← Nederland

ECLI:NL:GHARN:2012:BW8690

GERECHTSHOF ARNHEM Sector civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.092.892 (zaaknummer rechtbank 115487 JERK 10-812) beschikking van de familiekamer van 31 mei 2012 inzake de stichting Stichting Bureau Jeugdzorg Gelderland, gevestigd te Arnhem, verzoeker in het principaal hoger beroep, verweerster in het incidenteel hoger beroep, verder te noemen “Bureau Jeugdzorg”, advocaat: mr. I.J.M. Schepens te Arnhem, en [geïntimeerden], beiden wonende te [Woonplaats], verweerders in het principaal hoger beroep, verzoekers in het incidenteel hoger beroep, verder te noemen “de pleegouders”, advocaat: mr. A.M.C.J. Klostermann te Utrecht. Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt: [Belanghebbende 1] wonende te [Woonplaats], verder te noemen “de vader”, advocaat: mr. E.J. Moll te Doetinchem, en [Belanghebbende 2], wonende te [Woonplaats], verder te noemen “de moeder”.

  1. Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de meervoudige kamer van de rechtbank Zutphen van 3 september 2010 en 12 mei 2011, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.
  2. Het geding in hoger beroep 2.1 Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 11 augustus 2011, is Bureau Jeugdzorg in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking van 12 mei
  3. Bureau Jeugdzorg verzoekt het hof die beschikking gedeeltelijk te vernietigen en de proceskosten tussen partijen te compenseren. 2.2 Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 24 oktober 2011, hebben de pleegouders het verzoek in hoger beroep van Bureau Jeugdzorg bestreden. Daarbij hebben de pleegouders tevens incidenteel hoger beroep ingesteld. Zij verzoeken het hof het appèl van Bureau Jeugdzorg ongegrond te verklaren en Bureau Jeugdzorg en/of Leger des Heils Jeugdzorg en Reclassering (verder t noemen “LJ&R”) te veroordelen in de proceskosten als vermeld onder punt 47 en 48 van hun verweerschrift. 2.3 Daarop heeft Bureau Jeugdzorg in het incidenteel hoger beroep een verweerschrift ingediend, ingekomen ter griffie van het hof op 6 december 2011, waarin zij het hof verzoekt het verzoek in het incidentele hoger beroep af te wijzen en de proceskosten tussen partijen te compenseren. 2.4 Ter griffie van het hof is op 16 maart 2012 een faxbericht van diezelfde datum met bijlagen van mr. Klostermann ingekomen. 2.5 De mondelinge behandeling heeft op 22 maart 2012 plaatsgevonden. Namens Bureau Jeugdzorg zijn mr. A. Meijers en P. Harmelink verschenen. De pleegouders zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaat.
  4. De vaststaande feiten 3.1 Uit de – inmiddels verbroken – relatie van de vader en de moeder zijn geboren: - [kind 1], op [geboortedatum] 2002 en - [kind 2] op [geboortedatum]
  5. De vader en de moeder zijn gezamenlijk belast met het gezag over de kinderen. De kinderen zijn op 11 februari 2004 door de moeder ondergebracht in het gezin van de pleegouders. 3.2 Bij beschikkingen van 30 januari 2006 heeft de kinderrechter in de rechtbank Zutphen de kinderen onder toezicht gesteld van Bureau Jeugdzorg voor de duur van een jaar, welke termijn nadien steeds is verlengd. 3.3 Bij beschikkingen van 30 januari 2006 heeft de kinderrechter Bureau Jeugdzorg gemachtigd de kinderen uit huis te plaatsen in een voorziening voor verblijf pleegouder 24-uurs. De machtigingen zijn nadien steeds verlengd. 3.4 In 2009 heeft Bureau Jeugdzorg besloten dat de plaatsing van de kinderen bij de pleegouders perspectiefbiedend is en de omgang tussen de kinderen en de vader teruggebracht van eenmaal per veertien dagen naar eenmaal per maand een weekend. 3.5 Bij beschikking van 11 maart 2010 heeft de kinderrechter de machtigingen tot uithuisplaatsing van de kinderen verlengd voor de duur van zes maanden tot 13 september 2010 en het verzoek van Bureau Jeugdzorg voor het overige (verlenging van de machtigingen tot uithuisplaatsing vanaf 13 september 2010 voor de duur van de ondertoezichtstelling) aangehouden aangehouden in afwachting van de resultaten van het onderzoek van het Ambulatorium te Zetten. 3.6 Bij brief van 17 augustus 2010 heeft Bureau Jeugdzorg de pleegouders bericht dat de kinderen met ingang van 20 augustus 2010 zullen worden thuisgeplaatst bij de vader en diens partner. 3.7 Bij brief van 19 augustus 2010 heeft Bureau Jeugdzorg de kinderrechter bericht dat zij haar (aangehouden) verzoek tot verlenging van de machtigingen tot uithuisplaatsing intrekt. 3.8 Bij beschikking van 3 september 2010 heeft de kinderrechter vastgesteld dat de procedure door intrekking is geëindigd. 3.9 Bij brief van 20 augustus 2010 hebben de pleegouders bezwaar gemaakt tegen de thuisplaatsing van de kinderen en ingevolge artikel 1:263 lid 2 sub c van het Burgerlijk Wetboek (BW) Bureau Jeugdzorg verzocht om af te zien van een krachtens de machtiging tot uithuisplaatsing toegestane wijziging van de verblijfplaats van de kinderen (waarbij onder een wijziging van de verblijfplaats mede wordt verstaan de plaatsing van de kinderen bij een ouder die het gezag heeft). 3.10 Bij beslissing van 20 augustus 2010 heeft Bureau Jeugdzorg kenbaar gemaakt dat de uithuisplaatsing van de kinderen wordt beëindigd met ingang van 20 augustus 2010 en dat het verzoek van de pleegouders om af te zien van die beslissing wordt afgewezen. 3.11 Bij verzoekschrift van 23 augustus 2010, ingekomen bij de rechtbank Zutphen, hebben de pleegouders verzocht primair aan Bureau Jeugdzorg op te leggen af te zien van de thuisplaatsing en de uithuisplaatsing van de kinderen bij de pleegouders te continueren, subsidiair tussen de pleegouders en de kinderen een omgangsregeling vast te stellen, inhoudende dat de kinderen eens in de twee weken een weekend en in de andere weken op de woensdagmiddag bij de pleegouders verblijven, alsmede de helft van de vakanties en feestdagen, subsidiair een door de rechtbank juist te achten omgangsregeling vast te stellen, kosten rechtens. 3.12 Bij beschikking van 3 september 2010 heeft de rechtbank Zutphen - de beslissing van Bureau Jeugdzorg van 20 augustus 2010 tot afwijzing van het verzoek van de pleegouders om af te zien van de wijziging van de verblijfplaats van de kinderen vernietigd; - Bureau Jeugdzorg opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in die beschikking is overwogen; - Bureau Jeugdzorg opgedragen alvorens een nieuw besluit te nemen een onderzoek te doen uitvoeren naar de effecten van de thuisplaatsing op de ontwikkeling van de kinderen en of er sprake is van een pervasieve ontwikkelingsstoornis bij [kind 1]; - de behandeling van het verzoek betreffende de omgang tussen de pleegouders en de kinderen verwezen naar de meervoudige kamer van die rechtbank; - iedere verdere beslissing aangehouden. 3.13 Bij aanvullend verzoekschrift van 6 april 2011 hebben de pleegouders de rechtbank verzocht om, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: A. dat verzoek te behandelen ter zitting van 14 april 2011 en zo mogelijk ter zitting uitspraak te doen; B. een bijzonder curator te benoemen, zo mogelijk iemand van de Stichting “Expertisecentrum Kind in de pleegzorg”, die de rechtbank kan adviseren over de beste verblijfplaats van de kinderen; C. uitbreiding van de omgang vast te stellen van een keer in de 14 dagen iedere woensdagmiddag na schooltijd tot ‘s avonds 19.00 uur, en de helft van de vakanties en de vrijdagmiddag vanaf 12.00 uur aansluitend op de huidige omgangsregeling iedere woensdagmiddag na schooltijd tot ’s avonds 19.00 uur en de helft van de vakantie, althans een door de rechtbank juist te achten uitbreiding van de omgang; D. een extern deskundige te benoemen die jeugdpsychiater is en onderzoek kan doen naar de ASS-problematiek van [kind 1]; E. de relevante stukken met betrekking tot de ondertoezichtstelling toe te zenden; F. Bureau Jeugdzorg en/of het LJ & R te veroordelen in de proceskosten. 3.14 Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking van 12 mei 2011 heeft de rechtbank het recht van omgang tussen de kinderen en de pleegouders aldus bepaald, dat de kinderen bij de pleegouders zullen verblijven: - een weekend per veertien dagen van zaterdag 10.00 uur tot zondag 17.00 uur, waarbij de kinderen op zondag bij de vader zullen eten; - één woensdagmiddag per maand, waarbij zij op die woensdag bij de pleegouders zullen eten; - gedurende tien dagen aaneengesloten in de zomervakantie, in onderling overleg met de vader nader te bepalen; - het ene jaar van eerste Kerstdag 10.00 uur tot tweede Kerstdag 17.00 uur (te beginnen in 2011) en het andere jaar van Oudejaarsdag 10.00 uur tot Nieuwjaardag 17.00 uur, telkens om en om; en Bureau Jeugdzorg in de kosten van de procedure veroordeeld, tot op die uitspraak aan de zijde van de pleegouders begroot op € 2.034,-.
  6. De motivering van de beslissing 4.1 Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep hebben partijen desgevraagd hun verzoeken in hoger beroep gepreciseerd. Bureau Jeugdzorg verzoekt het hof de beschikking van 12 mei 2011 te vernietigen voor zover zij daarbij is veroordeeld in de kosten van die procedure, tot op die uitspraak aan de zijde van de pleegouders begroot op € 2.034,-, en opnieuw beschikkende de proceskosten tussen partijen te compenseren. De pleegouders verzoeken het hof het verzoek van Bureau Jeugdzorg af te wijzen en in het incidenteel hoger beroep de beschikking van 12 mei 2011 te vernietigen voor zover Bureau Jeugdzorg daarbij is veroordeeld in de kosten van die procedure en opnieuw beschikkende Bureau Jeugdzorg te veroordelen in de reële kosten van de procedure in beide instanties. 4.2 In haar eerste grief stelt Bureau Jeugdzorg dat niet zij, maar een medewerker van het Leger des Heils ter zitting van de rechtbank van 14 april 2011 is verschenen, en dat zij derhalve niet in de gelegenheid is gesteld om te worden gehoord op het verzoek van de pleegouders om Bureau Jeugdzorg te veroordelen in de door hen gemaakte kosten van de procedure. Het hof is van oordeel dat deze grief faalt. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de landelijke gezinsvoogdijinstellingen, waaronder het Leger des Heils, sinds de inwerkingtreding van de Wet op de jeugdzorg van 2005 onder mandaat van Bureau Jeugdzorg werken. Bovendien staat in de bestreden beschikking als procespartij genoemd: “Leger des Heils namens de Stichting Bureau Jeugdzorg Gelderland”. Gelet op het bovenstaande moet ervan worden uitgegaan dat de medewerker van het Leger des Heils op genoemde zitting is verschenen, is gehoord en heeft gesproken mede namens Bureau Jeugdzorg. Daarbij wordt in het aanvullend verzoekschrift in eerste aanleg al verzocht om Bureau Jeugdzorg (en/of LJ&R) te veroordelen in de proceskosten, zodat Bureau Jeugdzorg ten tijde van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 14 april 2011 van dit verzoek op de hoogte was, althans kon zijn. 4.3 In haar tweede grief stelt Bureau Jeugdzorg dat de rechtbank door een proceskostenveroordeling uit te spreken de pleegouders blijkbaar een zekere mate van genoegdoening heeft willen geven, maar dat dat in die procedure niet mogelijk was, nu de wet daarvoor een andere procedure kent. Bovendien lag volgens Bureau Jeugdzorg een proceskostenveroordeling niet voor de hand, aangezien van de vele door de pleegouders bij de rechtbank ingediende verzoeken slechts het verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling is toegewezen. Het hof oordeelt als volgt. Het mag zo zijn dat de proceskostenveroordeling is uitgesproken in de bestreden beschikking, in welke beschikking slechts het verzoek van de pleegouders tot vaststelling van een omgangsregeling is toegewezen, maar in de tussenbeschikking van 3 september 2010, in welke beschikking iedere verdere beslissing –derhalve ook die ten aanzien van de proceskosten– werd aangehouden, heeft de rechtbank uitgebreid overwogen hetgeen zij in de bestreden beschikking heeft samengevat. Bureau Jeugdzorg heeft bij het nemen van de beslissing tot plaatsing van de kinderen bij de vader veel steken laten vallen. Dit blijkt onder meer uit de uitspraak van de klachtencommissie van de Stichting Bureaus Jeugdzorg Gelderland, waarbij alle klachten van de pleegouders jegens Bureau Jeugdzorg gegrond zijn verklaard. De beslissing tot plaatsing van de minderjarigen bij de vader is onzorgvuldig genomen en de minderjarigen zijn niet voorbereid op deze plaatsing. Daar komt bij dat als Bureau Jeugdzorg niet zo voorbarig te werk was gegaan, er meer oog zou zijn geweest voor de positie van de pleegouders. De pleegouders hebben zich, gelet op het handelen en de houding van Bureau Jeugdzorg, genoodzaakt gevoeld om de procedure bij de rechtbank te starten. Het hof is dan ook van oordeel dat Bureau Jeugdzorg als grotendeels in het ongelijk gestelde partij terecht is veroordeeld in de proceskosten in eerste aanleg, die in dit geval een forfaitair karakter hebben, zodat er, anders dan Bureau Jeugdzorg stelt, geen sprake is van genoegdoening voor de pleegouders. De tweede grief faalt. Het hof zal de bestreden beschikking in zoverre bekrachtigen. 4.4 Ten aanzien van het verzoek van de pleegouders in het incidenteel hoger beroep oordeelt het hof als volgt. Nu de grieven in het principaal hoger beroep falen, ziet het hof eveneens aanleiding om Bureau Jeugdzorg te veroordelen in de proceskosten van de procedure in het principaal hoger beroep aan de zijde van de pleegouders. Het hof bepaalt deze proceskosten op € 1.788,- conform het liquidatietarief (1 punt voor het verzoekschrift in incidenteel hoger beroep en 1 punt voor de verschijning ter zitting van het hof, waarde per punt € 894,-). Het hof ziet echter geen aanleiding om Bureau Jeugdzorg te veroordelen in de reële kosten van de procedures, nu mr. Klostermann bij gelegenheid van de mondelinge behandeling haar desbetreffende verzoek heeft gegrond op een onrechtmatige daad (artikel 6:162 BW). Voor de vergoeding van door een onrechtmatige daad geleden schade is in een (verzoekschrift)procedure als de onderhavige geen plaats. Het hof zal in het incidenteel hoger beroep de kosten compenseren als hierna te melden.
  7. De beslissing Het hof, beschikkende in hoger beroep: in het principaal en het incidenteel hoger beroep: bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Zutphen van 12 mei 2011, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen; veroordeelt de Stichting Bureau Jeugdzorg Gelderland in de kosten van het principaal hoger beroep, tot op deze uitspraak aan de zijde van de pleegouders begroot op € 1.788,-; compenseert de kosten van het incidenteel hoger beroep aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt; wijst het meer of anders verzochte af. Deze beschikking is gegeven door mrs. R. Prakke-Nieuwenhuizen, H.L. van der Beek en A.J.H. Blaisse-Ozinga, bijgestaan door G.E.M. Bours als griffier, en is op 31 mei 2012 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.