L.M. Schruer te Rotterdam. 1. Het geding in eerste aanleg 1.1 Op 13 januari 2011 hebben appellanten (hierna: [appellanten]) de rechtbank Arnhem verzocht om ten aanzien van hen de wettelijke schuldsaneringsregeling toe te passen. 1.2 Bij vonnis van 6 juni 2011 heeft de rechtbank Arnhem de desbetreffende verzoeken van [appellanten] afgewezen. 1.3 Het hof verwijst naar bovengenoemd vonnis, dat in fotokopie aan dit arrest is gehecht. 2. Het geding in hoger beroep 2.1 Bij ter griffie van het hof op 14 juni 2011 ingekomen verzoekschrift zijn [appellanten] in hoger beroep gekomen van bovengenoemd vonnis van 6 juni 2011 en hebben zij het hof verzocht dat vonnis te vernietigen en, opnieuw recht doende, hen ieder alsnog toe te laten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling dan wel de zaak voor dit doel terug te wijzen naar de rechtbank Arnhem, kosten rechtens. 2.2 Het hof heeft kennisgenomen van het verzoekschrift met de daarbij behorende stukken, alsmede van de brieven met bijlagen van 8 juli 2011 en 28 juli 2011 van mr. Schruer. 2.3 De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 1 augustus 2011, waarbij [appellanten] zijn verschenen in persoon, bijgestaan door mr. Schruer, die het woord heeft gevoerd aan de hand van een aan het hof overgelegde pleitnota. Tevens is namens Grip Schuldhulpverlening B.V. te Tiel (hierna: Grip) verschenen [...]. 3. De motivering van de beslissing in hoger beroep 3.1 [appellant sub 1], 51 jaar, en [appellante sub 2], 55 jaar, zijn sinds 20 juni 1997 met elkaar gehuwd in gemeenschap van goederen. Bij hun verzoeken tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling hebben zij ieder een “verklaring schuldsanering” overgelegd zoals bedoeld in artikel 285, eerste lid, Faillissementswet (hierna: Fw). Volgens het bij die verklaringen gevoegde overzicht van schulden bedraagt de gezamenlijke schuldenlast van [appellanten] in totaal € 27.826,97. De schuldenlast bestaat, volgens dat overzicht, uit een schuld aan de Belastingdienst van € 3.226,-, een schuld aan Dexia Nederland B.V. van € 2.794,39 en een schuld aan Defam Financieringen B.V. van € 21.806,58. 3.2 De rechtbank heeft de verzoeken van [appellanten] tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling afgewezen en daarbij, samengevat en voor zover van belang, het volgende overwogen. De poging om te komen tot een buitengerechtelijke schuldregeling die is voorafgegaan aan de verzoeken tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling, is uitgevoerd door Grip. Grip heeft hiertoe geen opdracht gekregen van de gemeente [woonplaats], waar [appellanten] woonachtig zijn, maar van laatstgenoemden zelf. Grip is geen persoon of instelling zoals bedoeld in artikel 48, eerste lid, Wet op het consumentenkrediet (hierna: Wck). Er is geen algemene maatregel van bestuur tot stand gekomen op grond van artikel 48, eerste lid onder d, Wck waarbij instellingen zoals Grip zijn aangewezen om schuldbemiddeling te verrichten. De poging tot een buitengerechtelijke schuldregeling is dus niet uitgevoerd door een persoon of instelling zoals bedoeld in artikel 48, eerste lid, Wck. Het bepaalde in artikel 288, tweede lid aanhef en onder b, Fw brengt daarom mee dat de verzoeken tot toelating tot de schuldsaneringsregeling moeten worden afgewezen. 3.3 Argumenten van [appellanten] strekkend tot het tegendeel zijn door de rechtbank verworpen. Hierbij heeft de rechtbank in het bijzonder overwogen, samengevat, dat aan de toepasselijkheid van de afwijzingsgrond genoemd in artikel 288, tweede lid onder b, Fw niet afdoet dat de verklaring (bedoeld in artikel 285, eerste lid onder f, Fw) dat geen buitengerechtelijke schuldregeling mogelijk is gebleken, is afgegeven namens het college van burgemeester en wethouders van de gemeente [woonplaats]. De toepasselijkheid van die afwijzingsgrond wordt evenmin weggenomen doordat Grip beschikt over een zogeheten NEN-8048 certificaat, dat haar is verstrekt ter bevestiging dat zij voldoet aan bepaalde kwaliteitseisen op het gebied van schuldhulpverlening en schuldbemiddeling. Dit maakt immers niet dat zij in de zin van artikel 288, tweede lid onder b, Fw bevoegd is een poging tot een buitengerechtelijke schuldregeling uit te voeren. Ook uit de stelling dat Grip de desbetreffende poging “om niet” (zoals bedoeld in artikel 48, eerste lid onder a, Wck) heeft uitgevoerd, heeft de rechtbank een zodanige bevoegdheid niet afgeleid: de werkzaamheden van Grip zijn aan de werkgever van [appellant sub 1] in rekening gebracht, zodat zij deze niet “om niet” heeft verricht (en zij geen instelling zoals bedoeld in artikel 48, eerste lid, Wck is). 3.4 In hoger beroep betogen [appellanten] dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de poging tot een buitengerechtelijke schuldregeling die aan hun verzoeken tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling is voorafgegaan, niet aan de wettelijke vereisten voldoet. Zij kunnen in dit betoog niet worden gevolgd. Hiertoe wordt het volgende overwogen. 3.5 Artikel 285, eerste lid aanhef en onder f, Fw schrijft voor dat in een verzoekschrift tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling of in een daarbij gevoegde bijlage een met redenen omklede verklaring moet worden opgenomen dat er geen reële mogelijkheden zijn om tot een buitengerechtelijke schuldregeling te komen, afgegeven door het college van burgemeester en wethouders van de woon- of verblijfplaats van de schuldenaar wiens toelating wordt verzocht. Aan deze eis voldoen de door [appellanten] ingediende verzoekschriften. In de daarbij gevoegde “verklaring schuldsanering” is immers namens het college van burgemeester en wethouders van de gemeente [woonplaats] verklaard dat een minnelijk traject is mislukt doordat niet alle schuldeisers akkoord waren, in het bijzonder doordat Defam Financieringen B.V. niet heeft ingestemd met het (namens [appellanten]) gedane schuldbemiddelingsvoorstel. 3.6 Artikel 288, tweede lid aanhef en onder b, Fw bepaalt vervolgens dat het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling moet worden afgewezen als de poging tot een buitengerechtelijke schuldregeling niet is uitgevoerd door een persoon of instelling zoals bedoeld in artikel 48, eerste lid, Wck. Artikel 48, eerste lid, Wck houdt in dat het verbod op schuldbemiddeling dat is neergelegd in artikel 47, eerste lid, Wck niet van toepassing is wanneer het gaat om schuldbemiddeling (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.