GERECHTSHOF AMSTERDAM Nevenzittingsplaats Arnhem Sector civiel recht zaaknummer gerechtshof 104.004.553 (zaaknummer rechtbank 221.844) arrest van de eerste kamer van 9 oktober 2012 in de zaak van [appellant] , wonende te [woonplaats] , appellant, hierna: [appellant] , advocaat: mr. O. Hammerstein, tegen: de naamloze vennootschappen 1 ASR Schadeverzekering N.V. (voorheen genaamd: Fortis ASR Schadeverzekering N.V.), 2 Reaal Schadeverzekering N.V. (voorheen genaamd: Reaal Verzekeringen N.V.), 3 Europeesche Verzekering Maatschappij N.V. en 4 Schadeverzekering Maatschappij Erasmus N.V., gevestigd te respectievelijk Utrecht, Utrecht, Amsterdam en Rotterdam, geïntimeerden, hierna: Fortis c.s., advocaat: mr. A. Knigge. 1Het verdere verloop van het geding in hoger beroep 1.1 Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 12 juli 2011 hier over. 1.2 Het verdere verloop blijkt uit: - het proces-verbaal van getuigenverhoor van 16 november 2011, waarin de getuigenverklaringen van [appellant] en [verzekeringsintermediair] - het proces-verbaal van getuigenverhoor en comparitie van partijen van 21 maart 2012, waarin de getuigenverklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] ; - de "antwoord"akte van [appellant] van 8 mei 2012 met een productie; - de akte uitlating van Fortis c.s. van 19 juni 2012. 1.3 Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald. 2De motivering van de beslissing in hoger beroep 2.1 Bij het tussenarrest van 12 juli 2011 heeft het hof [appellant] (alsnog) toegelaten tot het tegenbewijs van feiten en omstandigheden als bedoeld in het tussenarrest van 29 juni 2010, rov. 4.10, namelijk tegen de voorshands afdoende bewezen geoordeelde stelling van Fortis c.s. dat [appellant] bij zijn verzekeringsaanvraag geen melding zou hebben gemaakt van de ontdekking van de hennepkwekerij in zijn woning en van zijn voorlopige hechtenis eind maart 2005. 2.2 Het hof evalueert het voorhanden bewijsmateriaal als volgt. De toezendingsbrief van 12 april 2005 (productie 7 bij memorie van antwoord) met het aanvraagformulier (bijlage 5 bij productie 4 bij akte van 15 november 2006) is aan [appellant] toegezonden door [getuige 1] met het verzoek de geel gearceerde (slot-)vragen volledig in te vullen. Volgens zijn getuigenverklaring herkent [getuige 1] zijn handschrift op het aanvraagformulier bij de personalia en het risicoadres, de ingangsdatum voor de aansprakelijkheid en de kruisjes bij categorie II, maar heeft hij op het laatste blad (waarop gevraagd wordt naar een strafrechtelijk verleden) niets ingevuld. [getuige 1] herinnert zich niets concreets van een telefoongesprek met [appellant] . Als werkwijze beschrijft hij dat hij normaal gesproken alle vragen met de klant doornam en naar aanleiding van de antwoorden alvast kruisjes zette. [appellant] bevestigt in zijn getuigenverklaring dat het aanvraagformulier door degene die hij aan de telefoon heeft gesproken, alvast was ingevuld, maar dat hij de beide slotvragen (omtrent een strafrechtelijk verleden) zelf ontkennend heeft ingevuld en dat het zou kunnen dat deze geel gearceerd waren omdat hij deze zelf heeft aangekruist. Uit het voorgaande blijkt afdoende dat [appellant] destijds telefonisch heeft gesproken met [getuige 1] en dat deze laatste de slotvragen niet op voorhand heeft ingevuld maar ter invulling door [appellant] geel heeft gearceerd. 2.3 Onder een strafrechtelijk verleden verstaat getuige [getuige 1] dat iemand met justitie of politie in aanraking is geweest, ook als het (naar het hof begrijpt: slechts) een verdenking betreft. Daarvan maakt hij altijd een memo aan omdat [kantoor] gevolmachtigd was. [appellant] heeft als getuige verklaard: "Bij de laatste vragen heb ik gevraagd wat bedoeld werd met strafrechtelijk verleden en verteld dat ik maar één keer bij de rechtbank voor geweest was, voor een snelheidsovertreding. Verder heb ik verteld dat ik onlangs, een paar weken eerder, op een politiebureau was geweest voor een in mijn woning aangetroffen hennepkwekerij en dat ik daar een paar dagen voor op het bureau heb gezeten. Ik heb ook gezegd dat ik daarna naar huis ben gestuurd en er nooit meer wat van had gehoord en er niets mee te maken had. Aan de andere kant werd mij gezegd dat als hij dat zo hoorde, dat ik er niets mee van doen had, dat ik gewoon nee kon invullen." 2.4 Daartegenover staat de getuigenverklaring van [getuige 1] :"Het telefoongesprek kan ik mij niet herinneren. Of de klant bijzondere dingen heeft gemeld weet ik ook niet. Als iemand mij gebeld zou hebben dat in zijn verhuurde huis enkele weken eerder door de politie een hennepkwekerij was aangetroffen en dat hij daarvoor zelf, onschuldig, enkele dagen had vastgezeten bij de politie, dan zou ik dat, omdat wij gevolmachtigd zijn door de verzekeraar, zeker hebben doorgegeven aan de volmachtafdeling, een aparte afdeling in ons kantoor. Dan is het aan hun hoofd ( [hoofd] ) om te beslissen. Of ik ga naar een directeur (bijvoorbeeld [getuige 2] ). Meestal is het zo dat er wat tijd overheen gaat en dat ik de klant niet aan de telefoon kan laten hangen in afwachting van de uitslag. Hij wordt dan teruggebeld. Als een klant zoiets meldt, zoals u vertelt, dan zou ik daarvan een memo maken. Dat hing in de automatisering achter de klant in het dossier en kon je zo aanklikken om in te vullen. Of je zo’n kwestie op het aanvraagformulier terug ziet? Nee, maar ik heb zoiets bijzonders nog nooit eerder meegemaakt. (…) Van melding van een strafrechtelijke verleden maakte ik altijd een memo aan, natuurlijk. We waren gevolmachtigd. Als de klant niet werd geaccepteerd, konden we voor hem naar Rialto gaan, dat was vroeger Terminus." 2.5 Hetgeen [getuige 1] heeft verklaard over het kantoorbeleid vindt steun in de getuigenverklaring van [getuige 2] , directeur van [kantoor] , die hierover heeft getuigd: "Het komt wel voor dat mensen melden (…) dat ze strafrechtelijk veroordeeld waren, zulke bijzondere situaties kwamen meestal bij mij op bureau. Het personeel mag wel zonder bijzonderheden accepteren. Ongetwijfeld kende [getuige 1] die procedure. Mij is destijds geen geval gemeld van iemand bij wie in zijn verhuurde huis een hennepkwekerij was aangetroffen. Deze aanvraag heb ik destijds niet behandeld. (…) Als iemand had gemeld dat in zijn verhuurde huis een hennepkwekerij was opgerold en dat hij daarvoor onschuldig enkele dagen had vastgezeten, had ik daarover niet zelfstandig kunnen beslissen, maar had ik dat terug moeten koppelen aan de leadende verzekeraar van de pool, namelijk de fraudeafdeling, ook al betreft het een aanvraag. Ook een acceptant van de verzekeraar zou daarover niet zelf kunnen beslissen, daarom de gang naar een bijzondere afdeling. (…) Mijn medewerkers waren getraind om meldingen te maken van een strafrechtelijk verleden, dat is een deel van hun opleiding, dit moest van de regels van de verzekeraar, anders zouden we onze volmacht kwijtraken." 2.6 Al met al weegt de getuigenverklaring van [appellant] , die als partij belang heeft bij de uitkomst van deze procedure en wiens getuigenverklaring geen steun vindt in enig ander bewijsmiddel, niet op tegen de getuigenverklaring van [getuige 1] (die zonder problemen bij [kantoor] is vertrokken) in samenhang met de aanbiedingsbrief van 12 april 2005 en zijn gedeeltelijke invulling van het aanvraagformulier, en aangevuld met de getuigenverklaring van [getuige 2] . Tegenover het door Fortis c.s. bijgebrachte bewijs is [appellant] niet geslaagd in zijn tegenbewijs. Daarom moet ervan worden uitgegaan dat hij bij zijn verzekeringsaanvraag ook niet mondeling heeft gemeld dat de politie twee weken eerder in zijn woning een hennepkwekerij had opgerold en hem ter zake had aangehouden en in verzekering gesteld. 2.7 In het tussenarrest van 12 juli 2011, rov. 2.11 heeft het hof ter beantwoording van de vraag op welke wijze een verzekeraar, destijds in 2005, nog onder het oude verzekeringsrecht, nadere vragen zou hebben gesteld en onderzoek zou hebben ingesteld, een schriftelijk deskundigenbericht aangekondigd. In die rechtsoverweging is ook een voorlopige vraagstelling geformuleerd. Daarop hebben partijen ter comparitie van 21 maart 2012 commentaar gegeven. In overeenstemming daarmee worden de vragen aan de deskundige als volgt geformuleerd. Wilt u de volgende vragen beantwoorden, graag zoveel als mogelijk met documenten onderbouwd, u daarbij vooral vrij voelend om alle verzekeraars te benaderen, ook die verzekeraars die reeds eerder op vragen prof. Kamphuisen hebben geantwoord, en wilt u daarbij ook kennis nemen van de hierna nog te bespreken brief van Aegon van 6 maart 2012 en de reactie daarop van partijen: a.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.