GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling Civiel recht Zaaknummer : 200.087.101/01 Rolnummer rechtbank : 388322 / KG ZA 11-235 Arrest d.d. 23 juli 2013 in de zaak van [appellante], thans zonder vaste woon- en verblijfplaats, appellante, hierna te noemen: [appellante], advocaat: mr. D. Roesink te Bussum, tegen [geïntimeerde], wonende te [woonplaats], geïntimeerde, hierna te noemen: [geïntimeerde], advocaat: mr. J.I. van Vlijmen te Rijswijk (ZH). De verdere loop van het geding Bij tussenarrest van 5 juli 2011 is een comparitie van partijen gelast. De comparitie heeft op verzoek van partijen niet plaatsgevonden. Bij memorie van antwoord d.d. 27 november 2012, tevens akteverzoek, heeft [geïntimeerde] de grieven bestreden. Vervolgens heeft [geïntimeerde] de stukken overgelegd en hebben partijen arrest gevraagd. Beoordeling van het hoger beroep 1. De door de voorzieningenrechter in het bestreden vonnis vastgestelde feiten zijn door partijen niet bestreden, zodat ook het hof daarvan zal uitgaan. 2. Het gaat in deze zaak om het volgende. 2.1 [geïntimeerde] en [X] B.V. (verder: [X]) hebben op 13 oktober 2010 een zogenoemde "Gebruiksovereenkomst" ondertekend, waarin is vermeld dat [geïntimeerde] per 1 november 2010 het (mede)gebruiksrecht krijgt van de dienstwoning met tuin gelegen aan [A-straat 1] te [plaats] (plaatselijk bekend als […], verder de dienstwoning). Het is [geïntimeerde] blijkens de overeenkomst niet toegestaan om de ruimtes aan derden in gebruik te geven of te verhuren. Als tegenprestatie dient [geïntimeerde] kleine onderhoudswerkzaamheden en reparaties aan woning en tuin te verrichten en is [geïntimeerde] verder een bedrag van € 550,-- per maand verschuldigd "voor gebruik van de dienstwoning, incl. kosten voor het ter beschikking stellen en gebruik van gas, water en stroom". 2.2 In november 2010 hebben [geïntimeerde] en [appellante] de dienstwoning betrokken. Beiden kregen de beschikking over een eigen slaapkamer en logeerkamer, terwijl de keuken, living, wijnkelder en het sanitair op de begane grond werden door partijen gedeeld. 2.3 Al snel bleek dat het delen van de dienstwoning partijen slecht afging. Er ontstonden ergernissen over en weer, die ertoe hebben geleid dat partijen in december 2010 overleg hebben gevoerd, waarbij [geïntimeerde] te kennen heeft gegeven dat [appellante] de dienstwoning voor 1 maart 2011 diende te verlaten. 2.4 [appellante] heeft zich hierbij niet neergelegd, en heeft zich onder meer beroepen op huurbescherming. 2.5 In de onderhavige kort geding-procedure vordert [geïntimeerde] in conventie – zakelijk weergegeven – de veroordeling van [appellante], op straffe van een dwangsom, de dienstwoning uiterlijk per 1 mei 2011 te ontruimen en verlaten. 2.6 [appellante] vordert op haar beurt in reconventie – eveneens zakelijk weergegeven – primair de veroordeling van [geïntimeerde] tot vertrek uit de woning, en subsidiair de veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling aan haar van een bedrag van € 25.000,--, als voorschot voor de verhuiskosten. 2.7 De voorzieningenrechter heeft bij het bestreden vonnis in conventie de vordering van [geïntimeerde] toegewezen (met maximering van de dwangsom en bepaling dat deze vatbaar is voor matiging door de rechter) en in reconventie de vordering van [appellante] afgewezen, met veroordeling van [appellante] in de kosten van zowel de conventie als de reconventie. 3.1 In hoger beroep vordert [appellante] vernietiging van het bestreden vonnis en opnieuw rechtdoende – na wijziging van eis en zakelijk weergegeven – de afwijzing van de vordering in conventie, alsmede de veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling aan haar van een bedrag van € 20.000,-- en een verklaring voort recht dat de door haar verbeurde dwangsommen worden gematigd tot nihil. Ter onderbouwing van haar eiswijziging stelt [appellante], dat zij zodra zij kennis heeft gekregen van het bestreden vonnis, daaraan uitvoering heeft willen geven, maar dat het haar niet gelukt is een verhuizer te vinden die haar eerder dan op 3 en 4 mei 2011 kon verhuizen. Gelet op het onrechtmatig karakter van de hele gang van zaken, is een schadevergoeding van € 20.000,-- (bestaande uit kosten van 2 verhuizingen, opslagkosten, extra kosten verblijf elders en wederinrichtingskosten) op z'n plaats, aldus [appellante]. 3.2 De grieven zijn met name gericht tegen
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.