GERECHTSHOF ARNHEM Sector civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.099.306 zaaknummer rechtbank 279258 / FA RK 09/7661 (echtscheiding) 287406 / FA RK 10-3001 (verdeling) beschikking van de familiekamer van 27 september 2012 inzake [verzoeker], wonende te [woonplaats], verzoeker in het principaal hoger beroep, verweerder in het incidenteel hoger beroep, verder te noemen “de man”, advocaat: mr. R.C.H. Bruinier te Ede, en [verweerster], wonende te [woonplaats], verweerster in het principaal hoger beroep, verzoekster in het incidenteel hoger beroep, verder te noemen “de vrouw”, advocaat: mr. A.A. Bart te Veenendaal. 1. Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Utrecht van 8 september 2010 en 14 september 2011, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. 2. Het geding in het principaal en het incidenteel hoger beroep 2.1 Het hof heeft kennis genomen van de volgende stukken: - het beroepschrift van de man, ingediend bij het gerechtshof Amsterdam; - de beschikking van 12 januari 2012 van het gerechtshof Amsterdam, waarbij de zaak is verwezen naar dit hof (gerechtshof Arnhem); - het verweerschrift, tevens incidenteel hoger beroep van de vrouw; - het verweerschrift in incidenteel hoger beroep van de man. 2.2 De mondelinge behandeling heeft op 5 juli 2012 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. 3. De vaststaande feiten 3.1 Partijen zijn op 28 augustus 2004 op huwelijkse voorwaarden met elkaar gehuwd. Zij hebben de Nederlandse nationaliteit. De vrouw heeft tevens de Braziliaanse nationaliteit. 3.2 In de huwelijkse voorwaarden is onder meer bepaald: "Wettelijke gemeenschap: privé-vermogen Artikel 1 1. Tussen de echtgenoten bestaat de wettelijke gemeenschap van goederen. 2. Van deze gemeenschap zijn echter uitgezonderd: - de goederen en schulden die als aanbreng van een echtgenoot zijn vermeld op na te melden staat van aanbrengsten, waaronder de woning aan de [adres] en de hypothecaire schuld waarvoor deze woning onderpand is; (…) Kosten van de huishouding Artikel 3 1. De kosten van de gemeenschappelijke huishouding komen ten laste van het gemeenschappelijk inkomen van de echtgenoten en, indien dit onvoldoende is, ten laste van ieders inkomen naar evenredigheid. Zijn de inkomens ontoereikend dan komen deze kosten ten laste van het gemeenschappelijk vermogen en, voor zover ook dit ontoereikend is, ten laste van de privé-vermogens naar evenredigheid. Een en ander geldt niet voor zover bijzondere omstandigheden zich daartegen verzetten. 2. Onder de kosten van de huishouding zijn begrepen de kosten van verzorging en opvoeding van de tot het gezin behorende kinderen, de premies voor de gebruikelijke verzekeringen, de kosten van vakanties, de huurprijs van de echtelijke woning en rente van geldleningen die verband houden met de aanschaf van de echtelijke woning en de vakantiewoning. (…)" Aldus is sprake van een wettelijke gemeenschap van goederen, met uitzondering van een aantal goederen en schulden die op de staat van aanbrengsten staan. 3.3 Op de staat van aanbrengsten (behorende bij art. 1 sub 2 van de huwelijkse voorwaarden) staat vermeld welke zaken onder meer aan de man toebehoren, waarbij de bedragen in euro's zijn aangegeven: Suzuki Grand Vitara 16.000 Caravan 22.500 Bankrekeningen 45.000 3.4 Bij beschikking van 8 september 2010 heeft de rechtbank Utrecht de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en voorts onder meer bepaald dat de man ten behoeve van het levensonderhoud van de vrouw een bedrag van € 3.975 per maand en ten behoeve van de kosten van verzorging en opvoeding van hun dochter [naam] een bedrag van € 600,- per maand. De echtscheidingsbeschikking is op 27 september 2010 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. 3.5 De vrouw heeft in haar verzoekschrift tot echtscheiding, voor zover hier van belang, verzocht te bepalen dat de vermogensrechtelijke regeling van het nog in te dienen echtscheidingsconvenant onderdeel zal zijn van de beschikking. 3.5 Na wijziging van zijn verzoek heeft de man onder meer verzocht om veroordeling van de vrouw tot betaling aan hem van een bedrag van € 32.150,- wegens reprise. 3.7 Bij de bestreden, uitvoerbaar bij voorraad verklaarde, beschikking heeft de rechtbank onder andere geoordeeld dat de vordering van de man betreffende de helft van het banksaldo van € 45.000,- en de helft van de opbrengsten van de caravan (€ 9.800,-) en de Suzuki Grand Vitara (€ 9.500,-) niet wordt toegewezen, omdat deze bedragen zijn aangewend ten behoeve van de huishouding/de gemeenschap en omdat tussen partijen nooit is besproken dat de kosten die de man betaalde uit zijn privévermogen op enig moment voor de helft door de vrouw aan hem zou moeten worden terugbetaald, zodat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat de vrouw de desbetreffende bedragen aan de man zou moeten terugbetalen. 4. De omvang van het geschil in hoger beroep 4.1 De man heeft tegen de afwijzing van zijn vordering twee grieven aangevoerd. Hij verzoekt alsnog toewijzing van het hierboven al genoemde bedrag van € 32.150,-. 4.2 De vrouw heeft op haar beurt in incidenteel hoger beroep een grief gericht tegen de vaststelling van de rechtbank dat het banksaldo en de opbrengst van genoemde roerende zaken zijn aangewend ten behoeve van de gemeenschap. Volgens de vrouw dient de man de bewijslast hiervoor te dragen. 5. De motivering van de beslissing 4.1 De rechtbank heeft in de bestreden beschikking van 14 september 2011 de verdeling van de tussen partijen ontbonden huwelijksgemeenschap vastgesteld. Ten aanzien van die verdeling is in dit hoger beroep nog slechts in geschil de vraag of de man een recht heeft op vergoeding in de zin van artikel 1: 95 lid 2 BW wat betreft het banksaldo van € 45.000,-, de opbrengst van de caravan van € 9.800,- en de opbrengst van de Suzuki van € 9.500,- (grieven 1 en 2 van de man en de vraag of het privé vermogen van de man is aangewend ten behoeve van de gemeenschap (incidentele grief vrouw). 4.2 Het hof stelt voorop dat ingevolge artikel 1:95 lid 2 BW, zoals dat gold tot 1 januari 2012, en het daaraan gelijkluidende artikel 1:96 lid 3 eerste volzin BW, zoals dat geldt met ingang van 1 januari 2012, de echtgenoot uit wiens eigen goederen een schuld der gemeenschap is voldaan uit dien hoofde in beginsel recht heeft op vergoeding uit de goederen der gemeenschap. Dit vergoedingsrecht wordt in de rechtspraktijk aangeduid als reprise. Voor zover de reprise niet kan worden voldaan uit de goederen van de gemeenschap heeft die echtgenoot een vordering op de andere echtgenoot voor de helft van het niet voldane bedrag. Dat hier geen sprake is van een situatie dat de man uit zijn privévermogen een gemeenschapsschuld heeft voldaan ter voorkoming van executie of anderszins, staat naar het oordeel van het hof en anders dan de rechtbank heeft beslist niet in de weg aan het ontstaan van een vergoedingsrecht op grond van artikel 1:95 lid 2 (oud) BW en artikel 1:96 lid 3 eerste volzin BW. In zoverre slaagt grief 1 van de man. 4.3 De man stelt dat hij tijdens het huwelijk de aan hem toebehorende caravan en de Suzuki heeft verkocht voor € 9.800,- respectievelijk € 9.500,- en dat de opbrengsten in de gemeenschap zijn gevallen. Deze bedragen en het bedrag van € 45.000,- dat op zijn bankrekening (internetspaarrekening) stond tijdens de huwelijkssluiting, vallen volgens de man buiten de huwelijksgoederengemeenschap, maar zijn aangewend ten behoeve van de gemeenschap. Hij verzoekt daarom veroordeling van de vrouw tot betaling van de helft van deze bedragen. De vrouw betwist deze vordering en stelt achtereenvolgens (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.