GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling Civiel recht Zaaknummer : 200.118.099/01 Zaak/rolnummer rechtbank : 411135/KG ZA 12-853 Arrest d.d. 21 mei 2013 inzake Stichting Woonstad Rotterdam, gevestigd te Rotterdam, principaal appellante, geïntimeerde in het incidenteel appel, hierna te noemen: Woonstad, advocaat: mr. .J.P.Nolet te Den Haag, tegen [geïntimeerde] wonende te Rotterdam, appellante in het incidenteel appel, principaal geïntimeerde, hierna te noemen: [geïntimeerde], advocaat: mr. R.F. Nelisse te Rotterdam. Het geding Woonstad is bij dagvaarding van 3 december 2012 in (spoed)appel gekomen van het tussen partijen gewezen vonnis d.d. 6 november 2012 van de voorzieningenrechter in de rechtbank te Rotterdam. De dagvaarding bevat vijf grieven tegen het vonnis en gaat vergezeld van een aantal producties. [geïntimeerde] heeft de grieven bij memorie van antwoord tevens incidenteel appel (d.d. 8 januari 2013 en met een productie) bestreden en harerzijds twee grieven tegen het vonnis aangevoerd. Hierna heeft Woonstad (op 5 februari 2013) een memorie van antwoord in incidenteel appel genomen en (op 5 maart 2013) een akte uitlaten producties, waarop [geïntimeerde] heeft gereageerd met een antwoordakte houdende uitlating producties (d.d. 2 april 2013). Hierna heeft Woonstad stukken overgelegd en is arrest gevraagd. De beoordeling van het hoger beroep in het principaal en incidenteel appel 1. Tegen de feiten die de rechtbank onder het kopje “2. De feiten” heeft vastgesteld is niet opgekomen. Zij zijn niet in geschil, zodat ook het hof van die feiten zal uitgaan. 2. Heel in het kort gaat het om de vraag of [geïntimeerde], die tijdelijk een woning van Woonstad heeft gehuurd op grond van een overeenkomst als bedoeld in art. 15 van de Leegstandwet, die woning moet ontruimen na opzegging van de overeenkomst door Woonstad op grond van het veroorzaken van structurele overlast aan haar benedenburen. De voorzieningenrechter heeft de vordering tot ontruiming afgewezen en daartegen komt Woonstad op met haar grieven in principaal appel. [geïntimeerde] heeft harerzijds incidenteel appel ingesteld. in het incidenteel appel 3. Volgens de eerste incidentele grief van [geïntimeerde], die het hof het eerst behandelt omdat zij de verste strekking heeft, heeft de voorzieningenrechter ten onrechte het spoedeisend belang van de vordering op basis van de stelling van Woonstad aanwezig geacht. Uit de conclusie van de voorzieningenrechter dat nu juist niet is aangetoond dat sprake was van ernstige overlast volgt volgens [geïntimeerde], dat Woonstad ten onrechte een spoedeisend belang heeft gesteld. 4. Deze grief faalt. Voor de bevoegdheid van de voorzieningenrechter om over een vordering te oordelen (de ontvankelijkheid van de vordering) kan de enkele stelling dat de eisende partij spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorziening volstaan. Of de voorziening ook daadwerkelijk wordt verleend, is afhankelijk van de merites van de zaak en van de afweging van alle belangen van partijen. Dat de voorziening uiteindelijk is geweigerd zegt dus niets over het spoedeisend belang bij een beslissing over de gevraagde voorziening. Met de voorzieningenrechter acht het hof die spoedeisendheid (ook thans nog) aanwezig, reeds op grond van de aard van de vordering. Een gevorderde ontruiming wegens het zonder recht of titel verblijven in een (schaarse) sociale huurwoning dan wel wegens het veroorzaken van ernstige en structurele overlast leent zich voor behandeling in kort geding. 5. Met de tweede incidentele grief komt [geïntimeerde] op tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat haar beroep op art. 21.2 van de algemene voorwaarden bij de huurovereenkomst faalt, omdat art. 3.2 van de huurovereenkomst heeft te gelden als een speciale bepaling die voorrang heeft op algemene voorwaarden. 6. Het hof overweegt als volgt. Volgens genoemd art. 21.2 van de algemene voorwaarden eindigt de huurovereenkomst niet door opzegging door de verhuurder, tenzij de huurder binnen zes weken aangeeft met de opzegging in te stemmen of de kantonrechter op vordering van de verhuurder de datum heeft bepaald waarop de huurovereenkomst zal eindigen. Ingevolge art. 3.2 van de overeenkomst kan zowel de huurder als de verhuurder de (tijdelijk aangegane) overeenkomst tussentijds opzeggen, met inachtneming van de geldende opzegtermijn en met dien verstande dat de huurovereenkomst minimaal voor zes maanden wordt aangegaan. Voor de huurder geldt een termijn van een maand en voor de verhuurder een termijn van drie maanden voor opzegging. Volgens [geïntimeerde] zijn beide bepalingen complementair en niet onderling tegenstrijdig, maar het hof volgt [geïntimeerde] hierin niet. De bepaling van art. 21.2 van de algemene voorwaarden dat de overeenkomst niet door opzegging eindigt is strijdig met de bepaling van art 3.2 van de overeenkomst dat deze wèl door tussentijds opzegging kan eindigen. Voor dat geval (afwijkende bepalingen) is in art. 2.2 van de algemene voorwaarden bepaald dat de bepalingen van de huurovereenkomst, waaronder dus art.3.2, voorgaan. De voorzieningenrechter heeft dus terecht overwogen dat de verhuurder de huurovereenkomst kan opzeggen. 7. Dit betekent dat de grieven in het incidenteel appel falen. Dit appel wordt dan ook verworpen. in het principaal appel 8. Volgens de eerste principale grief heeft de voorzieningenrechter ten onrechte overwogen dat (geparafraseerd) ondanks het feit dat de dwingendrechtelijke huurbeschermingsbepalingen in de overeenkomst buiten toepassing zijn verklaard, een tussentijdse opzegging moet voldoen aan de maatstaven van redelijkheid en billijkheid, te meer nu de opzegging is gegrond op beweerdelijk veroorzaakte overlast en niets van doen heeft met de renovatie in verband waarmee de vergunning tot tijdelijke verhuur op grond van de Leegstandwet is afgegeven. Woonstad betoogt dat de voorzieningenrechter hiermee een verkeerde maatstaf heeft aangelegd. De voorzieningenrechter had art. 6:248, lid 2, BW moeten toepassen. Voor opzegging van een overeenkomst op basis van de Leegstandwet is geen opzeggingsgrond vereist en op grond van genoemd art. 6:248, lid 2, BW is een tussen partijen als gevolg van een overeenkomst geldende regel niet van toepassing voor zover dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, aldus nog steeds Woonstad. Volgens Woonstad is naar die maatstaven niet onaanvaardbaar dat zij de overeenkomst heeft opgezegd, omdat [geïntimeerde] ernstige en structurele overlast veroorzaakt. 9. Naar het oordeel van het hof heeft Woonstad het gelijk aan haar zijde voor wat betreft de aan te leggen maatstaf. Op de huurovereenkomst zijn niet de dwingendrechtelijke bepalingen van boek 7, titel 4, afdeling 5 BW– dus ook niet de beëindigingsgronden van art. 7:274 BW – van toepassing. Woonstad kan de huurovereenkomst dan ook overeenkomstig het bepaalde in art. 3.2 van de overeenkomst opzeggen, tenzij die opzegging naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. 10. [geïntimeerde] beroept zich erop dat de overeenkomst niet mag worden opgezegd, omdat dit in strijd is met de redelijkheid en billijkheid, hetgeen het hof opvat als een beroep op de onaanvaardbaarheid van de opzegging naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid. Het is aan [geïntimeerde], om in dit kort geding voldoende aannemelijk te maken dat van dit laatste sprake is. 11. Bij de beoordeling van de vraag of zij daarin is geslaagd neemt het hof de volgende omstandigheden en de volgende belangen van beide partijen in aanmerking. 12. [geïntimeerde] heeft onmiskenbaar belang bij het behoud van haar woonruimte. Dit belang is naar zijn aard zwaarwegend. Verder voert [geïntimeerde] aan dat de opzegging niet in overeenstemming is met de geest en strekking van de Leegstandwet, omdat deze niet in het leven is geroepen om onenigheid tussen buren te beslechten. 13. Dat de Leegstandwet niet in het leven is geroepen om onenigheid tussen buren te beslechten is juist, maar de overeenkomst brengt wel met zich, dat [geïntimeerde] geen aanspraak kan maken op huurbescherming en dat Woonstad zonder grond de overeenkomst kan opzeggen met inachtneming van een termijn van drie maanden. Woonstad voert aan dat [geïntimeerde] dat ook van begin af aan wist. Haar positie is dus een zwakkere dan die van een huurder die wel de huurbescherming van art. 7:274 BW geniet. 14. Woonstad stelt als haar belangen – zij brengt dit naar voren met haar derde principale grief – ) dat zij tegenover de huurders met wie zij een reguliere huurovereenkomst heeft gesloten de verplichting heeft om gebreken te verhelpen, ) dat zij een financieel belang heeft omdat die huurders de mogelijkheid hebben huurprijsvermindering te vragen en ) dat zij dient te waken voor de leefbaarheid in de buurten en wijken waar haar woningen zijn gelegen. 15. Dit laatste belang (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.