GERECHTSHOF ARNHEM Sector civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.104.719 beschikking van de familiekamer van 8 november 2012 inzake [verzoeker], wonende te [woonplaats], verzoeker, verder te noemen “de man”, advocaat: mr. B. Breederveld te Alkmaar, en [verweerster], wonende te [woonplaats], verweerster, verder te noemen “de vrouw”, advocaat: mr. D. van Bloemendaal te Ermelo. 1. Het geding 1.1 Bij verzoekschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 30 maart 2012, verzoekt de man het hof de beschikking van het hof Arnhem van 29 augustus 2006 te wijzigen in die zin dat de daarbij bepaalde bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw op nihil wordt gesteld, althans verlaagd op basis van de gestelde feiten en omstandigheden en zoals het hof juist acht, met ingang van 1 januari 2012, althans met ingang van de datum van het verzoekschrift, zijnde 30 maart 2012, en de vrouw te veroordelen om aan de man terug te betalen hetgeen zij na de ingangsdatum teveel aan partneralimentatie zal hebben ontvangen, een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente op een termijn van twee weken na dagtekening van de te geven beschikking. 1.2 Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 25 mei 2012, heeft de vrouw de verzoeken van de man bestreden. De vrouw verzoekt het hof de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoeken dan wel die verzoeken af te wijzen en de man te veroordelen in de daadwerkelijke proceskosten van de vrouw. 1.3 Ter griffie van het hof zijn binnengekomen: - op 8 augustus 2012 een brief van mr. Breederveld van 7 augustus 2012 met bijlagen; - op 13 augustus 2012 een brief van mr. Breederveld van 10 augustus 2012 met bijlage. 1.4 De mondelinge behandeling heeft op 23 augustus 2012 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. 2. De vaststaande feiten Ten aanzien van partijen 2.1 Partijen zijn op 22 augustus 1980 met elkaar gehuwd. Bij beschikking van 6 november 2005 van de rechtbank Zutphen is echtscheiding tussen hen uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op 5 januari 2006 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. 2.2 Bij voormelde echtscheidingsbeschikking heeft de rechtbank voorts en voor zover thans van belang bepaald dat de man met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand en zolang de echtelijke woning van partijen niet is verkocht en de man de hypotheeklast verbonden aan deze woning voldoet, € 3.185,- als bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw zal voldoen, en zodra de echtelijke woning van partijen is verkocht € 3.211,- per maand. 2.3 Bij beschikking van dit hof van 29 augustus 2006 is voormelde echtscheidingsbeschikking ten aanzien van de partneralimentatie vernietigd en heeft het hof voor zover thans van belang bepaald dat de man aan de vrouw met ingang van 5 januari 2006 als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud € 2.822,- per maand zal betalen en met ingang van 15 oktober 2006 € 2.379,- per maand. Deze laatste bijdrage bedraagt met ingang van 1 januari 2012 € 2.630,78. 2.4 Uit het proces-verbaal van comparitie, gehouden op 14 april 2008 bij de rechtbank Zutphen, blijkt dat partijen het volgende zijn overeengekomen (hierna ook wel te noemen “beding niet-wijziging”): (…) 4. De alimentatie zoals vastgesteld door het gerechtshof in Arnhem zal op gelijke hoogte blijven tot [verzoeker] 65 is, met dien verstande dat de wettelijke indexering jaarlijks wordt toegepast en behoudens de situatie dat [verzoeker] niet meer in staat is om het inkomen te verwerven waar het Hof van uit is gegaan en behoudens de situatie van 1:160 BW. [verzoeker] behoudt zich het recht voor om de hoogte van de alimentatie ter discussie te stellen indien hij de leeftijd van 60 jaar heeft bereikt, overigens onder respectering van het recht van [verzoeker] op zijn 60e levensjaar met pensioen te gaan, en waarbij gerekend zal worden met zijn draagkracht en behoefte van [verweerster], een en ander als bedoeld in 1:401 BW. (…) 2.5 Bij verzoekschrift, ingekomen bij de rechtbank Zutphen op 15 februari 2010, heeft de man verzocht bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, voormelde beschikking van het hof van 29 augustus 2006 te wijzigen en de bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw vast te stellen op nihil, althans op een lager bedrag zoals de rechtbank juist acht, met ingang van 1 januari 2010, althans met ingang van 15 februari 2010, en de vrouw te veroordelen om hetgeen zij in 2010 aan partneralimentatie van de man heeft ontvangen aan hem terug te betalen, althans hetgeen zij krachtens de te geven beschikking teveel zal hebben ontvangen aan de man terug te betalen, een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente op een termijn van twee weken na dagtekening van de door de rechtbank te geven beschikking. 2.6 Bij beschikking van de rechtbank Zutphen van 23 november 2010 zijn de verzoeken van de man afgewezen. 2.7 Bij beschikking van dit hof van 6 september 2011 is voormelde beschikking van 23 november 2010 bekrachtigd. Ten aanzien van de man 2.8 De man, geboren op [geboortedatum] 1953, is alleenstaand. Hij is werkzaam als notaris en oefent zijn notarispraktijk uit middels [X] Praktijk B.V., verder te noemen: “Praktijk B.V.” De aandelen van Praktijk B.V. worden gehouden door [X] Beheer B.V., verder te noemen: “Beheer B.V.”, waarvan de man de aandelen houdt. 2.9 Uit de overgelegde jaarstukken van Praktijk B.V. over 2011 blijkt ten aanzien van 2010 en 2011 het volgende: 2010 2011 Praktijkopbrengst € 402.136,- € 461.994,- Praktijkkosten € 446.565,- € 474.938,- Resultaat praktijk voor belasting -/- € 33.631,- -/-€ 2.302,- Resultaat na belasting -/- € 27.258,- -/- € 1.554,- Eigen vermogen € 376.468,- € 84.914,- 2.10 Uit de overgelegde geconsolideerde jaarrekening van Beheer B.V. over 2011 blijkt ten aanzien van 2010 en 2011 het volgende: 2010 2011 Resultaat voor belasting € 30.441,- € 31.647,- Resultaat na belasting -/- € 18.850,- € 23.188,- Groepsvermogen € 1.045.390,- € 1.068.578,- 2.11 De man is in dienst van Praktijk B.V. en heeft in de jaren 2001 tot en met 2008 een salaris ontvangen van € 136.142,- belastbaar per jaar en in de jaren 2009 en 2010 € 136.140,- belastbaar. Blijkens de salarisspecificaties van januari 2012 en augustus 2012 ontvangt de man in 2012 een bruto salaris van € 7.083,33 per maand. De man heeft tot juli 2011 inkomsten uit verhuur van een onroerende zaak aan Praktijk B.V. gehad van € 18.451,- op jaarbasis. Blijkens de aangifte 2011 ontving de man uit verhuur in dat jaar € 15.744,-. Dit inkomen is belast in box 1 als resultaat uit overige werkzaamheden. De man heeft recht op de algemene heffingskorting en de arbeidskorting. 2.12 De lasten van de man bedragen per maand: - € 3.426,- aan hypotheekrente en kosten; - € 104,- aan aflossing gekoppeld aan de hypotheek; - € 95,- aan overige eigenaarslasten; - € 117,86 aan ziektekosten in 2012: - € 99,82 premie basisverzekering ZVW, - € 53,04 premie aanvullende verzekering ZVW, - € 14,- eigen risico, verminderd met het in de bijstandsnorm begrepen nominale deel premie ZVW van € 49,- per maand voor een alleenstaande; - € 231,- aan premie arbeidsongeschiktheidsverzekering; - € 2.083,- aan bijzondere kosten kinderen. Het eigenwoningforfait van de woning bedraagt € 4.584,- per jaar. Ten aanzien van de vrouw 2.13 De vrouw, geboren op [geboortedatum] 1956, is alleenstaand. 3. De motivering van de beslissing 3.1 Ingevolge artikel 329 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (verder te noemen “Rv”) kunnen partijen, in alle voor hoger beroep bij het gerechtshof vatbare geschillen over zaken die ter vrije bepaling van de partijen staan, overeenkomen die geschillen bij de aanvang van het geding dadelijk ter kennis te brengen van het gerechtshof dat in hoger beroep bevoegd zou zijn. 3.2 Gebleken is dat partijen overeenstemming hebben bereikt om hun geschil direct aan het gerechtshof voor te leggen. Ter zitting verklaarden partijen dat zij deze overeenstemming over en weer schriftelijk aan elkaar hebben bevestigd. Op grond van artikel 99 Rv hadden partijen normaal gesproken de rechtbank Zutphen dienen te adiëren. Nu het voorts een geschil over een zaak betreft die ter vrije bepaling van partijen staat, is het hof Arnhem bevoegd daarvan kennis te nemen. 3.3 Aan de orde is de vraag of zich een relevante wijziging van omstandigheden heeft voorgedaan in de zin van artikel 1:401 lid 1 BW. Uitgangspunt bij de beoordeling van deze vraag is de situatie ten tijde van de beschikking van dit hof van 29 augustus 2006. Bij de vaststelling van de draagkracht van de man voor partneralimentatie is daarbij aan de inkomenszijde van de man uitgegaan van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.