GERECHTSHOF DEN HAAG Team Belastingrecht meervoudige kamer nummers BK-12/00444 en 12/00445 Uitspraak van 21 juni 2013 in de gedingen tussen: [X] B.V., statutair gevestigd te [Z], belanghebbende, en de directeur van de Belastingdienst/Haaglanden, de Inspecteur, op de hoger beroepen van de Inspecteur en de incidenteel hoger beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken van de rechtbank Den Haag van 12 april 2012, nummers AWB 11/2473 en AWB 11/2472, betreffende na te vermelden navorderingsaanslag en beschikkingen. Navorderingsaanslag, beschikkingen, bezwaren en gedingen in eerste aanleg Zaak met kenmerk BK-12/00444 1.1. Aan belanghebbende is voor het boekjaar 2007/2008 een aanslag in de vennootschapsbelasting opgelegd naar een belastbaar bedrag van € 221.646. Vervolgens heeft de Inspecteur aan belanghebbende voor dat jaar een navorderingsaanslag in de vennootschapsbelasting opgelegd naar een belastbaar bedrag van € 317.837. 1.2. Bij beschikking heeft de Inspecteur aan belanghebbende op de voet van artikel 67e, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen een boete opgelegd van € 10.995. 1.3. Bij beschikking heeft de Inspecteur aan belanghebbende een bedrag van € 1.359 aan heffingsrente in rekening gebracht. 1.4. Bij uitspraken op bezwaar heeft de Inspecteur de navorderingsaanslag, de boetebeschikking en de beschikking heffingsrente gehandhaafd. 1.5. Belanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep bij de rechtbank ingesteld. 1.6. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraken op bezwaar vernietigd, de navorderingsaanslag verminderd tot een naar een belastbaar bedrag van € 267.450, de boetebeschikking vernietigd, de beschikking heffingsrente aangepast overeenkomstig de vermindering van de navorderingsaanslag, de Inspecteur veroordeeld in de aan belanghebbende te betalen proceskosten van € 1.092,50 en de Inspecteur gelast het griffierecht van € 302 aan belanghebbende te vergoeden. Zaak met kenmerk BK-12/00445 1.7. Belanghebbende heeft op de voet van artikel 17 van de Wet op de omzetbelasting 1968 verzocht om teruggaaf van € 15.443 aan omzetbelasting (€ 114 aan verschuldigde belasting en € 15.557 aan voorbelasting) over het tweede kwartaal van 2008. Dit verzoek is door de Inspecteur bij beschikking afgewezen. 1.8. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur een teruggaaf van € 243 verleend. 1.9. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de rechtbank ingesteld. 1.10. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd, de Inspecteur opgedragen een teruggaaf van omzetbelasting te verlenen tot een bedrag van € 15.200, de Inspecteur veroordeeld in de aan belanghebbende te betalen proceskosten van € 1.092,50 en de Inspecteur gelast het griffierecht van € 302 aan belanghebbende te vergoeden. Gedingen in hoger beroep 2.1. De Inspecteur is van de uitspraken van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. 2.2. Belanghebbende heeft verweerschriften ingediend en heeft tevens incidenteel hoger beroepen ingesteld. De incidenteel hoger beroepen heeft de Inspecteur beantwoord. De Inspecteur heeft conclusies van repliek ingediend, waarop belanghebbende heeft gereageerd met conclusies van dupliek. Voorts heeft het Hof op 28 februari 2013 nadere stukken van de zijde van belanghebbende ontvangen, welke in afschrift zijn toegezonden aan de Inspecteur. 2.3. De mondelinge behandeling van de zaken heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 17 mei 2013, gehouden te Den Haag. Partijen zijn verschenen. 2.4. Ter zitting zijn de zaken gezamenlijk behandeld. Voor zover door partijen stukken zijn overgelegd, worden die stukken geacht in beide procedures te zijn overgelegd. Tevens wordt hetgeen door partijen voor het overige is aangevoerd, aangemerkt als te zijn aangevoerd in beide zaken. Vaststaande feiten Op grond van de stukken van het geding is in hoger beroep, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, het volgende komen vast te staan: 3.1. Belanghebbende is opgericht op 25 juli 2007. De bestuurders/aandeelhouders van belanghebbende zijn [A] B.V. ([A] BV), waarvan de heer [B] enig aandeelhouder is, en [C] B.V. ([C] BV), waarvan de heer [D] enig aandeelhouder is. [A] BV en [C] BV bezitten ieder 50 percent van de aandelen in belanghebbende. 3.2. Belanghebbende houdt zich bezig met werkzaamheden in de tunnelbouw. Zij verleent technische ondersteuning voor industriële machines. [B] en [D] worden door belanghebbende ieder op een persoonlijk contract ingehuurd, waarbij de facturering via belanghebbende loopt. In 2008 hebben [B] en [D] voornamelijk gewerkt voor één opdrachtgever, te weten [E] BV voor "het inbedrijfstellen van installaties met de daarbij behorende administratieve handelingen ten behoeve van het project [project]". 3.3. [F] is een kostenmaatschap waar in elk geval [G] B.V. en [H] B.V. in samenwerken. [I] is directeur van [H] B.V. [F] heeft geen eigen omzetbelastingnummer of (bank)rekeningnummer. Belanghebbende maakt gebruik van de diensten van [F] voor onder meer (reguliere) administratieve werkzaamheden en haar fiscale aangiften. 3.4. [F] heeft met dagtekening 12 mei 2008 een factuur (de factuur) gestuurd aan belanghebbende met een te betalen bedrag van in totaal € 95.200, bestaande uit een bedrag van € 80.000 wegens "voor u verrichte en te verrichten werkzaamheden op uurbasis" en een bedrag van € 15.200 aan omzetbelasting. Op de factuur wordt belanghebbende verzocht het bedrag te betalen op een rekeningnummer ten name van [H] B.V. Tevens is op de factuur het omzetbelastingnummer van [H] B.V. vermeld. 3.5. De factuur vermeldt niet welke werkzaamheden zijn verricht en niet wanneer deze zijn verricht. Er is geen offerte, opdracht of overeenkomst opgesteld. Belanghebbende en [H] B.V. hebben ook overigens geen enkele vastlegging dan wel andere bescheiden (zoals bijvoorbeeld urenstaten) waaruit van een prestatie van [H] B.V. aan belanghebbende blijkt die ten grondslag ligt aan de factuur. 3.6. Belanghebbende heeft het bedrag van de factuur betaald aan [H] B.V. op het op de factuur genoemde rekeningnummer. De omzetbelasting heeft zij bij haar aangifte voor de omzetbelasting over het tweede kwartaal van 2008 als voorbelasting teruggevraagd. 3.7. Belanghebbende heeft voor het onderhavige tijdvak (2007/2008) in eerste instantie aangifte voor de vennootschapsbelasting gedaan naar een belastbaar bedrag van € 221.646. Daarbij heeft zij onder andere het voornoemde bedrag van € 80.000 ten laste van de belastbare winst over 2008 gebracht. 3.8. De Inspecteur heeft een boekenonderzoek bij belanghebbende ingesteld. Een afschrift van het met dagtekening 13 november 2009 opgemaakte controlerapport behoort tot de gedingstukken. Voorts heeft de Inspecteur een derdenonderzoek bij [H] B.V. ingesteld. De Inspecteur heeft geconstateerd dat [H] B.V. de omzetbelasting op de factuur niet op aangifte heeft voldaan. Naar aanleiding daarvan heeft de Inspecteur op 24 juli 2011 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting aan (de rechtsopvolgers van) die BV opgelegd. 3.9. Naar aanleiding van de bevindingen van het boekenonderzoek heeft de Inspecteur geconcludeerd dat het bedrag van € 80.000 ten onrechte ten laste van de belastbare winst over 2008 is gebracht. Voorts heeft de Inspecteur daarbij geconcludeerd dat ten onrechte uitgaven betreffende markiezen en een hekwerk voor het huis van [B] alsmede tuingereedschap ten laste van de belastbare winst zijn gebracht. Tot slot heeft de Inspecteur het bedrag aan omzetbelasting van € 15.200 niet als voorbelasting in aftrek toegestaan. 3.10. Daar vanuit gaande heeft de Inspecteur de hier in geding zijnde navorderingsaanslag opgelegd waarbij hij het belastbare bedrag als volgt heeft vastgesteld: Aangegeven belastbare winst € 221.646 Bij: niet aftrekbare advieskosten € 80.000 Bij: correctie markiezen € 7.479 Bij: correctie hekwerk € 4.000 Bij: correctie tuingereedschap € 4.712 Vastgestelde belastbare winst € 317.837 Daarbij heeft de Inspecteur een boete opgelegd van € 10.995 (50% van de over de correcties verschuldigde belasting). 3.11. Belanghebbende heeft nadien voor het onderhavige tijdvak een herziene aangifte voor de vennootschapsbelasting ingediend naar een belastbaar bedrag van € 267.150. Daarbij is het bedrag van € 80.000 wederom ten laste van de belastbare winst gebracht, evenals de afschrijvingskosten over het hekwerk ten bedrage van € 300 en het (tuin)gereedschap ten bedrage van € 233. Geschillen in hoger beroep en standpunten van partijen Zaak met kenmerk BK-12/00444 4.1. Tussen partijen is in geschil of de factuur van [H] B.V. ten bedrage van € 80.000 exclusief omzetbelasting en de afschrijving op het tuingereedschap terecht niet in aftrek op de winst zijn toegelaten en of de boete terecht is opgelegd, zoals de Inspecteur stelt en belanghebbende betwist. Daarbij is voorts de bewijslastverdeling tussen partijen in geschil. Niet langer in geschil is dat de aanschaffingskosten van de markiezen ten bedrage van € 7.479 ten onrechte door de Inspecteur zijn gecorrigeerd, omdat belanghebbende deze kosten niet in aftrek had gebracht. Ook de door de Inspecteur aangebrachte correctie op de door belanghebbende in aftrek gebrachte afschrijvingskosten voor het hekwerk is niet in geschil. Zaak met kenmerk BK-12/00445 4.2. Tussen partijen is uitsluitend in geschil of met betrekking tot de factuur van [H] B.V. prestaties zijn verricht aan belanghebbende, zoals belanghebbende stelt en de Inspecteur betwist. Beide zaken 4.3. Voor de standpunten van partijen en de gronden waarop de standpunten steunen verwijst het Hof verder naar de gedingstukken. Conclusies van partijen 5.1. De hoger beroepen van de Inspecteur strekken tot vernietiging van de uitspraken van de rechtbank en tot bevestiging van de uitspraken op bezwaar. 5.2. Belanghebbende heeft geconcludeerd tot bevestiging van de uitspraken van de rechtbank. Oordelen van de rechtbank Zaak met kenmerk BK-12/00444 6.1. De rechtbank heeft in haar uitspraak voor zover thans nog relevant overwogen: "(...) Omkering van de bewijslast 15. [ De Inspecteur] stelt zich op het standpunt dat [belanghebbende] over het onderhavige tijdvak niet de vereiste aangifte als bedoeld in artikel 27e, aanhef en onderdeel a, van de Awr heeft gedaan. Dit baseert [de Inspecteur] op de omstandigheid dat [belanghebbende] oorspronkelijk aangifte heeft gedaan naar een belastbaar bedrag van € 221.646 en pas in de bezwaarfase tegen de onderwerpelijke navorderingsaanslag een herziene aangifte vennootschapsbelasting heeft ingediend naar een belastbaar bedrag van € 267.150. Dienaangaande overweegt de rechtbank dat, hoewel het niet doen van de vereiste aangifte een reden kan zijn om de bewijslast om te keren, de rechtbank voor toepassing van omkering van de bewijslast hier geen plaats acht, omdat de hoogte van de onderhavige navorderingsaanslag niet op schattingen is gebaseerd, maar op gegevens van de vennootschap zelf. De rechtbank zal het geschil daarom behandelen met inachtneming van de normale regels van stelplicht en bewijslast. 16. Hierbij overweegt de rechtbank nog dat, zo al aanleiding zou bestaan om de bewijslast om te keren en te verzwaren, die verzwaring slechts geldt voor posten/correcties waarvoor de bewijslast niet al op [belanghebbende] rust (zie HR 3 februari 2006, nr. 41 814, LJN: AV0826). Nu voor alle in geschil zijnde correcties de bewijslast primair bij [belanghebbende] ligt, zou ook in het geval tot omkering van de bewijslast zou worden geconcludeerd de rechtbank ter zake van deze correcties slechts toetsen of [belanghebbende] aan de op haar rustende (reguliere) bewijslast heeft voldaan. De factuur van € 80.000 17. [ De Inspecteur] heeft voor zijn stelling dat aan de factuur van € 80.000 geen (tegen)prestaties van [H] BV ten grondslag liggen, zodat in zoverre geen sprake is van zakelijke uitgaven, kort samengevat het volgende aangevoerd: - er zijn door [H] BV enerzijds en [belanghebbende] anderzijds tegenstrijdige verklaringen gegeven over de wijze van aanleveren van de voor de gestelde opdracht benodigde gegevens aan en van [H] BV; - er is noch bij [belanghebbende] noch bij [H] BV enig stuk/bewijsmiddel voorhanden dat aan de gestelde overeenkomst ten grondslag ligt; - [H] BV kan geen concrete informatie verstrekken over door wie en wanneer de gestelde werkzaamheden binnen haar bedrijf voor [belanghebbende] zijn uitgevoerd. Daarnaast heeft de Inspecteur ter zitting gesteld dat geen sprake is van een reële betaling voor de gestelde diensten omdat de door [belanghebbende] betaalde geldsom via een omweg (via het buitenland) is teruggevloeid naar [B] en [D]. 18. [ Belanghebbende] stelt zich op het standpunt dat er aan de factuur wel (zakelijke) prestaties door [H] BV ten grondslag liggen, te weten kort gezegd het vergelijken van twee excelbestanden (één aangeleverd door [J] en één aangeleverd door Rijkswaterstaat) met daarop storingsmeldingen die zich kunnen voordoen in en rond de tunnels, waarbij de opdracht was om deze lijsten samen te voegen tot één nieuw bestand waarin dubbele boekingen en niet meer relevante meldingen zijn verwijderd. Dit betreft volgens belanghebbende een arbeidsintensief project waarvoor op zich weinig kennis is vereist maar dat wel accuraat moet worden uitgevoerd. [Belanghebbende] heeft verklaard het gevraagde product van [H] BV te hebben ontvangen op Cd-rom en dit vervolgens te hebben aangeleverd aan Rijkswaterstaat, in wiens opdracht de tunnels werden gebouwd. 19. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [belanghebbende] met hetgeen zij heeft aangevoerd en hetgeen zij ter zitting heeft verklaard voldoende aannemelijk gemaakt dat aan de factuur daadwerkelijk door [H] BV verleende diensten ten grondslag liggen. Dat hieraan geen schriftelijke overeenkomst ten grondslag heeft gelegen, doet daar niet aan af. De rechtbank acht, gelet op wat [belanghebbende] daaromtrent heeft aangevoerd, aannemelijk dat de overeenkomst geheel mondeling tot stand is gekomen en dat mondeling aan de hand van een voorbeeld is uiteengezet welke werkzaamheden precies van [H] BV werden verwacht. 20. [ De Inspecteur] heeft ter ondersteuning van zijn stelling dat geen sprake is van een reële overeenkomst en/of reële prestatie tevens gewezen op het feit dat bij [H] BV niet kan worden achterhaald wie de werkzaamheden heeft verricht en hoeveel tijd daaraan is besteed. Dat zegt evenwel uitsluitend iets over (de administratie van) [H] BV en maakt niet dat daarmee geen sprake is van door [H] BV verrichte prestaties. 21. De enkele stelling van de [Inspecteur] dat het op de factuur betaalde bedrag uiteindelijk is teruggevloeid naar [B] en [D] en dat daaruit blijkt dat geen sprake is geweest van een reële (tegen)prestatie, heeft hij niet met enig bewijsmiddel onderbouwd, zodat de rechtbank aan die stelling geen waarde hecht. 22. Weliswaar hebben partijen nadat [de Inspecteur] hen daarnaar heeft gevraagd tegenstrijdige verklaringen afgegeven over de wijze waarop de te controleren gegevens over en weer zijn aangeleverd (digitaal of op papier), maar deze enkele tegenstrijdigheid acht de rechtbank onvoldoende voor de conclusie dat geen prestaties hebben plaatsgevonden. De rechtbank neemt daarbij mede in aanmerking dat het heel wel mogelijk is dat [H] BV ter uitvoering van de werkzaamheden één en ander op papier heeft uitgedraaid. Dat dit onlogisch is gezien het feit dat het allemaal digitaal zou kunnen worden afgehandeld, maakt niet dat daarmee de feitelijke werkzaamheden in twijfel moeten worden getrokken. Voorts heeft de rechtbank daarbij de geloofwaardige verklaring van [belanghebbende] ter zitting betrokken dat de uitleg vooraf aan de hand van papieren uitdraaien heeft plaatsgevonden en dat dus zowel sprake is geweest van digitale als van papieren informatie uitwisseling. 23. Nu de uitgave van € 80.000 voor deze prestaties door haar is gedaan ten behoeve van het project '[project]', alsmede naar [belanghebbende] overtuigend heeft verklaard met het oog op een door haar te ontwikkelen en te exploiteren softwarepakket dat kan worden gebruikt binnen de sector waarin zij werkzaam is, oordeelt de rechtbank dat [belanghebbende], mede gelet op de aard van haar bedrijfsuitoefening, zakelijk heeft gehandeld. Voor zover [de Inspecteur] stelt dat deze uitgave in een zo ver verwijderd verband staat van een investering in het project [project] dat niet kan worden volgehouden dat met die uitgave een zakelijk doel was gediend (vergelijk HR 14 juni 2002, nr. 36453, BNB 2005/290), heeft hij onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld, laat staan aannemelijk gemaakt, om dit aannemelijk te achten. Afschrijving (tuin)gereedschappen 24. Met betrekking tot de aangeschafte (tuin)gereedschappen overweegt de rechtbank dat [belanghebbende] haar stelling dat dit gereedschappen betreft waarmee [B] en [D] takken en gras en dergelijke rondom meetkasten langs de autoweg verwijderen om hun werkzaamheden bij die meetkasten te kunnen verrichten, met haar geloofwaardige verklaringen ter zitting, aannemelijk heeft gemaakt. De enkele stelling van [de Inspecteur] dat voor de werkzaamheden in het veld geen zwaar materieel nodig is, brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Daarbij overweegt de rechtbank tevens dat de aanschaf van deze gereedschappen (in tweevoud) wellicht als overdadig kan worden beschouwd, maar dat dit, nu de uitgaven volgens de rechtbank vanuit een zakelijk oogpunt zijn gedaan, op zich onvoldoende is om te concluderen dat de uitgaven (deels) niet zakelijk zijn. Voor zover [de Inspecteur] stelt dat de uitgaven dermate buitensporig zijn dat deze in ieder geval ten dele in een zo ver verwijderd verband staat van de werkzaamheden van [belanghebbende] dat niet kan worden volgehouden dat met die uitgave een zakelijk doel was gediend, heeft hij onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld, laat staan aannemelijk gemaakt, om dit aannemelijk te achten. Dat de aan [belanghebbende] verstrekte factuur een andere, minder specifieke, omschrijving heeft dan de factuur die bij de leverancier is aangetroffen, doet aan het voorstaande niet af. Dit brengt in de aard van de uitgaven immers geen verandering. 25. Het enkele feit dat, naar [de Inspecteur] onweersproken heeft gesteld, de hogedrukspuiten die [belanghebbende] heeft aangeschaft tevens door [B] en [D] zijn gebruikt voor het schoonspuiten van hun privé auto’s, maakt het voorstaande niet anders. Dit betekent immers niet dat [belanghebbende] deze niet vanuit een zakelijk oogpunt heeft kunnen en mogen aanschaffen. De enkele constatering dat die gereedschappen tevens voor privé-doeleinden zijn gebruikt, is daartoe naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende. 26. Gelet op al het vorenoverwogene zijn de correcties met betrekking tot de factuur van € 80.000 en de (afschrijving over
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.