GERECHTSHOF ARNHEM Sector civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.093.056 (zaaknummer rechtbank 119517 / FARK 11-182) beschikking van de familiekamer van 24 mei 2012 inzake [appellant], wonende te [Woonplaats], verzoekster in het principaal hoger beroep, verweerster in het incidenteel hoger beroep, verder te noemen “de vrouw”, advocaat: mr. M. Huisman te Amersfoort, en [geïntimeerde], wonende te [Woonplaats] (Japan), verweerder in het principaal hoger beroep, verzoeker in het incidenteel hoger beroep, verder te noemen “de man”, advocaat: mr. Strijbis-van der Raaij te Hoorn.
- Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Zutpen van 22 maart 2011 en 31 mei 2011, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.
- Het geding in het principaal en het incidenteel hoger beroep 2.1 Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 30 augustus 2011, is de vrouw in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking van 31 mei
- De vrouw verzoekt het hof die beschikking te vernietigen en in hoger beroep het verzoek van de man alsnog niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel dit verzoek af te wijzen. 2.2 Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 17 oktober 2011, heeft de man het verzoek in hoger beroep van de vrouw bestreden. Daarbij heeft de man tevens incidenteel hoger beroep ingesteld. De man verzoekt het hof in het principaal hoger beroep de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar grieven en verzoeken, althans haar deze te ontzeggen als zijnde rechtens onjuist en onbewezen, met bevestiging van de bestreden beschikking, zo nodig onder aanvulling van de gronden en in het incidenteel hoger beroep de bestreden beschikking ten aanzien van de draagkracht van de man te vernietigen en opnieuw beschikkende de bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 2] (hierna te noemen: [kind 2]) vast te stellen op nihil, althans een bijdrage vast te stellen op een bedrag lager dan € 353,75 per maand, per een datum die het hof juist acht, zo nodig onder aanvulling van de gronden. 2.3 Daarop heeft de vrouw in het incidenteel hoger beroep een verweerschrift ingediend, ingekomen ter griffie van het hof op 30 november 2011, waarin zij het hof verzoekt de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn incidenteel hoger beroep, althans dit hoger beroep af te wijzen. 2.4 Ter griffie van het hof zijn binnengekomen: - op 30 januari 2012 een brief van mr. Huisman van 27 januari 2012 met bijlagen; - op 7 februari 2012 een brief van mr. Huisman van die datum met bijlagen. 2.5 De mondelinge behandeling heeft op 10 februari 2012 plaatsgevonden. De vrouw is in persoon verschenen, bijgestaan door haar advocaat. De vrouw is voorts bijgestaan door I. Hansen, tolk in de Japanse taal. Namens de man is zijn advocaat verschenen. 2.6 Artikel 1.4.3 van het Procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven luidt: “Een belanghebbende legt de stukken waarop hij zich wenst te beroepen, zo spoedig mogelijk over. Uiterlijk op de tiende kalenderdag voorafgaand aan de mondelinge behandeling kunnen nog stukken worden overgelegd, mits in vijfvoud en met toezending in kopie aan iedere overige belanghebbende. Op stukken die nadien worden overgelegd en op stukken waarvan tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat zij niet door iedere overige belanghebbende zijn ontvangen en tegen overlegging waarvan bezwaar is gemaakt, wordt geen acht geslagen, tenzij het hof anders beslist. Omvangrijke stukken die zonder noodzaak op of vlak voor de tiende kalenderdag voorafgaande aan de mondelinge behandeling worden overgelegd, kunnen als in strijd met de goede procesorde buiten beschouwing worden gelaten. 2.7 Desgevraagd heeft mr. Strijbis-van der Raaij ter mondelinge behandeling meegedeeld dat zij voldoende heeft kennisgenomen van de brief van mr. Huisman van 7 februari 2012 met bijlagen, dat zij zich voldoende heeft kunnen voorbereiden op een verweer daartegen en dat zij instemt met overlegging van die bijlagen zonder nadere maatregel van het hof. Het hof slaat daarom ook acht op die bijlagen.
- De vaststaande feiten Ten aanzien van partijen 3.1 Partijen hebben een relatie met elkaar gehad. Uit deze relatie is op [geboortedatum] 2007 [kind 2] geboren. De man heeft [kind 2] erkend. De vrouw oefent alleen het gezag uit. 3.2 Zowel de man als de vrouw bezit de Japanse nationaliteit. 3.3 Bij beschikking van 4 augustus 2009 heeft de rechtbank bepaald dat de man met ingang van 1 mei 2009 ten behoeve van [kind 2] een onderhoudsbijdrage aan de vrouw dient te voldoen van € 1.500,- per maand, welke bijdrage thans na indexering € 1.548,31 bedraagt. 3.4 Bij verzoekschrift, ingekomen bij de rechtbank 27 januari 2011, heeft de man verzocht de beschikking van de rechtbank van 4 augustus 2009 te wijzigen, in die zin dat de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 2] per 1 mei 2009, althans per 28 september 2010, althans per datum verzoekschrift, dan wel een datum die de rechtbank juist acht, op nihil wordt gesteld, althans dat de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 2] wordt verlaagd tot een bedrag dat de rechtbank juist acht per een datum die de rechtbank juist acht. 3.5 De vrouw heeft bij verweerschrift, ingekomen bij de rechtbank op 10 maart 2011 de verzoeken van de man bestreden. 3.6 Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank de beschikking van 4 augustus 2009 gewijzigd en de bijdrage van de man in de kosten van [kind 2] met ingang van 1 februari 2011 op € 353,75 per maand vastgesteld. Ten aanzien van de man 3.7 De man, geboren op [geboortedatum] 1961, is op 28 maart 1986 gehuwd met [A]. Uit het huwelijk is op [geboortedatum] 1988 [kind 1] geboren. Ten aanzien van de vrouw 3.8 De vrouw, geboren op [geboortedatum] 1976, vormt met [kind 2] en [kind 3], geboren op [geboortedatum] 1999, een gezin. 3.9 Volgens de jaaropgaven van de vrouw van 2007 bedroeg het belastbare loon van de vrouw in dat ja[......BV]. BV] (hierna te noemen: [......BV]) € 5.115,- en in Japan € 17.000,-. Volgens de jaaropgaven van 2008 bedroeg het belastbare loon van de vrouw in dat jaar bij [......BV] € 60.094,- en € 1.000,-. De faillissementsuitkering en de werkeloosheidsuitkering van de vrouw bedroegen volgens de jaaropgaven van 2009 in dat jaar € 14.987,- en 9.511,-.
- De motivering van de beslissing 4.1 De rechtbank heeft overwogen dat de onderhavige onderhoudsverplichting wordt beheerst door Nederlands recht. Nu dat oordeel in hoger beroep niet is betwist, zal ook het hof daarvan uitgaan. 4.2 Voor wijziging van een rechterlijke uitspraak op grond van artikel 1:401 lid 4 BW is noodzakelijk, maar ook voldoende, dat de verzoeker aannemelijk maakt dat bij de uitspraak is uitgegaan van onjuiste of onvolledige gegevens en dat deze als gevolg daarvan van de aanvang af niet aan de wettelijke maatstaven heeft beantwoord. Daaronder moet mede worden begrepen het geval dat dit laatste is veroorzaakt door een vergissing van de rechter. De omstandigheid dat tegen de uitspraak waarvan wijziging wordt verzocht een rechtsmiddel openstaat of heeft opengestaan, staat aan toepassing van dit voorschrift niet in de weg. 4.3 Vast staat dat de man in de procedure die heeft geleid tot de beschikking van de rechtbank Zutphen van 4 augustus 2009 waarvan thans wijziging wordt verzocht, geen verweer heeft gevoerd en niet is bijgestaan door een advocaat, zodat de rechtbank het verzoek van de vrouw tot vaststelling van een door de man aan haar te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 2] van € 1500,- per maand als onweersproken heeft toegewezen. De man stelt in de onderhavige procedure dat deze onderhoudsbijdrage nimmer aan de wettelijke maatstaven heeft voldaan doordat bij de vaststelling van deze bijdrage niet is gekeken naar de behoefte van [kind 2] en de draagkracht van partijen. De vrouw betwist dat. 4.4 De vrouw betwist voorts dat de behoefte van [kind 2] € 353,75 per maand bedraagt. Zij stelt dat haar inkomen ten tijde van de geboorte van [kind 2] veel hoger was dan de rechtbank heeft vastgesteld. Zij verwijst ter onderbouwing van haar standpunt naar de jaaropgave van
- Volgens de vrouw was ook het inkomen van de man hoger. Hij werkte bij meerdere werkgevers. Voorts had zij hoge kosten voor kinderopvang. 4.5 De behoefte van een kind dat nooit in gezinsverband met beide ouders heeft geleefd, wordt bepaald door het gemiddelde te nemen van de behoefte berekend op basis van het inkomen van de ene ouder en de behoefte op basis van het inkomen van de andere ouder. De aldus gevonden behoefte kan vermeerderd worden met de netto kosten van kinderopvang, dus na aftrek kinderopvangtoeslag en tegemoetkoming in die kosten door een werkgever. 4.6 Het hof zal, evenals de rechtbank, uitgaan van de inkomensgegevens van de man en de vrouw uit het jaar na de geboorte van [kind 2],
- In beginsel wordt bij de berekening van de behoefte uitgegaan van het jaar van uiteengaan van de ouders. Nu [kind 2] echter nooit in gezinsverband heeft geleefd met beide ouders, zou kunnen worden aangeknoopt bij het jaar van geboorte van het kind. Over 2007 zijn door partijen onvoldoende financiële gegevens in het geding gebracht. Nu partijen kennelijk ter zitting in eerste aanleg zijn overeengekomen dat kan worden uitgegaan van de financiële gegevens van 2008 en hiertegen geen grief is gericht, zal ook het hof van de inkomensgegevens van dat jaar uitgaan. Het hof ziet geen aanleiding om aan te sluiten bij de stelling van de man dat moet worden uitgegaan van het jaar waarin de procedure is begonnen
(2009). 4.7 Het hof hanteert voor de vaststelling van de behoefte van [kind 2] de tabel "Eigen aandeel van ouders in de kosten van kinderen" voor 2008 die behoort bij het rapport Alimentatienormen van de Werkgroep Alimentatienormen. Het hanteert daarbij, evenals de rechtbank, de tabel voor twee kinderen. Volgens het rapport van de Werkgroep Alimentatienormen is uit onderzoek gebleken dat naarmate er meer kinderen tot het huishouden behoren, de totale kosten van de kinderen weliswaar stijgen maar dat de gemiddelde kosten per kind daartegenover dalen. Dat dit in het gezin van de vrouw anders is, is gelet op de betwisting door de man, door haar onvoldoende onderbouwd. 4.8 Het hof gaat aan de zijde van de man uit van het door de rechtbank vastgestelde bruto maandinkomen van de man in augustus 2008 van ¥ 800.000,-, hetgeen neerkomt op een netto maandinkomen van meer dan € 5.000,-. Dat de man, zoals door de vrouw is aangevoerd, een hoger inkomen had omdat hij nog voor andere bedrijven werkte en inkomen had uit Engeland, is tegenover de gemotiveerde betwisting door de man, door haar onvoldoende concreet onderbouwd. Het hof gaat bij de vaststelling van het netto inkomen van de vrouw uit van de jaaropgave 2008, waaruit een belastbaar loon blijkt van € 60.094,- per jaar. Het hof houdt geen rekening met de Japanse jaaropgave, aangezien deze kennelijk betrekking had op een nabetaling van een bonus uit
- Uit de gegevens van de vrouw over 2008 volgt een besteedbaar inkomen van € 3.270,- per maand. Dit besteedbaar inkomen dient te worden verminderd met de door de werkgever vergoede inkomensafhankelijke bijdrage ZVW van € 187,41 per maand, hetgeen leidt tot een netto-inkomen van € 3.083,- per maand. 4.9 Gelet op voorgaande netto maandinkomens is het eigen aandeel van de man in de kosten van [kind 2] € 600,- per maand. Het aandeel van de vrouw in deze kosten is € 340,- per maand. De gemiddelde behoefte van [kind 2] bedraagt aldus € 470,- per maand. 4.10 Het hof ziet geen aanleiding om de behoefte te vermeerderen met de netto kosten van kinderopvang. In beginsel zijn de kosten kinderopvang verdisconteerd in de tabelbedragen. Weliswaar heeft de vrouw hoge oppaskosten, maar de vrouw heeft onvoldoende onderbouwd dat deze kosten noodzakelijk zijn. Gebleken is dat de vrouw sinds medio 2009 niet meer werkt. Dat [kind 3] onder toezicht is gesteld en dat de vrouw voor haar thuis diende te blijven, verklaart niet, dan wel onvoldoende, waarom voor [kind 2] hoge kinderopvangkosten zijn gemaakt. De vrouw heeft haar stelling dat rekening dient te worden gehouden met de kinderopvangkosten onvoldoende onderbouwd. 4.11 De vrouw heeft een grief in het principaal hoger beroep gericht tegen de door de rechtbank vastgestelde ingangsdatum van de wijziging van 1 februari
- Volgens de vrouw had zij de kosten voor de verzorging en opvoeding van [kind 2] al gemaakt en is zij hierdoor in de financiële problemen geraakt. 4.12 Artikel 1:402 BW laat de rechter grote vrijheid bij het vaststellen van de ingangsdatum van de alimentatieverplichting. Drie data liggen als ingangsdatum het meest voor de hand: de datum waarop de omstandigheden zijn ingetreden die voor de onderhoudsverplichting bepalend zijn, de datum van het inleidend processtuk en de datum waarop de rechter beslist. De rechter dient van zijn bevoegdheid tot vaststelling van een bijdrage over een periode in het verleden een behoedzaam gebruik te maken. Het hof hanteert als ingangsdatum van de onderhoudsbijdrage de datum van het inleidende processtuk. Het inleidende processtuk is weliswaar op 27 januari 2011 ingediend, maar het hof ziet aanleiding om voor de overzichtelijkheid evenals de rechtbank uit te gaan van 1 februari
- Naar het oordeel van het hof had de vrouw vanaf die datum ermee rekening kunnen houden dat de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 2] gewijzigd zou kunnen worden. Dat de vrouw in financiële problemen is geraakt, is door haar onvoldoende onderbouwd. Grief 4 in het principaal hoger beroep faalt. 4.13 De vrouw stelt in het principaal hoger beroep voorts dat de draagkracht van de man hoger is dan de door de rechtbank berekende draagkracht. De man stelt in het incidenteel hoger beroep dat (indien hij wordt ontslagen) zijn draagkracht met ingang van 1 maart 2012 niet langer toereikend is om enige bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 2] te betalen. De vrouw betwist dat. 4.14 Het hof stelt voorop dat de man werkzaam en woonachtig is in Japan. Hij is derhalve niet aan het Nederlandse belastingstelsel onderhevig, maar aan het Japanse, waarvan het hof zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet kan vaststellen of dit stelsel raakvlakken heeft met het Nederlandse stelsel. Naar het oordeel van het hof kunnen hierdoor de aanbevelingen zoals verwoord in het rapport alimentatienormen niet op de draagkracht van de man worden toegepast. Het hof zal derhalve in het navolgende een billijkheidsoordeel geven. 4.15 De rechtbank is uitgegaan van een netto besteedbaar maandinkomen van de man van € 4.351,
- De rechtbank heeft dit gebaseerd op de salarisspecificaties van juni tot en met augustus 2010 en het verhandelde ter terechtzitting. Nu het hof niet beschikt over recente verifieerbare salarisgegevens van de man over 2011, ziet het hof aanleiding eveneens van dit bedrag uit te gaan. Ook op dit punt heeft de vrouw haar stelling, dat de man een hoger inkomen geniet omdat hij meerdere bronnen van inkomen heeft, gelet op de gemotiveerde betwisting door de man, onvoldoende concreet onderbouwd. Het hof ziet evenmin aanleiding om aan te knopen bij het inkomen van de man in 2007, zoals door de vrouw is voorgesteld. Ook de stelling van de man dat hij mogelijk met ingang van 1 maart 2012 zijn baan zal verliezen, is niet langer relevant, aangezien de advocaat van de man ter mondelinge behandeling heeft aangegeven dat dit mogelijke ontslag van de baan is en hij bij dezelfde werkgever werkzaam zal blijven. Dit brengt mede dat grief 3 in het principaal hoger beroep en de grief in het incidenteel hoger beroep falen. 4.16 Tegenover dit netto besteedbaar maandinkomen van € 4.351,47 per maand dient aan de zijde van de man in ieder geval rekening te worden gehouden met kosten voor zijn levensonderhoud, verzekeringen op zijn naam en zijn woonlasten (bestaande uit € 1.700,- ingevolge een lening bij zijn ouders en € 400,- huur voor een appartement in Tokyo). 4.17 De hypothecaire lening van de man bij de Japanse bank dient buiten beschouwing te blijven, nu de man geen grief heeft gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat het er voor dient te worden gehouden dat de man deze lening heeft afgelost. Het hof laat voorts de kosten van levensonderhoud van [A] en de verzekeringen op haar naam buiten beschouwen, omdat zij geacht kan worden in haar eigen levensonderhoud te voorzien. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat de man, tegenover de gemotiveerde betwisting door de vrouw, onvoldoende heeft gemotiveerd dat hij in Japan geen sociale en financiële voorzieningen voor ouders van gehandicapte kinderen kan benutten waardoor [A] genoodzaakt zou zijn zich volledig te richten op de verzorging en opvoeding van [kind 1], van wie de man stelt dat hij gehandicapt is. 4.18 Al het voorgaande in aanmerking nemend, is het hof van oordeel dat het, gelet op het netto besteedbaar maandinkomen van de man van € 4.351,47 en de door het hof in aanmerking genomen kosten, in redelijkheid er voor moet worden gehouden dat de man in zijn eigen levensonderhoud kan voorzien en dat hij daarnaast voldoende draagkracht heeft om in de behoefte van [kind 2] van € 470,- per maand te voorzien. 4.19 Het hiervoor overwogene brengt tevens mede dat voldoende aannemelijk is gemaakt dat de – zonder tegenspraak gegeven – beschikking van 4 augustus 2009, waarbij een kinderalimentatie van € 1.500,- per maand is vastgesteld, van meet af aan niet aan de wettelijke maatstaven heeft beantwoord. Grief 1 in het principaal appel faalt.
- De slotsom Grief 2 in het principaal hoger beroep slaagt gedeeltelijk, zodat het hof in het principaal hoger beroep de bestreden beschikking dient te vernietigen en te beslissen als volgt. Nu de grief in het incidenteel hoger beroep faalt, zal dat hoger beroep worden verworpen.
- De beslissing Het hof, beschikkende in het principaal hoger beroep: vernietigt de beschikking van de rechtbank Zutphen van 31 mei 2011 en in zoverre opnieuw beschikkende: wijzigt de beschikking van de rechtbank Zutphen van 4 augustus 2009 en bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van 1 februari 2011 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 2] € 470,- per maand zal betalen, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen; verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad; wijst het meer of anders verzochte af; in het incidenteel hoger beroep: verwerpt het hoger beroep. Deze beschikking is gegeven door mrs. R. Prakke-Nieuwenhuizen, H. van Loo en C.J. Laurentius-Kooter, bijgestaan door mr. E. Baan als griffier, en is op 24 mei 2012 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.