GERECHTSHOF ARNHEM Sector civiel recht zaaknummer 200.070.198 (zaaknummer rechtbank 314480) arrest van de pachtkamer van 20 september 2011 inzake [appellant], wonende te [woonplaats], gemeente [gemeente], appellant, advocaat: mr. B. Nijman, tegen: [geïntimeerde], wonende te [woonplaats], gemeente [gemeente], geïntimeerde, advocaat: mr. P. Sipma. 1 Het verloop van het geding in eerste aanleg 1.1 Voor het verloop van het geding tot aan het arrest van 29 maart 2011 (hierna: het tussenarrest) verwijst het hof naar dat arrest. 1.2 Ingevolge het tussenarrest heeft [appellant] een akte genomen, waarop [geïntimeerde] bij antwoordakte heeft gereageerd. 1.3 Vervolgens hebben partijen andermaal de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof opnieuw arrest bepaald. 2 De motivering van de beslissing in hoger beroep 2.1 [appellant] heeft de hem geboden gelegenheid om zich nader uit te laten over het beroep van [geïntimeerde] op rechtsverwerking benut om een nieuwe kwestie aan te snijden en heeft het hof een uitdrukkelijk oordeel gevraagd omtrent de status van het vonnis van de pachtkamer in eerste aanleg van 4 juni 2010 “in verband met eventuele executieproblematiek”. [geïntimeerde] heeft zich daarbij bij haar antwoordakte aangesloten. Gelet daarop zal het hof een en ander eerst bespreken, voordat het nader oordeelt over het beroep van [geïntimeerde] op rechtsverwerking. 2.2 [appellant] heeft overgelegd een brief van mr. U. van Houten, sectorvoorzitter civiel/ kanton van de Rechtbank Almelo. Die brief houdt het volgende in: “In bovengenoemde zaak van uw cliënt, [appellant], heeft de pachtkamer van de rechtbank op 02 juni 2010 eindvonnis gewezen. Recent is gebleken dat deze uitspraak mede is gewezen door een lid van de pachtkamer waarvan verzuimd is tijdig de herbenoeming aan te vragen. Ik betreur dat ten zeerste en bied u, mede namens het gerechtsbestuur, excuses aan voor deze ernstige nalatigheid. Overigens heeft de rechtbank inmiddels het lid voorgedragen voor herbenoeming. Ik heb begrepen dat tegen het voormelde vonnis hoger beroep is ingesteld bij het Gerechtshof te Arnhem en ik neem aan dat in hoger beroep nog geen eindarrest is gewezen. Het is niet aan de rechtbank om het Gerechtshof over het vorenstaande te informeren, maar het gerechtsbestuur acht het juist om u op de hoogte te stellen, opdat u zelf kunt beslissen of het gebrek in de samenstelling van de rechtbank naar uw oordeel consequenties moet hebben in de procedure in hoger beroep. Volledigheidshalve wijs ik u erop dat het Gerechtshof te Den Bosch op 8 november 2007 arrest heeft gewezen in een enigszins vergelijkbare zaak. U kunt dat arrest vinden op www.rechtspraak.nl onder LJN-nummer BB7403.” Volgens haar antwoordakte heeft [geïntimeerde] een brief met dezelfde inhoud ontvangen. 2.3 Het hof oordeelt als volgt. Het derde lid van artikel 5 Wet op de rechterlijke organisatie houdt in dat indien bij de wet is bepaald dat ook anderen dan rechterlijke ambtenaren deel uitmaken van een meervoudige kamer, de beslissingen van de desbetreffende meervoudige kamer nietig zijn, indien zij niet zijn genomen met het in deze wet bepaalde aantal personen, niet zijnde rechterlijk ambtenaar. Volgens het derde lid van artikel 48 van dezelfde wet wordt een pachtkamer van een rechtbank, sector kanton, bezet door (afgezien van een kantonrechter) twee personen, niet zijnde rechterlijk ambtenaar, als deskundige leden. Indien ervan moet worden uitgegaan dat het zich hier voordoende geval, namelijk dat ten tijde van de uitspraak de benoemingstermijn is verlopen van een van de als deskundige leden optredende personen die in de zetel plaatsnemen, binnen het bereik van de zojuist bedoelde grond van nietigheid valt, betekent dit nog niet dat sprake is van een nietigheid van rechtswege, dat wil zeggen van een nietigheid die reeds op zichzelf genomen meebrengt dat het vonnis niet ten uitvoer kan worden gelegd en ook overigens rechtskracht mist. In verband met het gesloten stelsel van rechtsmiddelen dient integendeel te worden aangenomen dat bedoeld vonnis – dat zich naar het uiterlijk voordoet als een partijen bindende uitspraak van de pachtkamer van de rechtbank, sector kanton – uitsluitend kan worden bestreden door het aanwenden van een daartegen openstaand rechtsmiddel. Het hof verwijst in dit verband naar het arrest van de Hoge Raad van 13 september 1991, NJ 1991, 767 inzake Dreesmann c.s./Vede c.s. Dat arrest had betrekking op schending van het door artikel 5 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatie evenzeer met nietigheid bedreigde voorschrift dat de uitspraak van vonnissen in burgerlijke zaken in het openbaar geschiedt. 2.4 In het onderhavige geval heeft een van partijen, namelijk [appellant], wel een rechtsmiddel tegen vonnis aangewend. In zijn akte leest het hof niet, in ieder geval niet duidelijk, dat [appellant] zijn hoger beroep thans mede wenst te gronden op de gebrekkige samenstelling van de zetel van de pachtkamer in eerste aanleg (hij vraagt het hof slechts om duidelijkheid en zijn beschouwingen over de geldigheid van het vonnis, zijn akte onder 3, vat het hof op als een inleiding op die vraag). Maar ook indien dit anders zou zijn, leidt het bestaan van de hiervoor bedoelde grond van nietigheid, niet op zichzelf reeds tot het slagen van het aangewende rechtsmiddel. Het hoger beroep is een volledige nieuwe feitelijke instantie, waarin de inhoud van de juiste beslissing van het geschil centraal staat. Indien het hof – binnen de grenzen van de rechtsstrijd – tot de conclusie komt dat het dictum van het bestreden vonnis juist is, heeft [appellant] (en hetzelfde geldt voor [geïntimeerde], voor zover zij de nietigheid van het bestreden vonnis zou hebben willen inroepen) geen belang bij vernietiging van dat vonnis, hoe betreurenswaardig het ook is dat in de zetel van de pachtkamer in eerste aanleg een persoon heeft plaatsgenomen van wie de benoemingstermijn inmiddels was verlopen. 2.5 Zou het hof op inhoudelijke gronden tot de conclusie komen dat bedoeld dictum niet juist is, dan volgt reeds op grond daarvan dat het hof het juiste dictum daarvoor in de plaats behoort te stellen, zonder dat de gebrekkige samenstelling van de zetel van de pachtkamer in eerste aanleg daaraan in dat geval nog iets toevoegt. 2.6 Met het voorgaande komt het hof deels tot een andere uitkomst dan in de zaak die ten grondslag lag aan het arrest van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 8 november 2007, zoals vermeld in de onder 2.2 aangehaalde brief. Die andere uitkomst berust op het verschil in de procedure in hoger beroep in civiele zaken ten opzichte van die in strafzaken (de bedoelde zaak betrof een strafzaak). In strafzaken vindt, indien terugwijzing door de advocaat-generaal of de verdachte ter terechtzitting is verlangd, terugwijzing plaats indien de behandeling en beslissing van de zaak niet heeft plaatsgevonden door een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie, dit in verband met het in het Wetboek van Strafvordering besloten liggende beginsel dat een verdachte in aan hoger beroep onderworpen zaken aanspraak heeft op berechting in twee feitelijke instanties. Het hof verwijst naar bedoeld arrest van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch onder 2.2.3 en 2.2.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.