GERECHTSHOF ARNHEM Sector civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.084.375 (zaaknummer rechtbank 279634) arrest van de derde kamer van 15 mei 2012 in de zaak van 1. [appellant sub 1], 2. [appellant sub 2], 3. [appellant sub 3], allen wonende te [woonplaats], appellanten in het principaal hoger beroep, geïntimeerden in het incidenteel hoger beroep, advocaat: mr. R.C.V. Mans, tegen: de publiekrechtelijke rechtspersoon de gemeente De Ronde Venen, zetelende te Mijdrecht, geïntimeerde in het principaal hoger beroep, appellante in het incidenteel hoger beroep, advocaat: mr. R.D. Boesveld. Partijen zullen hierna [appellanten] (dan wel afzonderlijk de dochter, de schoonzoon en de vader) en de Gemeente genoemd worden. 1. Het geding in eerste aanleg Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van 24 maart 2010, 2 juni 2010 en 15 december 2010 die de rechtbank Utrecht tussen [appellanten]. als eisers en de Gemeente als gedaagde heeft gewezen. Van laatstgenoemd vonnis is een fotokopie aan dit arrest gehecht. 2. Het geding in hoger beroep 2.1 [appellanten]. hebben bij exploot van 11 maart 2011 de Gemeente aangezegd van voornoemd vonnis van 15 december 2010 in hoger beroep te komen, met dagvaarding van de Gemeente voor dit hof. 2.2 Bij memorie van grieven hebben [appellanten]. drie grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd, heeft/hebben zij bewijs aangeboden en een aantal producties in het geding gebracht. Zij hebben gevorderd dat het hof bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het bestreden vonnis deels zal vernietigen en, opnieuw recht doende de Gemeente zal veroordelen aan hen te betalen een bedrag van € 39.623,43 ter vergoeding van de door hen in de bestuursrechtelijke fase gemaakte proceskosten, dan wel om aan hen bij wijze van schadevergoeding een ander in goede justitie te bepalen bedrag te voldoen, waarbij het uiteindelijke door het hof vastgestelde bedrag moet worden vermeerderd met de daarover vervallen wettelijke rente, alsmede de Gemeente zal veroordelen om ter vergoeding van de door [appellanten]. geleden immateriële schade aan hen een bedrag van € 50.000, - dan wel een ander in goede justitie te bepalen bedrag te voldoen, alsmede de Gemeente zal veroordelen tot betaling van de proceskosten in beide instanties te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het arrest en - voor het geval voldoening van de proceskosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt - te vermeerderen met wettelijke rente over de proceskosten te rekenen vanaf de bedoelde termijn voor voldoening, een en ander met veroordeling van de Gemeente in de kosten van deze procedure. 2.3 Bij memorie van antwoord heeft de Gemeente verweer gevoerd en heeft zij bewijs aangeboden en een aantal producties in het geding gebracht. Zij heeft geconcludeerd dat het hof [appellanten]. niet-ontvankelijk verklaren in hun hoger beroep, althans het hoger beroep ongegrond zal verklaren en het bestreden vonnis, voor zover [appellanten]. in dit vonnis niet-ontvankelijk zijn verklaard althans hun vordering is afgewezen, zo nodig met verbetering en/of aanvulling van de motivering van dit vonnis, zal bekrachtigen, met veroordeling van [appellanten]. in kosten van de eerste aanleg en het hoger beroep. 2.4 Bij dezelfde memorie heeft de Gemeente incidenteel hoger beroep ingesteld zowel tegen het vonnis van de rechtbank Utrecht in het incident van 24 maart 2010 (daartegen richt zich grief I) als tegen voornoemd vonnis van de rechtbank Utrecht van 15 december 2010 (daartegen richt zich grief II) en heeft zij bewijs aangeboden. De Gemeente heeft gevorderd dat het hof voornoemde vonnissen van 24 maart 2010 en 15 december 2010 zal vernietigen, voor zover de rechtbank zich bevoegd heeft verklaard van de vordering van [appellanten]. tot vergoeding van de proceskosten in de doorlopen bezwaar en voorlopige voorzieningsprocedure kennis te nemen en, opnieuw rechtdoende, zich onbevoegd zal verklaren van deze vordering kennis te nemen. De Gemeente heeft voorts gevorderd dat het hof het hoger beroep tegen het vonnis van 15 december 2010, voor zover de Gemeente is veroordeeld tot betaling aan [appellanten]. van een bedrag vaan kosten van juridische bijstand van € 2.030, -, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 november 2008 tot de dag van volledige betaling gegrond zal verklaren, dit vonnis in zoverre zal vernietigen, en opnieuw rechtdoende de desbetreffende vordering van [appellanten]. alsnog zal afwijzen, met veroordeling van [appellanten]. in kosten van de eerste aanleg en het hoger beroep. 2.5 Bij memorie van antwoord in het incidenteel hoger beroep hebben [appellanten]. verweer gevoerd en een productie in het geding gebracht. Zij hebben geconcludeerd dat het hof bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, zich onbevoegd zal verklaren van onderhavig geschil kennis te nemen en het gedeelte van het vonnis van 15 december 2010 wat betreft het oordeel dat de Gemeente aan hen moet voldoen een bedrag aan juridische bijstand van € 2.030, -, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 november 2008 tot de dag van volledige betaling zal bekrachtigen, voor zover noodzakelijk na aanvulling en/of verbetering van gronden, met veroordeling van de Gemeente in de kosten van het geding in beide instanties. 2.6 Ter zitting van 27 april 2012 hebben partijen de zaak doen bepleiten, [appellanten]. door mr. R.C.V. Mans, advocaat te Leiden en de Gemeente door mr. R.D. Boesveld, advocaat te Amsterdam. Beide advocaten hebben daarbij pleitnotities in het geding gebracht. 2.7 Na afloop van de pleidooien heeft het hof arrest bepaald. 3. De vaststaande feiten 3.1 Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.10 van het vonnis van 15 december 2010. 4. De motivering van de beslissing in het principaal en in het incidenteel hoger beroep 4.1 Bij besluit van 12 mei 2009 heeft de Gemeente aan [appellanten]. een last onder dwangsom opgelegd, omdat volgens de Gemeente sprake was van met het bestemmingsplan “Buitengebied De Ronde Venen” strijdig gebruik van het nieuwe bijgebouw en een deel van de linkerzijde van het hoofdgebouw als (tweede) zelfstandige woning; dit besluit is naderhand in de bezwaarfase herroepen. De Gemeente heeft naar aanleiding van het gegrond verklaren van het bezwaar tegen voornoemd dwangsombesluit het verzoek van [appellanten]. om vergoeding van de kosten in de bezwaarfase op grond van de toepasselijke forfaitaire regeling van de proceskosten toegewezen voor een bedrag van € 966, -. [appellanten]. stellen zich echter op het standpunt dat zij recht hebben op volledige vergoeding van de door hen gemaakte kosten van juridische bijstand (ten bedrage van € 39.623,43) omdat de Gemeente, kort gezegd, wist althans had moeten weten dat zij niet mocht handhaven omdat geen sprake was van overtreding van het bestemmingsplan. Naast deze kosten van juridische bijstand vorderen [appellanten]. vergoeding van immateriële schade, welke schade zij, zo begrijpt het hof, stoelen op een onrechtmatige overheidsdaad bestaande uit schending van artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 1 Eerste Protocol EVRM. Voorts dient de vraag beantwoord te worden of de door de Gemeente op 14 november 2008 aan [appellanten]. gerichte vooraanschrijving bestuursdwang (verzonden op 17 november 2008), waarbij de Gemeente aan [appellanten]. onder meer heeft bericht “de bewoning door u en uw gezin te beëindigen binnen vier maanden na verzending van de brief “, een onrechtmatige daad oplevert die tot schadevergoeding verplicht. in het principaal hoger beroep 4.2 [appellanten]. hebben de volgende grieven aangevoerd: Grief 1 De eerste grief richt zich tegen de rechtsoverwegingen 4.4 tot en met 4.7 waarin de rechtbank tot de conclusie komt dat geen sprake is van een “bijzonder geval” als bedoeld in het arrest van de HR van 17 december 2004 (AB 2005,111). In voornoemd arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat in zeer bijzondere gevallen grond bestaat de partij die in een procedure in het ongelijk is gesteld, op grond van onrechtmatige daad te veroordelen tot vergoeding van de gehele schade die de wederpartij als gevolg van het voeren van de procedure heeft geleden. Blijkens de conclusie van de advocaat-generaal moet worden gedacht aan schrijnende gevallen zoals ernstig onzorgvuldig handelen, chicaneus procesgedrag en onredelijk procesgedrag. [appellanten] stellen dat in hun geval hiervan sprake is. Grief 2 [appellanten]. hebben in de inleidende dagvaarding uitvoerig uiteengezet dat de Gemeente artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) en artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM (EP EVRM) heeft geschonden. In het vonnis wordt ten onrechte geen, althans geen expliciete aandacht besteed aan in de dagvaarding ingenomen stellingen dat de Gemeente deze bepalingen uit het EVRM heeft geschonden. Grief 3 De derde grief richt zich tegen rechtsoverweging 4.20 waarin de rechtbank de proceskosten compenseert. 4.3 Grief 1 faalt. Zoals ook door de Hoge Raad in het arrest De Haan/ Staat (HR 17 december 2004, AB 2005, 111) is overwogen, dient ervan te worden uitgegaan dat bij het bestaan van een op de wet gebaseerde forfaitaire regeling van de proceskosten (in dit geval artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)) slechts in zeer bijzondere gevallen grond bestaat de partij die in een procedure in het ongelijk is gesteld (in dit geval de Gemeente), op grond van onrechtmatige daad te veroordelen tot vergoeding van de gehele schade die de wederpartij (in dit geval [appellanten].) als gevolg van het voeren van die procedure heeft geleden. [appellanten]. stellen zich (onder meer uitgewerkt in de randnummers 42-58 van de memorie van grieven) op het standpunt dat het in hun zaak om een dergelijk bijzonder geval gaat omdat - kort weergegeven - de Gemeente tegen beter weten in tot handhaving is overgegaan, terwijl zij onder meer op basis van het rapport van de bouwinspecteur M.W. Brugman (hierna: Brugman) van de Gemeente dat conform de bouwvergunning was gebouwd (productie 4 inleidende dagvaarding) wist, althans had moeten weten dat er geen sprake was van overtreding van het bestemmingsplan. Het hof verwerpt deze stelling. Uit de Parlementaire Geschiedenis bij de Wijziging van de Algemene wet bestuursrecht met betrekking tot de kosten van bezwaar en administratief beroep (kosten bestuurlijke voorprocedures) blijkt dat onder voormelde bijzondere gevallen waarin van het forfaitaire tarief kan worden afgeweken, “zeer schrijnende gevallen” moet worden verstaan (TK 1999/2000, 27 024, nr. 3, p. 7). Volgens de Advocaat-Generaal Wattel in zijn conclusie bij voornoemd arrest zou in dit verband gedacht kunnen worden aan kennelijk chicaneus, althans onredelijk procesgedrag. Van een bijzonder geval op grond waarvan van het forfaitaire tarief moet worden afgeweken is naar het oordeel van het hof in het onderhavige geval geen sprake. Anders dan [appellanten]. naar voren brengen, is niet gebleken dat de Gemeente ten tijde van de handhaving wist, althans had moeten weten dat het feitelijk gebruik van het bijgebouw niet in strijd was met het bestemmingsplan en de verleende vergunning, zodat zij niet (zoals [appellanten]. stellen) tegen beter weten in heeft gehandhaafd. Het feit dat voormelde bouwinspecteur Brugman in zijn reeds genoemde rapport heeft gemeld dat conform de bouwvergunning is gebouwd, wil nog niet zeggen dat de Gemeente hiermee tevens het feitelijk gebruik van het bijgebouw als in overeenstemming met het bestemmingsplan heeft aangemerkt. Dat het voor de Gemeente overduidelijk moest zijn dat er geen sprake was van een dubbele zelfstandige bewoning en dus evenmin van een overtreding, hebben [appellanten]. weliswaar gesteld, maar deze stelling hebben zij, mede in het licht van de gemotiveerde betwisting van de Gemeente dat er voldoende concrete aanwijzingen waren dat sprake was van een tweede zelfstandige woning op het perceel [adres] in [woonplaats], onvoldoende concreet onderbouwd. Aangezien Brugman reeds op 21 april 2008 in zijn rapport vermeldde dat de uitgebouwde woning en het nieuw gebouwde zich goed lenen voor dubbele bewoning en het controle rapport dat op 12 november 2008 door twee medewerkers van de gemeente is uitgebracht, eveneens een dergelijke situatie beschrijft, kon bij de gemeente inderdaad een gegrond vermoeden bestaan dat sprake was van dubbele zelfstandige bewoning. Daaraan stond de eindcontrole door de bouwinspecteur met betrekking tot het naleven van de bouwkundige voorschriften op zichzelf niet in de weg. 4.4 Grief 2 heeft betrekking op de door [appellanten]. gevorderde immateriële schade, die zij stellen te hebben geleden naar aanleiding van de vooraanschrijving van 14 november 2008 (verzonden op 17 november 2008) en het dwangsombesluit van 12 mei 2009. [appellanten]. voeren hiertoe aan dat de Gemeente artikel 8 van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM) op twee wijzen heeft geschonden. In de eerste plaats heeft de Gemeente inbreuk gemaakt op het recht van [appellanten]. op respect van hun familie- en gezinsleven door te eisen dat de familie Samson hun woning diende te verlaten omdat bewoning door drie generaties volgens de Gemeente “dubbele bewoning” oplevert, hetgeen is verboden. Ten tweede heeft de Gemeente artikel 8 EVRM geschonden doordat toezichthouders van de Gemeente tot twee keer toe de woning van [appellanten]. hebben bezocht om daarin controles uit te voeren. Deze controles vormden een inbreuk op het recht van [appellanten]. op respect voor hun privéleven en woning. Daarnaast heeft de Gemeente, aldus [appellanten]., in strijd gehandeld met artikel 1 van het Eerste Protocol van het EVRM (EP EVRM). Zij voeren daartoe het volgende aan. De vader (B.A. van Eenennaam) is eigenaar van de woning. Hij heeft deze woning dusdanig laten verbouwen dat zijn echtgenote, zijn dochter en zijn schoonzoon met elkaar onder één dak zouden kunnen samenwonen. Met voormeld dwangsombesluit van 12 mei 2009 heeft de Gemeente willen verbieden dat drie generaties van één familie in de litigieuze woning zouden wonen, waarbij de Gemeente bovendien heeft geëist dat alle woonvoorzieningen uit de aanbouw zouden worden verwijderd. Met zowel dit besluit als met voormelde vooraanschrijving heeft de Gemeente derhalve het recht van de vader op een ongestoord genot van zijn eigendom geschonden. recht op respect voor het privé- of familieleven; artikel 8 lid 1 EVRM 4.5 Het hof zal eerst een oordeel geven over de vordering van [appellanten]. zoals gestoeld op artikel 8 EVRM. Artikel 8 EVRM luidt als volgt: “1. Een ieder heeft recht op respect voor zijn privé leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie. 2. Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen”. Van een inmenging in het privé-of familieleven van [appellanten]. in de door hen voorgestane zin, is naar het oordeel van het hof geen sprake, nu anders dan [appellanten]. stellen, uit de vooraanschrijving van 14 november 2008 noch uit het dwangsombesluit van 12 mei 2009 blijkt dat de Gemeente [appellanten]. onder druk heeft gezet de woning binnen vier maanden te verlaten, respectievelijk heeft gelast de woning vóór 1 december 2009 te verlaten. Voormelde besluiten kunnen immers redelijkerwijs niet anders worden gelezen dan dat [appellanten]. wordt verzocht de zelfstandige bewoning van het gedeelte dat is bijgebouwd (te weten het bijgebouw en de linkerzijde van het hoofdgebouw) te beëindigen en de (dubbele) woonvoorzieningen te verwijderen. Dit betekent dat het [appellanten]. niet wordt verboden om als familie met elkaar onder één dak te wonen. respect voor de woning; artikel 8 lid 1 EVRM 4.6 Van een inbreuk op het recht op respect voor de woning is evenmin sprake. Volgens vaste rechtspraak vormt een al dan niet aangekondigd huisbezoek door toezichthouders, zoals in dit geval twee handhavingsmedewerkers, een inbreuk op het recht op privacy, en meer in het bijzonder op het huisrecht in de zin van artikel 8 lid 1 EVRM. Als er evenwel sprake is van toestemming van de betrokkene(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.