GERECHTSHOF ARNHEM Sector belastingrecht nummers 10/00528 tot en met 10/00530 uitspraakdatum: 2 mei 2012 Uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer op het hoger beroep van X, wonende te Z (hierna: belanghebbende), en het incidentele hoger beroep van de inspecteur van de Belastingdienst/P (hierna: de Inspecteur), tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 26 oktober 2010, nummers AWB 09/1205, 09/1206 en 09/1207, in het geding tussen belanghebbende en de Inspecteur 1. Ontstaan en loop van het geding 1.1. Aan belanghebbende is over het jaar 1990 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen van fl. 4.376.441 (€ 1.985.942). Verder is een bedrag aan heffingsrente in rekening gebracht van fl. 1.068.723 (€ 484.965). 1.2. Aan belanghebbende is over het jaar 1992 een navorderingsaanslag in de IB/PVV opgelegd naar een belastbaar inkomen van fl. 4.373.749 (€ 1.984.721). Verder is een bedrag aan heffingsrente in rekening gebracht van fl. 967.229 (€ 438.909). 1.3. Aan belanghebbende is over het jaar 1993 een navorderingsaanslag in de IB/PVV opgelegd naar een belastbaar inkomen van fl. 4.371.616 (€ 1.983.753). Tevens is een verhoging opgelegd van fl. 2.544.001 (€ 1.154.417), waarvan de Inspecteur geen kwijtschelding heeft verleend. Verder is een bedrag aan heffingsrente in rekening gebracht van fl. 966.368 (€ 438.519). 1.4. Aan belanghebbende is over het jaar 1994 een navorderingsaanslag in de IB/PVV opgelegd naar een belastbaar inkomen van fl. 4.370.465 (€ 1.983.231). Tevens is een verhoging opgelegd van fl. 2.543.997 (€ 1.154.416), waarvan de Inspecteur geen kwijtschelding heeft verleend. Verder is een bedrag aan heffingsrente in rekening gebracht van fl. 853.723 (€ 387.403). 1.5. Aan belanghebbende is over het jaar 1995 een navorderingsaanslag in de IB/PVV opgelegd naar een belastbaar inkomen van fl. 355.030 (€ 161.106). Tevens is een verhoging opgelegd van fl. 144.000 (€ 65.344), waarvan de Inspecteur geen kwijtschelding heeft verleend. Verder is een bedrag aan heffingsrente in rekening gebracht van fl. 44.460 (€ 20.175). 1.6. Aan belanghebbende is over het jaar 1996 een navorderingsaanslag in de IB/PVV opgelegd naar een belastbaar inkomen van fl. 360.649 (€ 163.655). Tevens is een verhoging opgelegd van fl. 143.999 (€ 65.344), waarvan de Inspecteur geen kwijtschelding heeft verleend. Verder is een bedrag aan heffingsrente in rekening gebracht van fl. 43.568 (€ 19.770). 1.7. Aan belanghebbende is over het jaar 1997 een navorderingsaanslag in de IB/PVV opgelegd naar een belastbaar inkomen van fl. 600.835 (€ 272.647). Verder is een bedrag aan heffingsrente in rekening gebracht van fl. 51.268 (€ 23.264). 1.8. Aan belanghebbende is over het jaar 1998 een navorderingsaanslag in de IB/PVV opgelegd naar een belastbaar inkomen van fl. 373.991 (€ 169.710). Verder is een bedrag aan heffingsrente in rekening gebracht van fl. 36.257 (€ 16.453). 1.9. Aan belanghebbende is over het jaar 1999 een navorderingsaanslag in de IB/PVV opgelegd naar een belastbaar inkomen van fl. 314.721 (€ 142.814). Verder is een bedrag aan heffingsrente in rekening gebracht van fl. 30.904 (€ 14.024). 1.10. Aan belanghebbende is over het jaar 2000 een navorderingsaanslag in de IB/PVV opgelegd naar een belastbaar inkomen van fl. 339.141 (€ 153.895). Verder is een bedrag aan heffingsrente in rekening gebracht van fl. 29.443 (€ 13.361). 1.11. Aan belanghebbende is over het jaar 2001 een navorderingsaanslag in de IB/PVV opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 124.338. Verder is een bedrag aan heffingsrente in rekening gebracht van € 6.626. 1.12. Aan belanghebbende is over het jaar 2002 een navorderingsaanslag in de IB/PVV opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 125.392. Verder is een bedrag aan heffingsrente in rekening gebracht van € 5.104. 1.13. Aan belanghebbende is voor het jaar 2003 een aanslag in de IB/PVV opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 125.523. Verder is een bedrag aan heffingsrente in rekening gebracht van € 7.726. 1.14. Aan belanghebbende is voor het jaar 2004 een aanslag in de IB/PVV opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 125.823. Tevens is een verzuimboete opgelegd van € 113. Verder is een bedrag aan heffingsrente in rekening gebracht van € 8.148. 1.15. Aan belanghebbende is over het jaar 1991 een navorderingsaanslag in de vermogensbelasting (hierna: VB) opgelegd naar een vermogen van fl. 5.588.000 (€ 2.535.724). Verder is een bedrag aan heffingsrente in rekening gebracht van fl. 16.168 (€ 7.337). 1.16. Aan belanghebbende is over het jaar 1993 een navorderingsaanslag in de VB opgelegd naar een vermogen van fl. 5.614.000 (€ 2.547.522). Verder is een bedrag aan heffingsrente in rekening gebracht van fl. 12.167 (€ 5.521). 1.17. Aan belanghebbende is over het jaar 1994 een navorderingsaanslag in de VB opgelegd naar een vermogen van fl. 4.949.000 (€ 2.245.758). Tevens is een verhoging opgelegd van fl. 32.000 (€ 14.521), waarvan de Inspecteur geen kwijtschelding heeft verleend. Verder is een bedrag aan heffingsrente in rekening gebracht van fl. 12.156 (€ 5.516). 1.18. Aan belanghebbende is over het jaar 1995 een navorderingsaanslag in de VB opgelegd naar een vermogen van fl. 4.633.000 (€ 2.102.364). Tevens is een verhoging opgelegd van fl. 32.000 (€ 14.521), waarvan de Inspecteur geen kwijtschelding heeft verleend. Verder is een bedrag aan heffingsrente in rekening gebracht van fl. 10.739 (€ 4.873). 1.19. Aan belanghebbende is over het jaar 1996 een navorderingsaanslag in de VB opgelegd naar een vermogen van fl. 4.639.000 (€ 2.105.086). Tevens is een verhoging opgelegd van fl. 32.000 (€ 14.521), waarvan de Inspecteur geen kwijtschelding heeft verleend. Verder is een bedrag aan heffingsrente in rekening gebracht van fl. 9.880 (€ 4.483). 1.20. Aan belanghebbende is over het jaar 1997 een navorderingsaanslag in de VB opgelegd naar een vermogen van fl. 4.575.999 (€ 2.076.498). Tevens is een verhoging opgelegd van fl. 31.999 (€ 14.521), waarvan de Inspecteur geen kwijtschelding heeft verleend. Verder is een bedrag aan heffingsrente in rekening gebracht van fl. 9.682 (€ 4.394). 1.21. Aan belanghebbende is over het jaar 1998 een navorderingsaanslag in de VB opgelegd naar een vermogen van fl. 4.322.895 (€ 1.961.644). Verder is een bedrag aan heffingsrente in rekening gebracht van fl. 3.972 (€ 1.802). 1.22. Aan belanghebbende is over het jaar 1999 een navorderingsaanslag in de VB opgelegd naar een vermogen van fl. 4.353.999 (€ 1.975.759). Tevens is een boete opgelegd van fl. 27.993 (€ 12.703). Verder is een bedrag aan heffingsrente in rekening gebracht van fl. 6.232 (€ 2.828). 1.23. Aan belanghebbende is over het jaar 2000 een navorderingsaanslag in de VB opgelegd naar een vermogen van fl. 4.447.000 (€ 2.017.961). Tevens is een boete opgelegd van fl. 28.000 (€ 12.706). Verder is een bedrag aan heffingsrente in rekening gebracht van fl. 5.218 (€ 2.368). 1.24. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen voornoemde (navorderings)aanslagen, de daarin begrepen verhogingen, de kwijtscheldingsbesluiten en de beschikkingen. De Inspecteur heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 6 februari 2009 de (navorderings)aanslagen, de verhogingen, de kwijtscheldingsbesluiten en de beschikkingen gehandhaafd. 1.25. Belanghebbende is tegen de uitspraken van de Inspecteur in beroep gekomen bij de rechtbank Arnhem (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft bij uitspraak van 26 oktober 2010 het beroep inzake de verzuimboete IB/PVV 2004 ongegrond verklaard, de overige beroepen gegrond verklaard, de desbetreffende uitspraken van de Inspecteur vernietigd, de navorderingsaanslagen IB/PVV over de jaren 1990, 1992 en 1993 vernietigd, de navorderingsaanslagen IB/PVV over de jaren 1994 tot en met 2002 verminderd tot aanslagen berekend naar een belastbaar inkomen (uit werk en woning) van respectievelijk € 1.117.417, € 112.097, € 114.647, € 110.193, € 120.701, € 93.805, € 104.887, € 51.733 en € 52.787, de aanslagen IB/PVV voor de jaren 2003 en 2004 verminderd tot aanslagen berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van respectievelijk € 52.918 en € 53.218, de navorderingsaanslagen VB over de jaren 1991, 1993 en 1994 vernietigd, de navorderingsaanslagen VB over de jaren 1995 tot en met 2000 verminderd tot aanslagen berekend naar een vermogen van respectievelijk € 1.428.953, € 1.288.282, € 1.259.693, € 1.144.839, € 1.158.954 en € 1.201.156, de beschikkingen heffingsrente voor de jaren vanaf 1998 dienovereenkomstig verminderd, de boete VB 1999 en VB 2000 verminderd tot respectievelijk € 10.162 en € 10.164 en, naar het Hof begrijpt, de verhogingen volledig kwijtgescholden. 1.26. Belanghebbende heeft bij brief van 30 november 2010, ingekomen bij het Hof op 1 december 2010, tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Tegelijkertijd heeft de Inspecteur incidenteel hoger beroep ingesteld. 1.27. Belanghebbende heeft bij brief van 20 oktober 2011 het incidentele hoger beroep beantwoord. 1.28. Belanghebbende heeft op 18 januari 2012 een nader stuk ingediend. 1.29. Tot de stukken van het geding behoren, naast de hiervoor vermelde stukken, het van de Rechtbank ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft alsmede alle stukken die nadien, al dan niet met bijlagen, door partijen in hoger beroep zijn overgelegd. 1.30. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 februari 2012 te Arnhem. De zaken met de nummers 10/00528 tot en met 10/00538 zijn gezamenlijk behandeld. Belanghebbende en de Inspecteur zijn ter zitting verschenen. 1.31. Belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en overgelegd. 1.32. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht. 2. Feiten 2.1. Belanghebbende is directeur en enig aandeelhouder van A bv, welke vennootschap alle aandelen houdt in B bv. Laatstgenoemde vennootschap houdt alle aandelen in C bv. Op 25 december 2003 heeft een juridische fusie plaatsgevonden, waarbij C bv is opgegaan in B bv (beide vennootschappen hierna: B bv). 2.2. B bv heeft speelgoed geïmporteerd uit onder andere het Verre Oosten. Een deel van de inkopen heeft plaatsgevonden via D Limited, een vennootschap die op 8 oktober 1992 is opgericht naar het recht van Hong Kong. De activiteiten van deze vennootschap zijn per 20 juni 1998 voortgezet door D Overseas Limited, een vennootschap opgericht naar het recht van de Britse Maagdeneilanden (beide vennootschappen hierna: D). 2.3. D heeft facturen van leveranciers van speelgoed voldaan voor B bv. D heeft voor deze betaling facturen aan B bv gestuurd met een opslag van een aantal procenten. Op de facturen heeft D tevens een provisie van 5% van het factuurbedrag aan B bv in rekening gebracht voor het testen van het speelgoed en het opmaken van testrapporten. B bv heeft niet alle facturen van D voldaan, waardoor zij ultimo 1994 ongeveer fl. 2.200.000 aan D schuldig was. In of rond het jaar 2000 hebben B bv en D deze schuld omgezet in een geldleningsovereenkomst tot een bedrag van fl. 3.325.000. D heeft voorts een vordering van € 300.000 op E bv, een gefailleerde vennootschap waarin belanghebbende (in)direct een belang heeft gehad. 2.4. In 2005 heeft de Belastingdienst/FIOD-ECD een onderzoek ingesteld bij belanghebbende en B bv. Van dit onderzoek zijn processen-verbaal opgemaakt. Belanghebbende heeft daarbij het volgende verklaard, op welke verklaring hij later is teruggekomen: “D is inderdaad geen onafhankelijke derde, maar is omstreeks 1994, mede op mijn initiatief gekocht bij F, een trust bedrijf in Hong Kong. Ik kan daar in elk geval bepalen welk deel van de inkopen van C ik via D laat lopen. Ook heb ik zelf het provisiepercentage bepaald, en ook het rentepercentage. Uiteindelijk heb ik ook de crediteurenstand [van B bv aan D: Hof] omgezet in een achtergestelde lening, waarbij ook de voorwaarden door mij bepaald zijn.” en “Natuurlijk wist ik dat het niet helemaal goed zat. Anders had ik ook niet zo moeilijk hoeven te doen over het feit dat ik wel een belang, en zeggenschap heb over D, en D dus geen onafhankelijke derde is.” en “Ik heb in eerste instantie zo moeilijk gedaan over mijn zeggenschap en aandeel in D omdat ik dat liever buiten beeld had.” 2.5. G, accountmanager van de H-bank, heeft het volgende verklaard: “Desgevraagd heeft [belanghebbende] mij persoonlijk verteld dat D in feite [belanghebbende] zelf was. Dat weet ik 100% zeker. Het zou gaan om een constructie om een deel van de winst in Hong Kong te laten vallen omdat daar het belastingtarief 16,5 % zou zijn, in plaats van 36% hier in Nederland. Ook de accountant destijds van C B.V. (…) heeft mij persoonlijk verteld dat D (…) in feite [belanghebbende] was. We wilden toen dat deze crediteur achtergesteld zou worden. [Belanghebbende] zou daar voor zorgen, en heeft de vordering omgezet of laten zetten in een achtergestelde lening.” 2.6. I, hoofd van de financiële administratie van B bv, heeft onder meer verklaard: “Binnen het bedrijf X werd gefluisterd dat in Hong Kong ruim 2 miljoen dollar op een bankrekening zou staan welke toebehoorde aan de familie X” 2.7. De zoon van belanghebbende, AX, heeft het volgende verklaard: “Mijn vader is waarschijnlijk belanghebbende en wellicht mede-eigenaar van de firma D. Alle contacten met D hebben via mijn vader gelopen, hij stuurde de medewerksters aan. Dit gebeurde telefonisch (…). Hij heeft in ieder geval J en K opdracht gegeven. Hij gaf opdracht aan ze om de zaken met de leveranciers te regelen en betalingen te verzorgen. De dames zijn vermoedelijk ook gemachtigd voor de bankrekening met het nummer 447-1-042344-9 in het Verre Oosten.” 2.8. D heeft een bankrekening aangehouden bij de L-Bank Hong Kong met nr. 447-1-042344-9. In een emailbericht van 5 maart 1998 aan een medewerker van D, welk bericht is ondertekend door belanghebbende, heeft belanghebbende aan deze rekening gerefereerd als “our USD Savings Account”. 2.9. Enkele facturen aan D werden blijkens een daarop geplaatst stempel “For and on behalf of D Overseas Limited” ondertekend door AX. AX heeft verklaard dat zijn vader hem opdracht heeft gegeven om uit naam van D stukken te ondertekenen. 2.10. Op basis van voornoemd FIOD-onderzoek heeft de Inspecteur (navorderings)aan¬slagen IB/PVV en VB opgelegd. De navorderingsaanslagen IB/PVV over de jaren 1990, 1992 tot en met 1999 en de navorderingsaanslagen VB over de jaren 1991, 1993 tot en met 2000 zijn opgelegd op grond van artikel 16, vierde lid van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR). 2.11. B bv is strafrechtelijk vervolgd. De strafkamer van de rechtbank te Zutphen (hierna: rechtbank Zutphen) heeft B bv bij vonnis van 17 februari 2009 veroordeeld tot een geldboete van € 40.000 wegens het opzettelijk doen van onjuiste aangiften vennootschapsbelasting over de jaren 1998 tot en met 2002. Tegen dit vonnis is B bv in hoger beroep gegaan. 2.12. Belanghebbende is op zijn onder 2.4. genoemde verklaring teruggekomen. Hij heeft ter terechtzitting van de rechtbank Zutphen verklaard: “(…) dat hij via de firma F International Limited te Hong Kong in contact is gekomen met D, dat voor hem aanvankelijk keuringen verrichtte op te importeren speelgoed. Aangezien [belanghebbende] voor zijn bedrijf tevens behoefte kreeg aan kredietmogelijkheden in het Verre Oosten is D later als kredietverschaffer op gaan treden. Toen het in de loop van de jaren 1997, 1998 en 1999 slecht ging met het bedrijf is er een betaalachterstand aan D ontstaan. Deze achterstand in betalingen is later omgezet in een achtergestelde geldlening.” 2.13. Ter zake van de facturen heeft de rechtbank Zutphen in haar vonnis onder meer overwogen, dat zich onder de gedingstukken geen enkel verifieerbaar gegeven bevindt, waaruit zou kunnen blijken dat tegenover de betaling van provisie door belanghebbende aan D enige concrete, reële tegenprestatie is geleverd door D anders dan het betalen van de originele facturen van leveranciers alvorens deze werden doorgezonden aan belanghebbende. Zo ontbreekt enig keuringsrapport, dat wijst op het daadwerkelijk verrichten van keuringsactiviteiten door D. 2.14. Over de onder 2.3 genoemde geldlening is het volgende in het vonnis van de rechtbank Zutphen opgemerkt: “Evenmin bevindt zich onder de gedingstukken enig stuk waaruit kan blijken dat D als onderdeel van de eigen, zelfstandige ondernemingsactiviteiten optrad als kredietverschaffer. Het komt de rechtbank daarbij onaannemelijk voor dat het verschaffen van een krediet tot een bedrag van uiteindelijk bijna Hfl. 3 miljoen voor het leveren van goederen uit het Verre Oosten aan een afnemer in Nederland enkel zou geschieden op basis van een mondelinge overeenkomst, zonder enige afspraak omtrent kredietlimiet, rentepercentages of aflossingsverplichtingen. De rechtbank ziet tevens in de omzetting van de crediteursvordering van D in een achtergestelde lening, grond om aan te nemen dat [belanghebbende] volledige zeggenschap had over de zakelijke activiteiten van D. Immers, deze omzetting met betrekking tot een bedrag van Hfl. 3 miljoen, vastgelegd in een overeenkomst met als vermelde datum 5 maart 2000, heeft plaatsgevonden tegen dermate onzakelijke condities, zoals het volstrekt ontbreken van een termijn of aflossingsverplichtingen, dat niet aannemelijk is dat met een onafhankelijke derde overeenstemming daarover zou zijn bereikt. Daarbij geldt dat de getuigen J, M en N tijdens de verhoren (video-verhoor) door de rechtercommissaris, belast met de behandeling van strafzaken, hebben verklaard dat zij weliswaar hun handtekening onder de overeenkomst herkennen, maar dat zij geen leenovereenkomst d.d. 5 maart 2000 hebben ondertekend en dat F een afschrift van die overeenkomst eerst enkele jaren na de daarop vermelde datum heeft ontvangen.” 2.15. De rechtbank Zutphen heeft een verhoor laten afnemen van twee directrices van F International Limited (hierna: F), J en N. F heeft aan D diensten verleend op het gebied van administratie en handelsdocumentatie. Daarnaast was D gevestigd op hetzelfde adres als F en maakte zij gebruik van hetzelfde telefoonnummer. J heeft verklaard dat haar niet bekend was dat D werknemers had. D was volgens J niet betrokken bij het testen van speelgoed. Haar is de verklaring voorgehouden die belanghebbende heeft afgelegd tegenover de FIOD/ECD. Hij heeft verklaard dat hij met J onderhandeld zou hebben over de provisie die D voor de keuringen heeft verlangd. J heeft desgevraagd ontkend dat zij met belanghebbende een gesprek heeft gehad; F is volgens haar niet betrokken bij de bedrijfsactiviteiten van D. N heeft verklaard dat belanghebbende haar de opdrachten gaf, zoals het overdragen van de activiteiten van D Limited aan D Overseas Limited en de overdracht van vier aandelen aan toonder in D Overseas Limited van belanghebbende aan een trust. 2.16. In een brief die is gedagtekend op 11 januari 2010 en ondertekend door O namens P. Ltd, producent van speelgoed en gevestigd in China, staat het volgende vermeld: “Dear [belanghebbende], On your request we send you by post a letter on behalf of our position to you. We will try to explain in this letter in English our relationship between us from the beginning till now with you and your company. Still you know our relation begins around the 90’s as a business friend. We talk about the situation with regard to controlling toys and the paperwork. So you told as that you needed this letter for the Dutch Tax Administration and therefore we write this letter to you. In this letter we will declare something about the relationship between P Group and D Ltd. Until 1998 D Ltd. was a company settled in Hong Kong. D Ltd. was liquidated in 1998 because Hong Kong became a state of the Republic of China. D Overseas Ltd. was incorporated in 1998 and was settled at the British Virgin Islands and we were the only beneficial owner. At the end of 2002 or near in the beginning of 2003 we gave you four bearer shares for nothing. We did it because we appreciate you’re doing business with us for a long time. You know D Overseas Ltd. is a company which did controlling deliveries of goods, most of the times toys, controlling paperwork and also other things which is related to the delivery of toys. Your company is a client of D Overseas Ltd. We are the lender of money to D Ltd. as an investor, the only lender no one else. We talk until 2000 with you about the creditors position and we were agreed transferring the creditors position into a loan agreement between D Overseas Ltd. and B Group without any collaterals. Together with F Hong Kong we decided at March 2000 to transfer the creditors position into a loan. We believe the loan agreement was signed in June 2001 if we’ve been just informed.” 3. Geschil 3.1. Tussen partijen is in geschil of de Inspecteur terecht en tot het juiste bedrag de inkomsten voor de jaren 1990 en 1992 tot en met 2004, alsmede het vermogen voor de jaren 1991 en 1993 tot en met 2000, heeft gecorrigeerd. Verder is in geschil of de Inspecteur terecht de verhogingen heeft opgelegd en daarvan geen kwijtschelding heeft verleend, de boeten terecht heeft opgelegd en de beschikkingen heffingsrente terecht en tot de juiste bedragen heeft vastgesteld. 3.2. Belanghebbende draagt in zijn hogerberoepschrift hiervoor de volgende geschilpunten aan: 1. Heeft de Inspecteur de navorderingstermijn verder overschreden dan noodzakelijk? 2. Heeft de Inspecteur terecht de bewijslast omgekeerd en verzwaard? 3. Berusten de gecorrigeerde (navorderings)aanslagen op een redelijke schatting? 4. Heeft de Inspecteur terecht een bijtelling voor het privégebruik van de auto toegepast? 5. Heeft de Inspecteur terecht en tot de juiste bedragen verhogingen zonder kwijtschelding en boeten opgelegd? 6. Moet de heffingsrente gematigd worden, omdat de navorderingstermijn is overschreden? 3.3. Belanghebbende concludeert in hoger beroep tot vernietiging van de navorderingsaanslagen IB/PVV 1994 tot en met 1996, 1998 en 1999, alsmede VB 1995 tot en met 1997, 1999 en 2000 en, naar het Hof begrijpt, de daarop betrekking hebbende heffingsrentebeschikkingen vanwege overschrijding van de navorderingstermijn. 3.4. Verder bepleit belanghebbende een vermindering van het inkomen en vermogen. Hij bepleit dat de correcties niet fl. 2.200.000 (IB/PVV 1994 en VB 1995 tot en met 2000) en 6% van fl. 2.200.000 (IB/PVV 1994 tot en met 2000) moeten bedragen, maar fl. 450.000 (IB/PVV 1994 en VB 1995 tot en met 2000) en 6% van fl. 450.000 (IB/PVV 1994 tot en met 2000). Verder dienen volgens belanghebbende de boeten VB 1999 en 2000 te vervallen. 3.5. In incidenteel hoger beroep betoogt de Inspecteur dat de correcties niet fl. 2.200.000 (IB/PVV 1994 en VB 1995 tot en met 2000) en 6% van fl. 2.200.000 (IB/PVV 1994 tot en met 2000) moeten bedragen, maar fl. 3.625.000 (IB/PVV 1990, 1992, 1993 en 1994 en VB 1995 tot en met 2000) en 6% van fl. 3.625.000 (IB/PVV 1994 tot en met 2000). Voorts stelt hij dat voor IB/PVV 2001 tot en met 2004 op grond van artikel 4.14 Wet IB 2001 een fictief rendement van 4% van fl. 3.625.000 in aanmerking moet worden genomen. 3.6. Indien het Hof tot het oordeel zou komen dat voor de IB/PVV 1994 de correctie van het belastbare inkomen geen fl. 3.625.000 bedraagt, verdedigt de Inspecteur bij incidenteel hoger beroep dat deze correctie in de IB/PVV 1990, IB/PVV 1992 en IB/PVV 1993 moet plaatsvinden. 3.7. Verder betoogt de Inspecteur in incidenteel hoger beroep dat – anders dan de Rechtbank heeft overwogen – de verhogingen IB/PVV 1994 tot en met 1996 en de boeten VB 1995 tot en met 1997 wel degelijk zijn opgelegd. In zijn antwoord daarop heeft belanghebbende opgemerkt dat hij de verhogingen en de boeten niet langer betwist, indien het Hof de navorderingsaanslagen in stand laat. 3.8. Voorts stelt de Inspecteur in incidenteel appel dat – anders dan de Rechtbank heeft overwogen – ter zake van de IB/PVV 1994 tot en met 1997 en VB 1995 tot en met 1997 wel degelijk heffingsrente in rekening is gebracht. 4. Overwegingen Verlengde navorderingstermijn 4.1. Belanghebbende heeft voor de navorderingsaanslagen die zijn opgelegd met toepassing van artikel 16, vierde lid van de AWR onder verwijzing naar het arrest HR 26 februari 2010, nr. 43.050bis, LJN BJ9092, BNB 2010/199, betoogd dat de Inspecteur na het verkrijgen van de inlichtingen van de FIOD in mei 2005 die navorderingsaanslagen niet met een redelijke voortvarendheid heeft voorbereid en vastgesteld, aangezien deze eerst in december 2005 zijn opgelegd. 4.2. Uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 11 juni 2009 (gevoegde zaken X en Passenheim-van Schoot), C 155/08 en C-157/08, LJN BI8987, leidt het Hof af dat de artikelen 49 en 56 van het EU-verdrag zich er niet tegen verzetten dat een lidstaat die niet beschikt over aanwijzingen van het bestaan van spaartegoeden die worden aangehouden in een andere lidstaat, voor de belastingheffing over (inkomsten uit) dergelijke tegoeden een langere navorderingstermijn toepast dan de termijn die geldt voor de belastingheffing in verband met tegoeden in de eigen staat. Beschikken de belastingautoriteiten wel over die aanwijzingen, en wordt naar aanleiding daarvan een navorderingsaanslag opgelegd na het verstrijken van de termijn die zou gelden met betrekking tot tegoeden die worden aangehouden in de eigen staat, dan moet de daaruit voortvloeiende beperking van het vrije verkeer worden aanvaard indien de navorderingsaanslag wordt opgelegd met inachtneming van het tijdsverloop dat na het opkomen van de bedoelde aanwijzingen noodzakelijkerwijs is gemoeid met (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.