ECLI:NL:GHDHA:2013:2265
GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling Civiel Recht Zaaknummer : 200.108.849 /01 Rolnummer Rechtbank : 1244985 CV EXPL 11-31634 Arrest van 9 juli 2013 Inzake:
1 [appellant sub 1], wonende te [woonplaats], 2. [appellant sub 2], wonende te [woonplaats] ([...]), 3. [appellant sub 3], wonende te [woonplaats], 4. [appellant sub 4], wonende te [woonplaats], 5. [appellant sub 5], wonende te [woonplaats], 6. [appellant sub 6], wonende te [woonplaats], 7. [appellant sub 7], wonende te [woonplaats], gemeente [gemeente], 8. [appellant sub 8], wonende te [woonplaats], 9. [appellant sub 9], wonende te [woonplaats], 10. [appellant sub 10], wonende te [woonplaats], 11. [appellant sub 11], wonende te [woonplaats], 12. [appellant sub 12], wonende te [woonplaats], 13. [appellant sub 13], wonende te [woonplaats], 14. [appellant sub 14], wonende te [woonplaats], 15. [appellant sub 15], wonende te [woonplaats], 16. [appellant sub 16], wonende te [woonplaats], 17. [appellant sub 17], wonende te [woonplaats], 18. [appellant sub 18], wonende te [woonplaats], 19. [appellant sub 19], wonende te [woonplaats], 20. [appellant sub 20], wonende te [woonplaats], 21. [appellant sub 21], wonende te [woonplaats], 22. [appellant sub 22], wonende te [woonplaats], 23. [appellant sub 23], wonende te [woonplaats], 24. [appellant sub 24], wonende te [woonplaats], 25. [appellant sub 25], wonende te [woonplaats], 26. [appellant sub 26], wonende te [woonplaats], 27. [appellant sub 27], wonende te [woonplaats], 28. [appellant sub 28], wonende te [woonplaats], 29. [appellant sub 29], wonende te [woonplaats], 30. [appellant sub 30], wonende te [woonplaats], appellanten in het principaal appel, geïntimeerden in het incidenteel appel, hierna te noemen: [appellanten], advocaat: mr. J.P. Heering te Den Haag, tegen: . EUROPE CONTAINER TERMINALS B.V., . ECT HOME TERMINAL B.V., . ECT DELTA TERMMINAL B.V., alle gevestigd te Rotterdam, geïntimeerden in het principaal appel, appellanten in het incidenteel appel, hierna te noemen ECT, advocaat: mr. R.L. van Heusden te Rotterdam.
Het geding Bij exploot van 12 juni 2012 zijn [appellanten] in hoger beroep gekomen van het op 9 maart 2012 door de rechtbank Rotterdam, sector kanton, locatie Rotterdam (hierna: de kantonrechter) tussen partijen gewezen vonnis. [appellanten] hebben zijn vier grieven opgeworpen, die alle bij memorie van antwoord in principaal appel tevens memorie van grieven in incidenteel appel zijn bestreden. In het incidenteel appel heeft ECT één grief opgeworpen, welke grief bij memorie van antwoord in het incidenteel appel (tevens akte van onttrekking van [X]) is bestreden.
Beide partijen hebben arrest gevraagd, onder overlegging van stukken.
In het principaal en incidenteel appel 2. In het vonnis waarvan beroep heeft de kantonrechter een aantal feiten vastgesteld. Daartegen is in hoger beroep niet opgekomen, zodat die feiten tussen partijen vast staan. Het hof zal van die feiten uitgaan.
3.1 ECT is de grootste containerterminal in Europa met circa 2200 werknemers.
3.2 Bij ECT geldt de ECT-CAO (hierna: de CAO). In dezen zijn relevant de CAO die loopt van 1 april 2006 tot 31 maart 2009 en de CAO die loopt van 1 april 2009 tot 1 oktober 2012.
3.3 Bij ECT wordt met verschillende roosters gewerkt. Die roosters zijn vastgesteld in samenspraak met de vakorganisaties en/of de OR en zijn uitgewerkt in de CAO en het ECT-Regelingenboek. Elk rooster heeft zijn eigen specifieke roosterkenmerken en randvoorwaarden. Zo varieert de gemiddelde arbeidsduur per week voor werknemers in de operationele sector van 38,75 uur (voltijds) voor de werknemers in ondermeer de zogenaamde C-dienst, tot 32,55 uur voor werknemers in de E-dienst en tot 31,5 uur voor werknemers in de G-dienst. Afhankelijk van het rooster waarin gewerkt wordt, verschillen ook de gehanteerde vermenigvuldigingsfactor, de schematoeslag, het aantal op te bouwen ADV-dagen en andere beloningsaspecten.
3.4 Ongeveer 70% van alle werknemers van ECT werkt in de E-dienst. In het E-rooster wordt in vijf ploegen volcontinue gewerkt. Werknemers in de E-dienst hebben recht op een fulltime basismaandsalaris ook al werken zij gemiddeld 32,55 uur per week in plaats van 38,75 uur per week, de fulltime werkduur in bijvoorbeeld de C-dienst. Zij (de werknemers in de E-dienst) krijgen een schematoeslag van 30%. Er geldt geen vermenigvuldigingsfactor en die dienst kent geen ADV-dagen. Zij hebben recht op 21 vakantiedagen op jaarbasis.
3.5 In de C-dienst wordt in 2 ploegen gewerkt in een dag- en een avonddienst op werkdagen van maandag tot en met vrijdag. Werknemers in de C-dienst werken voltijds, met een gemiddelde arbeidsduur van, zoals reeds vermeld, 38,75 uur per week. In aanvulling op het bij de functie behorende basismaandsalaris hebben zij (afhankelijk van de datum indiensttreding) recht op een vermenigvuldigingsfactor van 8,27% en een schematoeslag van 11%. Daarnaast hebben zij recht op 6 ADV-dagen en 25 vakantiedagen op jaarbasis.
3.6 De G-dienst - “de wisselploeg”- is een deeltijdrooster, waarin 31,55 uur (oftewel 81,29% van de gemiddelde voltijd arbeidsduur per week van 38,75) wordt gewerkt in een dag- en een avonddienst op maandag tot en met vrijdag en in het weekend. De werkdag is 9 uur.
Werknemers in de G-dienst krijgen als basissalaris 82% van het geldende voltijdsalaris, en hebben (afhankelijk van de datum van indiensttreding) recht op een vermenigvuldigingsfactor van 8,27% en een schematoeslag van 21%. Ook hebben zij naar rato recht op 6 ADV-dagen op jaarbasis en 17,5 vakantiedagen.
3.7 Eisers zijn allen in dienst of in dienst geweest bij ECT en werken of werkten allen in de C- of G-dienst.
3.8 Op grond van een CAO- afspraak uit 2003 zijn de roosters plus beloningsaspecten opgenomen in het ECT-Regelingenboek. De roosters worden aldus, conform art. 27 WOR, gemaakt in samenspraak met de OR; de beloningsaspecten worden overeengekomen met de vakbonden.
3.9 De vermenigvuldigingsfactor is een beloningscomponent welke in samenspraak met de vakbonden in het verleden is afgesproken en waarvan ook is afgesproken dat die niet geldt voor werknemers die op of na 1 oktober 2000 in dienst zijn getreden.
3.10 In zowel de CAO die liep van 1 april 2006 tot 31 maart 2009 als in de CAO die liep van 1 april 2009 tot 1 oktober 2012 is ten aanzien van deeltijdwerken in artikel 17 vastgelegd: “(…) Voor deeltijdwerkers zijn de arbeidsvoorwaarden, zoals vastgelegd in de CAO, op pro rata basis volledig van toepassing.”
3.11 In artikel 21 van de CAO 2006-2009 is het recht op ADV neergelegd. “Art 21:
A. Medewerkers werkzaam in de operationele sector in de A-, C-, C++ en D-dienst hebben recht op zes ADV-dagen op jaarbasis”
Medewerkers kunnen deze ADV-dagen in het betreffende kalenderjaar opnemen in de vorm van vrij opneembaar verlof, dat in overleg met de (direct) leidinggevende in de dagdienst op maandag tot en met vrijdag kan worden opgenomen. (…)”
3.12 Artikel 21 van de CAO 2009-2012 is gelijkluidend aan artikel 21 zoals hiervoor aangehaald, met dien verstande dat het artikel - anders dan het artikel in de voordien geldende CAO - ook van toepassing is op de medewerkers in de G-dienst.
3.13 In de regelingen ten aanzien van de werkschema’s, welke als aanhangsel bij de CAO 2006-2009 is gevoegd en is opgenomen in het ECT-Regelingenboek staat onder het kopje G-dienst: “(…) Arbeidsduur De arbeidsduur is 9 uur per dienst (…) Arbeidsvoorwaarden Basismaandsalaris pro rata op basis van 82% deeltijd dienstverband (31,5 uur per week). (…) Op jaarbasis bestaat er recht op 17,5 vakantiedagen van 9 uur.
ADV-dagen worden niet in tijd uitgekeerd, doch in geld. Eén en ander geschiedt op basis van de volgende uitgangspunten:
3.14 Op 17 november 2010 zijn werkgever en de ondernemingsraad overeengekomen dat het op dat moment geldende Regelingenboek nog zou blijven gelden tot 1 april 2011.
3.15.
ECT gaat er voor de werknemers in de G-dienst van uit dat deze recht hebben op 0,82 maal 6 maal 7,75 uur = 38,13 ADV uren of te wel 4,92 dagen van 7,75 uur.
Omdat de G-dienst een werkdag 9 uur kent, betekent een en ander dat men in de G-dienst omgerekend recht heeft op 4,24 ADV-dagen van 9 uur wanneer deze in tijd wordt genoten.
3.16.
Bij staking wordt loon ingehouden voor niet gewerkte uren. Voor een werknemer in de E-dienst bijvoorbeeld wordt ingehouden per niet gewerkt/gestaakt uur het basismaandsalaris plus schematoeslag plus eventueel vermenigvuldigingsfactor gedeeld door 141,05 (het gemiddeld aantal uren dat in de E-dienst wordt gewerkt), zijnde 0,71% van zijn schemamaandsalaris. Voor een werknemer in de C-dienst bedraagt ingehouden uurloon dan het basismaandsalaris plus schematoeslag plus eventueel vermenigvuldigingsfactor gedeeld door 164,68, het gemiddeld aantal uren dat per maand wordt gewerkt in de C-dienst, hetgeen neerkomt op 0,66% van het schemamaandsalaris per uur.
3.17.
In de Memorie van Toelichting bij artikel 7:648 BW (WOA)staat onder andere waar het gaat over niet gewenste beperking van mogelijkheden van differentiatie van arbeidsvoorwaarden: “(…) Naar aanleiding hiervan is wel de vraag opgeworpen of het verbod van onderscheid op grond van arbeidsduur niet leidt tot belemmering voor ontwikkelingen naar differentiatie van arbeidsduurpatronen en het meer afstemmen van arbeidsvoorwaarden op de individuele behoeften en omstandigheden van werknemers.
Van beperkingen in dit opzicht behoeft echter geen sprake te zijn. Er zal alleen op moeten worden gelet dat vormen van differentiatie en flexibilisering steeds voldoen aan de voorwaarden die voortvloeien uit het verbod van onderscheid op grond van arbeidsduur. (...) Een (…) mogelijk voorbeeld van differentiatie is, dat voor verschillende groepen werknemers verschillende “standaardroosters” met bijbehorende arbeidsvoorwaardenpakketten gelden. Bijvoorbeeld een regeling voor de dagdienst waar 38 uur de gebruikelijke arbeidsduur per week is en een regeling voor de volcontinudienst waar dat 34 uur is. Referentiekader voor de toetsing of al dan niet sprake is van onderscheid op grond van arbeidsduur is in dat geval de groep werknemers, voor wie eenzelfde standaardrooster met bijbehorende arbeidsvoorwaarden geldt. Voor wie in de dagdienst werkt zijn dat de collega’s in dagdienst en voor wie in volcontinudienst werkt de collega’s in de volcontinudienst. Binnen elk van beide regelingen zal aantoonbaar moeten zijn dat ten aanzien van de afzonderlijke arbeidsvoorwaarden in overeenstemming met het verbod van onderscheid op arbeidsduur is gehandeld.”
I. te verklaren voor recht dat het ten opzichte van eisers in strijd is met artikel 7:648 BW en in strijd is met goed werkgeverschap van artikel 7:611 BW dat feitelijke basisuurlonen van werknemers bij ECT verschillen naar gelang ze in E-dienst of een daarvan afgeleid rooster werken, dan wel in de C-dienst of een daarvan afgeleid rooster werken;
II. ECT te veroordelen de salarisbetalingen zo in te richten dat de feitelijke basisuurlonen van eisers, voor zover ze werkzaam zijn in de C- of G-dienst, worden opgetrokken naar de feitelijke basisuurlonen van de werknemers in de E-dienst;
III. ECT te veroordelen om aan eisers alsnog te betalen hetgeen vanaf 1 juni 2006 te weinig betaald is op grond van het te lage feitelijke basisuurloon, verhoogd met de wettelijke rente en de wettelijke verhoging van artikel 7:625 BW;
IV. te verklaren voor recht dat eisers, voor zover werkzaam in de G-dienst, voor 1 januari 2010 jaarlijks recht hadden op uitbetaling van 4,92 ADV-dagen van 9 uur waarbij de waarde van een dag gelijk is aan 6,51% van het toepasselijke basismaandsalaris;
V. ECT te veroordelen om alsnog te betalen hetgeen met ingang van 1 juni 2006 op grond van de onjuiste afrekeningen ADV-dagen te weinig is betaald aan eisers die in die periode in de G-dienst hebben gewerkt, verhoogd met de wettelijke rente en de wettelijke verhoging van artikel 7: 625 BW;
VI. te verklaren voor recht dat eisers, voor zover werkzaam in de G-dienst, met ingang van 1 januari 2010 recht hebben op 6 ADV-dagen van 9 uur;
VII. ECT te veroordelen om alsnog te betalen hetgeen met ingang van 1 januari 2010 te weinig betaald is op grond van de onjuiste afrekeningen ADV-dagen aan eisers die in die periode in de G-dienst hebben gewerkt, verhoogd met de wettelijke rente en de wettelijke verhoging van artikel 7: 625 BW, dan wel om eisers die ADV-dagen in die periode in vrije tijd hebben genoten alsnog de te weinig genoten ADV-dagen te laten genieten;
VIII. te verklaren voor recht dat ECT bij een werkonderbreking op grond van de CAO op het salaris van eisers primair niet meer dan 0,57% van het basismaandsalaris per stakingsuur en subsidiair, voor zover de kantonrechter deze vordering afwijst, niet meer dan 0,59% van het basismaandsalaris per stakingsuur mag inhouden;
IX. ECT te veroordelen om aan eisers alsnog te betalen hetgeen met ingang van 1 juni 2006 te weinig betaald is op grond van te hoge inhouding bij werkonderbreking, verhoogd met de wettelijke rente en de wettelijke verhoging ex 7:625 BW;
X. veroordeling van ECT in de kosten van de procedure.
Verder in het principaal appel 7. [appellanten] kunnen zich met het vonnis van de kantonrechte niet verenigen, reden waarom zij tegen die uitspraak geappelleerd hebben. In hoger beroep vorderen [appellanten] vernietiging van het vonnis van de kantonrechter van 9 maart 2012 voor zover het de uitspraken over het ongelijke feitelijke basisuurloon en de inhouding bij werkonderbrekingen betreft en opnieuw rechtdoende alsnog bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, A. te verklaren voor recht dat het ten opzichte van appellanten in strijd is met artikel 7 7:648 BW en in strijd is met het goed werkgeverschap van artikel 7:611 BW dat feitelijke basisuurlonen van werknemers bij ECT verschillen naar gelang ze in de E- dienst of een daarvan afgeleid rooster werken, dan wel in de C-dienst of een daarvan afgeleid rooster werken;
B. ECT te veroordelen de salarisbetalingen zo in te richten dat de feitelijke basisuurlonen van appellanten, voor zover ze werkzaam zijn in de C- of G-dienst, worden opgetrokken naar de feitelijke basisuurlonen van de werknemers in de E-dienst;
C. ECT te veroordelen om aan appellanten alsnog te betalen hetgeen vanaf 1 juni 2006 te weinig betaald is op grond van het te lage feitelijke basisuurloon, verhoogd met de wettelijke rente en de wettelijke verhoging van artikel 7:625 BW;
D. te verklaren voor recht dat ECT bij een werkonderbreking op grond van de CAO op het salaris van appellanten niet meer dan 0,57% van het basismaandsalaris per stakingsuur mag inhouden;
E. ECT te veroordelen om aan appellanten alsnog te betalen hetgeen met ingang van 1 juni 2006 te weinig betaald is op grond van te hoge inhouding bij werkonderbreking, verhoogd met de wettelijke rente en de wettelijke verhoging ex 7:625 BW;
F. veroordeling van ECT in de kosten van de procedure.
Tussen partijen is onbestreden dat de bezoldiging van werknemers in de C-, G- en E-dienst gebaseerd is op, dan wel afgeleid is van (de G-dienst), het salaris dat verbonden is aan een voltijdsbaan. In die zin wordt gelijke arbeid gelijkelijk beloond. De werknemers in de E-dienst hoeven echter, ondanks hun voltijds aanstelling, voor dat voltijdssalaris daadwerkelijk minder uren te werken dan de bij het voltijdssalaris behorende 38,75 uur, zodat zij feitelijk per gewerkt uur een hoger salaris ontvangen dan de werknemers in de C- en G-dienst, in zoverre is er sprake van een onderscheid. Dat onderscheid hangt echter samen met het feit dat werknemers in de E-dienst werken in een - als zwaarder ervaren - volcontinurooster en de werknemers in de C- en G-dienst niet. Tussen werknemers werkzaam in verschillende roosters is differentiatie in beloning toegestaan, de werkzaamheden worden immers onder verschillende omstandigheden verricht en zijn in die zin niet gelijk in de zin van art. 7:648 BW. Enkel voor werknemers die binnen eenzelfde rooster werken, geldt art. 7:648 BW. Het hof verwijst in dit verband ook naar de onder 3.17 aangehaalde passage uit de MvT bij art. 7:648 BW (WOA).
Ter zake wordt als volgt overwogen.
Voor zover het hof niet expliciet op bepaalde (onderdelen van) grieven is ingegaan zal het hof dat niet alsnog doen, nu een en ander niet kan leiden tot een andere uitkomst als hiervoor aangegeven.
Verder in het incidenteel appel 15. De incidentele grief richt zich tegen de rechtsoverwegingen 4.8 en 4.9 van het bestreden vonnis (berekening ADV-dagen in de G-dienst). In dat verband overweegt het hof het volgende.
De tekst van art. 21 van de CAO 2009-2012 lijkt duidelijk: ook werknemers in de G-dienst hebben recht op zes ADV-dagen, welke dagen in tijd opgenomen kunnen worden. Genoemde bepaling wijkt wel af van hetgeen met betrekking tot werknemers in G-dienst is opgenomen in het ECT-Regelingenboek (zie hierboven onder 3.13). Met de kantonrechter is het hof van oordeel dat de bepaling van de CAO prevaleert boven het bepaalde in het ECT-Regelingenboek.
Voor het beoordelen van de aanspraken als hier aan de orde moet genoemd art. 21 CAO geplaatst worden in de context. Genoemd artikel kent aan werknemers in de G-dienst ongeclausuleerd zes ADV-dagen toe, dit terwijl werknemers in de G-dienst minder uren per week werken maar wel meer uren per dag (namelijk negen uur) dan de werknemers in de C-dienst. Een en ander was partijen die betrokken waren bij het sluiten van de CAO bekend. Desniettemin is de bepaling tot stand gekomen zoals in de CAO opgenomen. Dat zo zijnde mogen werknemers in de G-dienst, als niet bij de totstandkoming van de CAO betrokken, afgaan op de letterlijke tekst van de CAO. Voor werknemers in de G- dienst is een (werk)dag een dag van negen uren. Tegen die achtergrond leveren zes ADV-dagen voor hen 54 uren vrije tijd op. Dat dat voor werknemers in de G-dienst meer uren vrije tijd oplevert dan voor werknemers in de C- dienst (voor wie een werkdag bestaat uit 7,75 uur en die bij zes ADV-dagen recht hebben op 46,5 uur vrije tijd) doet daar niet aan af. De CAO sluitende partijen hadden anders overeen kunnen komen maar hebben dat nagelaten. Mogelijk anders luidende, voor werknemers in de G-dienst niet kenbare, bedoelingen van de CAO sluitende partijen doen niet ter zake.
De slotsom van vorenstaande is dat de kantonrechter terecht en op goede gronden de vordering ter zake van ADV-dagen heeft toegewezen. De incidentele grief faalt. Het bestreden vonnis zal ook wat dit punt betreft worden bekrachtigd. Daarbij past het om ECT te veroordelen in de kosten van het incidenteel beroep.
Beslissing Het hof:
In het principaal en incidenteel appel bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de kantonrechter van 9 maart 2012; veroordeelt [appellanten] in de kosten van het geding in het principaal hoger beroep, aan de zijde van ECT tot op heden begroot op de kosten zoals hieronder nader gespecificeerd : vastrecht : € 666,--; salaris advocaat : € 894,--
Dit arrest is gewezen door mrs. S.R. Mellema, M.H. van Coeverden en Disselkoen, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 juli 2013 in aanwezigheid van de griffier.