← Nederland

ECLI:NL:GHARN:2012:BV6716

Gerechtshof te Arnhem pkn: 08-700183-11 avnr: 000215- 07 Het gerechtshof heeft te beslissen op het hoger beroep ingesteld door {verdachte}, geboren te {geboorteplaats} op {geboortedatum}, verblijvende in het huis van bewaring te Het hoger beroep is ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank te Almelo van 7 december 2011, houdende de afwijzing van het ter terechtzitting gedane verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis van verdachte. Het hof heeft gehoord de advocaat-generaal en verdachte, bijgestaan door mr J. Michels, advocaat te Amersfoort, in raadkamer van heden. Het hof heeft gezien bovengenoemde beslissing en de akte opgemaakt door de griffier bij die rechtbank van 8 december 2011. OVERWEGINGEN: In raadkamer van heden heeft de raadsman aangevoerd dat de voorlopige hechtenis dient te worden opgeheven, alleen al gelet op de lange periode tussen het instellen van het hoger beroep en de behandeling daarvan . Het hof stelt vast dat tussen het tijdstip van instellen van hoger beroep (8 december 2011) en de behandeling in raadkamer van heden (22 februari 2012) ,van dat beroep kennelijk door ambtelijke misslagen een geruime periode is verstreken. Dit tijdsverloop moet als zeer onwenselijk lang worden beschouwd, waardoor op het hoger beroep, anders dan in artikel 71 lid 4 van het Wetboek van Strafvordering is bepaald, niet zo spoedig mogelijk meer kan worden beslist door het hof. Tevens kan niet meer worden gezegd dat de beslissing op het ingestelde rechtsmiddel ‘spoedig’ als bedoeld in artikel 5 lid 4 van het EVRM plaatsvindt. Het hof constateert dat er sprake is van een vormverzuim. Dit verzuim dient er in de onderhavige situatie, rekening houdend met het feit dat de zaak reeds op zitting is geweest en de voorlopige hechtenis van verdachte onder controle van de zittingsrechter staat, echter niet toe te leiden dat de voorlopige hechtenis van verdachte om die reden moet worden opgeheven. Het hof laat daarbij de ernst van de ten laste gelegde feiten zwaar wegen. Deze betreffen – kort gezegd – georganiseerde handel in harddrugs en softdrugs gedurende een periode van enkele jaren. Het maatschappelijk belang, dat met de voortzetting van de voorlopige hechtenis wordt gediend dient onder de gegeven omstandigheden te prevaleren. Het hof is voorts na onderzoek gebleken dat de gronden waarop het bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte berust, nog steeds aanwezig zijn, zodat de beslissing van de rechtbank met overneming van de gronden dient te worden bevestigd. Naar het oordeel van het hof doet zich niet voor het geval dat ernstig rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid dat aan de verdachte in geval van veroordeling geen onvoorwaardelijke vrijheidsstraf of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel zal worden opgelegd, dan wel dat verdachte bij tenuitvoerlegging van het bevel langere tijd van zijn vrijheid beroofd zou blijven dan de duur van de straf of maatregel. Het hof heeft gelet op het bepaalde in de artikelen 67a, 69, e.v. van het Wetboek van Strafvordering. BESLISSING: Het hof bevestigt de beslissing waarvan beroep. Aldus gegeven op 22 februari 2012 door mrs P. van Kesteren, voorzitter, J.H.C. van Ginhoven en A.W.M. Elders, raadsheren, in tegenwoordigheid van J. Jansen, griffier, en ondertekend door de voorzitter en de griffier.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.