GERECHTSHOF DEN HAAG Team belastingrecht meervoudige kamer Nummer BK-12/00377 Uitspraak van 4 juni 2013 in het geding tussen: [X], wonende te [Z], belanghebbende, en de directeur van de Belastingdienst Haaglanden, de Inspecteur, op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage (thans rechtbank Den Haag) van 21 maart 2012, nummer AWB 11/4612, betreffende na te vermelden aanslag en beschikking. Aanslag, beschikking, bezwaar en geding in eerste aanleg 1.1. De Inspecteur heeft aan belanghebbende een aanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen opgelegd voor het jaar 2007 naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 424.373 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 18.619, en - bij gelijktijdig genomen beschikking - een bedrag van € 6.400 aan heffingsrente in rekening gebracht. 1.2. Bij uitspraken op bezwaar heeft de Inspecteur belanghebbendes bezwaren tegen de aanslag en de beschikking afgewezen. 1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep bij de rechtbank ingesteld. De rechtbank heeft (bij op 17 april 2012 gerectificeerde uitspraak) het volgende beslist, waarbij de rechtbank belanghebbende als eiser en de Inspecteur als verweerder heeft aangeduid: “- verklaart het beroep gegrond; - vernietigt de uitspraak op bezwaar; - vermindert de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 423.160; - vermindert de in rekening gebrachte heffingsrente dienovereenkomstig; - bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar; - veroordeelt verweerder de proceskosten tot een bedrag van € 874 aan eiser te voldoen; - draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 41 aan eiser te vergoeden” Loop van het geding in hoger beroep 2.1. Belanghebbende is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 115. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. 2.2. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 26 februari 2013, gehouden te Den Haag. Aldaar zijn beide partijen verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt. Vaststaande feiten Op grond van de stukken van het geding is in hoger beroep, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door één van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, het volgende komen vast te staan: 3.1. Belanghebbende was in het jaar 2007 als managing director in dienstbetrekking werkzaam bij [A] BV, een in Nederland gevestigde dochtervennootschap van de Zweedse moedermaatschappij [A] AB. [A] BV hield zich bezig met online marketing. 3.2. Op 8 april 2004 heeft [A] BV aan belanghebbende 9.000 warrants (hierna ook aangeduid als: opties) [A] AB toegekend in het kader van het [A] 2004-2007 Incentive Plan. De toekenning van de opties is neergelegd in de overeenkomst “Warrant Transfer Agreement for use in Netherlands”. De voorwaarden waaronder de opties konden worden uitgeoefend zijn aan de overeenkomst gehecht en neergelegd in het stuk “[A] AB CONDITIONS FOR WARRANTS OF SERIES 2004/2007 TO SUBSCRIBE FOR NEW SHARES OF SERIES A” (“conditions”). 3.3. Volgens de “conditions” gaf één optie [A] AB recht op één aandeel [A] AB en konden de opties worden uitgeoefend in achtereenvolgende perioden tegen de na te noemen prijs. Datum toekenning opties: Periode waarin optie kan worden uitgeoefend: Aantal opties: Uitoefenprijs: Geeft recht op: 8 april 2004 1 oktober – 31 december 2005, 2006 of 2007 3.000 Series 1 SEK 75 3.000 aandelen 8 april 2004 1 oktober – 31 december 2006 of 2007 3.000 Series 2 SEK 75 3.000 aandelen 8 april 2004 1 oktober – 31 december 2007 3.000 Series 3 SEK 75 3.000 aandelen 3.4. Volgens de jaarrekening 2005 van [A] AB heeft op 15 september 2005 een aandelensplitsing plaatsgevonden. Eén aandeel [A] AB (nominale waarde SEK 2,40 per aandeel) is toen omgewisseld/gesplitst in zes aandelen [A] AB (nominale waarde SEK 0,40 per aandeel). De wisselverhouding is dus 1:6. 3.5. Als gevolg van de aandelensplitsing op 15 september 2005 zijn de 9.000 opties van belanghebbende “gerepriced en gerenumbered”. Vanaf 15 september 2005 bezit belanghebbende in totaal 54.000 opties [A] AB met een uitoefenprijs van SEK 12,5 per optie. 3.6. Op 30 oktober 2007 heeft belanghebbende een tranche van 18.000 opties uitgeoefend tegen een prijs van (18.000 x SEK 12,5 =) SEK 225.000. De koers van de aandelen [A] AB bedroeg op dat moment SEK 180,44 per aandeel. Gerekend naar het moment van uitoefening bedraagt het met de uitoefening van de opties verkregen voordeel: Waarde aandelen ad (18.000 x 180,44 =) SEK 3.247.920 – totale uitoefenprijs ad SEK 225.000 = SEK 3.022.920. Omgerekend naar euro’s tegen de op 30 oktober 2007 geldende wisselkoers van SEK 1= € 0,1080, bedraagt de netto opbrengst van de uitgeoefende opties (3.022.920 x 0,1080 =) € 326.475,36. 3.7. Over dit bedrag heeft [A] BV in 2007 tegen een tarief van 52 percent loonbelasting ingehouden. 3.8. Op 20 december 2007 zijn de 18.000 aandelen overgeboekt naar het individuele effectendepot van belanghebbende. Bij de overboeking was de koers per aandeel SEK 136, zodat de aandelen op dat moment een waarde vertegenwoordigden van (18.000 x 136) = SEK 2.448.000. Indien bij de berekening van het door belanghebbende met de uitoefening van de opties behaalde voordeel wordt uitgegaan van de waarde van de aandelen op het moment waarop deze op het effectendepot van belanghebbende werden bijgeschreven, bedraagt dit voordeel: Waarde aandelen ad (18.000 x 136 =) SEK 2.448.000 – totale uitoefenprijs ad SEK 225.000 = SEK 2.223.000. Omgerekend naar euro’s tegen de op 20 december 2007 geldende wisselkoers van SEK 1 is € 0,1080, bedraagt de netto opbrengst van de aandelen, hiervan uitgaande, (2.223.000 x 0,1080 =) € 240.084. 3.9. Belanghebbende heeft in zijn aangifte IB/PVV 2007 een loon uit dienstbetrekking aangegeven van € 441.432. In dit bedrag is een bedrag van € 326.475 begrepen in verband met het met de uitoefening van de opties op 30 oktober 2007 behaalde voordeel. Tevens heeft eiser in zijn aangifte een bedrag van € 86.391 aangegeven als negatief loon uit dienstbetrekking, zodat een totaalbedrag aan inkomsten uit dienstbetrekking is aangegeven van € 355.041. 3.10. Het als negatief loon aangegeven bedrag van € 86.391 is het verschil tussen het onder 3.6 genoemde bedrag van € 326.475,36 en het onder 3.8 genoemde bedrag van € 240.084. 3.11. Bij brief van 16 april 2010 heeft de Inspecteur belanghebbende verzocht om een toelichting op het aangegeven negatief loon van € 86.391. Na correspondentie over en weer heeft de Inspecteur met dagtekening 17 december 2010 de definitieve aanslag IB/PVV 2007 opgelegd. De Inspecteur heeft hierbij onder meer het aangegeven negatief loon niet als aftrekpost aanvaard en het belastbaar inkomen uit werk en woning vastgesteld op € 424.373. 3.12. De Inspecteur heeft in het verweerschrift in beroep het standpunt ingenomen dat de aanslag dient te worden verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 423.160. Omschrijving geschil in hoger beroep en standpunten van partijen 4.1. In geschil is of het door belanghebbende ter zake van de uitoefening van het optierecht genoten voordeel bij de vaststelling van de aanslag en na beroep tot het juiste bedrag in aanmerking is genomen zoals door de Inspecteur wordt verdedigd en door belanghebbende wordt betwist. 4.2. Belanghebbende stelt zich primair op het standpunt dat het moment waarop het voordeel wordt genoten en waarnaar het dient te worden berekend is gelegen op het moment van feitelijke levering van de aandelen en heeft daartoe onder meer het volgende aangevoerd: . een recht op uitgestelde levering van aandelen is geen vorm van inkomsten in de zin van de loon- en inkomstenbelasting; . de werkgever levert op het tijdstip van “bestelling” geen prestatie; en . de werknemer heeft op het tijdstip van bestellen niet de beschikkingsmacht verworven over de nog niet bestaande aandelen en mitsdien is op het moment van uitoefening (30 oktober 2007) geen sprake van genieten van een voordeel als bedoeld in artikel 13 Wet LB. Subsidiair stelt belanghebbende zich op het standpunt dat indien aangenomen moet worden dat 30 oktober 2007 wel als genietingsmoment heeft te gelden, op het onder 3.6 becijferde voordeel een korting van 25 percent dient te worden aangebracht wegens de uitgestelde levering. De door de Inspecteur gehanteerde en door de rechtbank gevolgde formule dient te worden verworpen. Meer subsidiair bepleit belanghebbende een korting van 5,5 percent op jaarbasis conform het lock-upbeleid van de staatssecretaris van Financiën zoals dit te kennen is uit de bijlage bij het onderschrift onder de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 29 maart 2012, nr. 09/00340, onder meer gepubliceerd in V-N 18 oktober 2012/52.19 ofwel € 1.441 onder vermindering van de giftenaftrek met € 14. 4.3. De Inspecteur heeft de standpunten van belanghebbende gemotiveerd bestreden. 4.4. Voor de gronden waarop partijen hun standpunten verder doen steunen, verwijst het Hof naar de gedingstukken. Conclusies van partijen 5.1. Het hoger beroep van belanghebbende strekt tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, vernietiging van de uitspraken op bezwaar, vermindering van de aanslag tot een naar een belastbaar inkomen uit werk en woning primair van € 337.118, subsidiair van € 341.938 en meer subsidiair van € 421.705 alsmede dienovereenkomstige wijziging van de beschikking heffingsrente. 5.2. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank. Oordeel van de rechtbank 6. De rechtbank heeft het volgende overwogen, waarbij de rechtbank belanghebbende als eiseres en de Inspecteur als verweerder heeft aangeduid: “Heffingsmoment 17. Ingevolge artikel 10a, eerste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: de Wet LB 1964) behoort, ingeval in het kader van een dienstbetrekking of vroegere dienstbetrekking met een werknemer een aandelenoptierecht is overeengekomen, niet de waarde van dat recht tot het loon doch hetgeen door de werknemer ter zake van de uitoefening of vervreemding van dat recht wordt genoten. Hetgeen partijen verdeeld houdt is de uitleg van de zinsnede “hetgeen ter zake van de uitoefening of vervreemding van dat recht wordt genoten.” 18. Gelet op de duidelijke bewoordingen van artikel 10a, eerste lid, van de Wet LB 1964 is de rechtbank van oordeel dat bij de berekening van het voordeel dat door eiser ter zake van de uitoefening van de opties is genoten, dient te worden uitgegaan van de waarde van de aandelen [A] AB op het moment van uitoefening van de opties (30 oktober 2007). De andersluidende opvatting van eiser vindt geen steun in de tekst van de onder 17. vermelde zinsnede en evenmin in de rechtsgeschiedenis en jurisprudentie. De rechtbank neemt daarbij mede in overweging dat eisers standpunt dat eerst op 20 december 2007 het gerealiseerde voordeel kon worden bepaald, is gebaseerd op Wetsvoorstel 25 721 (aanpassing heffing ter zake van aandelenoptierechten) en niet op de in 2007 geldende wetgeving. 19. Met betrekking tot het bedrag van het voordeel dat eiser met de uitoefening van de opties op 30 oktober 2007 heeft genoten, overweegt de rechtbank het volgende. 20. Ingevolge artikel 13 van de Wet LB 1964 wordt – voor zover hier van belang – niet in geld genoten loon in aanmerking genomen naar de waarde die daaraan in het economische verkeer kan worden toegekend. De werknemer die in het kader van zijn dienstbetrekking aandelen heeft verkregen, geniet loon dat naar de waarde in het economische verkeer van die aandelen in de heffing dient te worden betrokken. Indien de werknemer die aandelen gedurende een bepaalde periode niet kan vervreemden, omdat er zogenoemde “trading restrictions” zijn, kan aan die blokkeringsperiode (hierna: de lock-
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.