GERECHTSHOF ARNHEM Sector belastingrecht nummers 12/00125 uitspraakdatum: 20 november 2012 Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer op het hoger beroep van De Inspecteur van de Belastingdienst/P (hierna: de Inspecteur) tegen de uitspraak van rechtbank te Arnhem van 14 februari 2012, nummer AWB 10/2495, in het geding tussen de Inspecteur en X B.V. te Z (hierna: belanghebbende) 1. Ontstaan en loop van het geding 1.1 Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag overdrachtsbelasting opgelegd van € 66.300, alsmede bij beschikking een vergrijpboete van € 33.150. Tevens is bij beschikking heffingsrente tot een bedrag van € 14.879 in rekening gebracht. 1.2 De Inspecteur heeft bij uitspraken op bezwaar van 1 juni 2010 de naheffingsaanslag en de beschikking heffingsrente gehandhaafd en de boetebeschikking vernietigd. 1.3 Belanghebbende is tegen deze uitspraken op bezwaar in beroep gekomen bij de rechtbank Arnhem (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 14 februari 2012 gegrond verklaard en de uitspraken op bezwaar, de naheffingsaanslag en de beschikking heffingsrente vernietigd. 1.4 De Inspecteur heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend. 1.5 Tot de stukken van het geding behoren, naast voormelde stukken, de van de Rechtbank ontvangen dossiers die op de onderhavige zaken betrekking hebben. 1.6 Het onderzoek ter zitting in hoger beroep heeft plaatsgehad op 11 september 2012 te Arnhem. Aldaar zijn verschenen en gehoord de gemachtigde van belanghebbende en de Inspecteur. Met instemming van partijen is tijdens de zitting gelijktijdig behandeld het hoger beroep van de Inspecteur in de zaak met rolnummer 12/00126 ten name van Q B.V. te R. 1.7 Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt. Een afschrift hiervan is aan deze uitspraak gehecht. 2. Feiten 2.1 A BV, een concern met als hoofdactiviteit het uitoefenen van een grafisch bedrijf, heeft als beleid dat de aan haar en haar groepsmaatschappijen in eigendom toebehorende bedrijfsonroerende zaken worden verkocht en vervolgens weer voor langere tijd worden ingehuurd van de kopers van de onroerende zaken (sale and lease back). 2.2 Belastingadviseur Y heeft met dagtekening december 2002 een memorandum opgesteld waarin in 3 stappen is aangegeven op welke wijze A BV onder meer de onroerende zaak van B BV kan verkopen zonder heffing van overdrachtsbelasting. Stap 1 is dat de vermogensbestanddelen van B BV die niet zullen worden overgedragen aan de kopende partij, worden verkocht aan een andere vennootschap binnen het A concern. Deze kopende partij zal de overdrachtsprijs schuldig blijven. Daardoor wordt op de balans van B BV de waarde van de overgedragen vermogensbestanddelen vervangen door een vordering op de koper. Stap 2 is de overdracht van de aandelen B BV en stap 3 de aflossing van de schuld. 2.3 Eind december 2002 heeft B BV alle activa en passiva die een functie vervullen binnen haar onderneming (een drukkerij), met uitzondering van de onroerende zaak aan de C-weg 1 te S, overgedragen aan een zustervennootschap, waarbij de koopsom is schuldig gebleven. 2.4 Q BV en A BV hebben op 4 april 2003 een koopovereenkomst gesloten, waarbij Q BV onder meer de aandelen B BV heeft gekocht. In deze overeenkomst is vermeld dat het voor wat betreft B BV uitsluitend gaat om de onroerende zaak in verhuurde staat aan de C-weg 1 te S. Huurder is het A concern. Bij akte van levering van 5 september 2003 hebben belanghebbende en Q BV ieder 50 percent van de aandelen in B BV verkregen van A1 BV. Belanghebbende en Q BV zijn de koopprijs schuldig gebleven. Aansluitend zijn overeenkomstig het door het notariskantoor D opgestelde stappenplan de onderlinge vorderingen en schulden tussen alle bij de transacties betrokken partijen afgewikkeld. 3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen 3.1 In geschil is of met toepassing van het leerstuk van fraus legis ter zake van de verkrijging van de aandelen in B BV overdrachtsbelasting verschuldigd is en zo ja, of heffing van overdrachtsbelasting bij overdracht van aandelen in een onroerendezaaklichaam (hierna: OZL) in strijd is met de Europese kapitaalsbelastingrichtlijn. Belanghebbende heeft zich daarbij beroepen op de zaak C-487/09 (Inmogolf) aanhangig bij het Hof van Justitie EU. 3.2 Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de stukken. 3.3 De Inspecteur concludeert tot vernietiging van de bestreden uitspraak en ongegrondverklaring van het beroep, belanghebbende tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank. 4. Beoordeling van het geschil 4.1 Tussen partijen is -naar het oordeel van het Hof terecht- niet in geschil dat, zonder toepassing van het leerstuk van fraus legis, ter zake van de aankoop van de aandelen B BV geen overdrachtsbelasting kon worden geheven op grond van de Wet op belastingen van rechtsverkeer (hierna: WBR) zoals deze destijds luidde. Meer in het bijzonder is niet in geschil dat, naar de tekst van de WBR, B BV niet aangemerkt kon worden als een OZL als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel a, van de WBR. 4.2 De Rechtbank heeft geoordeeld dat het leerstuk van fraus legis in dit geval toepassing mist. De Inspecteur heeft dit oordeel bestreden en heeft daarbij onder meer aangevoerd dat de Rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat fraus legis slechts kan worden toegepast indien belanghebbende de rechtshandelingen heeft verricht, die tot gevolg hebben dat de belasting die zonder die handelingen zou zijn geheven, geheel of gedeeltelijk niet kan worden geheven. 4.3 Voor de toepassing van het leerstuk van fraus legis in een geval als het onderhavige is vereist dat (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.