GERECHTSHOF ARNHEM Sector civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.074.794 (zaaknummer rechtbank 323184) arrest van de pachtkamer van 17 april 2012 inzake [pachter], wonende te [woonplaats], appellant in het principaal beroep, geïntimeerde in het incidenteel beroep, advocaat: mr. B. Nijman, tegen: de publiekrechtelijke rechtspersoon Gemeente Schagen, zetelende te Schagen, geïntimeerde in het principaal beroep, appellante in het incidenteel beroep, advocaat: mr. H.P. Abma. 1 Het verloop van het geding 1.1 Voor het verloop van het geding tot aan het arrest van 20 september 2011 (hierna: het tussenarrest) verwijst het hof naar dat arrest. 1.2 Naar aanleiding van het tussenarrest hebben partijen zich elk bij akte nader over de zaak uitgelaten. 1.3 Vervolgens hebben partijen andermaal de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald. 2 Voorgezette motivering van de beslissing in hoger beroep 2.1 Na het tussenarrest staat nog ter beoordeling het beroep van de Gemeente op de aanvullende en/of beperkende werking van redelijkheid en billijkheid (zie het tussenarrest onder 4.8). 2.2 [pachter] heeft bij zijn akte houdende uitlating zich beperkt tot, kort samengevat, de volgende stellingen: a. Eerst in 2000 is een pachtovereenkomst tot stand gekomen tussen de Gemeente en [pachter], hoewel [vader van pachter] voor het overige het bedrijf al in 1983 aan hem had overgedragen. b. Dit was een gevolg van de houding van de Gemeente, die voorwaarden stelde aan pachtoverneming door [pachter], namelijk dat [pachter] zou afzien van zijn wettelijk recht op schadevergoeding bij pachtbeëindiging of -ontbinding in geval van bestemmingswijziging. c. [vader van pachter] bleef steeds enige bemoeienis met het bedrijf van [pachter] behouden. d. [vader van pachter] betaalde de pacht zelf en onderhield met de Gemeente contacten over de pachtovereenkomst. e. Tot 1994 hield [vader van pachter] in privé schapen en ontving in 1987 voor 55 schapen ooipremie. f. [vader van pachter] gebruikte het gepachte voor het weiden van zijn schapen. 2.3 Het hof heeft er in het tussenarrest onder 4.12 reeds op gewezen dat de beide percelen die tot het verpachte behoren naast respectievelijk tussen percelen liggen die in 1983 tot het bedrijf van [pachter] behoorden en overwogen dat in verband daarmee het op de weg van [pachter] ligt om de aard van het beweerde gebruik door zijn vader voldoende inhoudelijk te omschrijven. In dezelfde alinea heeft het hof geoordeeld over een boeking in 1983 van door [vader van pachter] ontvangen “Schapenpremie” in mindering op de schuld van [pachter] aan [vader van pachter] Bij zijn akte houdende uitlating heeft [pachter] de achtergronden van deze boeking (nog steeds) niet begrijpelijk toegelicht. Volgens [pachter] (akte onder 11) betreft het waarschijnlijk een betaling van de Dienst Regelingen, dan wel een rechtsvoorganger daarvan, die na de overname van het bedrijf abusievelijk niet aan [pachter], maar aan zijn vader is gedaan. Wat de achtergrond van de bedoelde betaling door de Dienst Regelingen kan zijn geweest, vermeldt [pachter] niet en hij licht ook niet toe waarom de betaling geboekt is met de omschrijving “Schapenpremie”. Uitgaande van die omschrijving werd ook de schapenhouderij vanaf 1983 voor rekening van [pachter] en niet voor rekening van [vader van pachter] uitgeoefend. Weliswaar voert [pachter] aan dat [vader van pachter] in 1987 ooipremie zou hebben ontvangen, maar in het licht van de boeking in 1983 had hij ook in moeten gaan op de vraag of [vader van pachter] die ooipremie heeft behouden en of (ook) die premie mogelijk in mindering is gebracht op een schuld van [pachter] aan [vader van pachter] Gelet op een en ander moeten de hiervoor onder d, e en f bedoelde stellingen van [pachter] buiten beschouwing blijven. 2.4 Bij de beoordeling van het beroep van de Gemeente op de beperkende en/of de aanvullende werking van redelijkheid en billijkheid moet aldus ervan worden uitgegaan
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.