GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling Civiel recht Uitspraak : 24 juli 2013 Zaaknummer : 200.127.880/02 Rekestnummer rechtbank : FA RK 09-8166 [moeder], wonende te[woonplaats], verzoekster in hoger beroep, hierna te noemen: de moeder, advocaat mr. B.A. Fijma te Zwijndrecht, tegen [vader], wonende te [woonplaats], verweerder in hoger beroep, hierna te noemen: de vader, advocaat mr. A. Apistola te Zwijndrecht. Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend: de raad voor de kinderbescherming, regio Dordrecht, locatie Dordrecht, hierna te noemen: de raad. Als belanghebbenden zijn aangemerkt: mr. M.G. Hoogerwerf, als bijzondere curator van de na te noemen minderjarigen; Bureau Jeugdzorg Zuid-Holland zuid te Dordrecht, hierna te noemen: Jeugdzorg. PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP De moeder is op 31 mei 2013 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 17 april 2013 van de rechtbank Dordrecht. De vader heeft op 24 juni 2013 een verweerschrift ingediend. Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen: van de zijde van de moeder: op 28 juni 2013 een brief van diezelfde datum met bijlagen; op 8 juli 2013 een faxbericht van diezelfde datum met bijlagen. De zaak is voor wat betreft het schorsingsverzoek op 10 juli 2013 mondeling behandeld. Ter zitting waren aanwezig: de moeder, bijgestaan door haar advocaat; de advocaat van de vader; mevrouw C. van Breugel namens Jeugdzorg. De vader en de raad zijn, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. De bijzondere curator heeft bij brief van 9 juli 2013 aan het hof bericht niet ter zitting te zullen verschijnen. De advocaat van de moeder heeft ter zitting pleitnotities overgelegd. PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking. Bij die beschikking is - uitvoerbaar bij voorraad - bepaald dat de moeder dient mee te werken en te blijven meewerken aan het herstel van het contact tussen de vader en de minderjarigen: [minderjarige sub 1], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] en [minderjarige sub 2], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (hierna ook: de minderjarigen) overeenkomstig het stappenplan zoals door Jeugdzorg is opgesteld: de eerste stap is dat de vader regelmatig weer een kaart en later een briefje aan de minderjarigen kan sturen, waarop de minderjarigen kunnen reageren; de tweede stap is telefonisch contact van enkele minuten, uiteindelijk wekelijks, waarbij deze contacten in eerste instantie op de speaker worden begeleid; de derde stap is een ontmoeting tussen de vader en de minderjarigen op een neutrale plek onder begeleiding. Het meer of anders verzochte is afgewezen. BEOORDELING VAN HET VERZOEK TOT SCHORSING VAN DE WERKING VAN DE UITVOERBAARVERKLARING BIJ VOORRAAD VAN DE BESTREDENBESCHIKKING 1. In geschil is thans de werking van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de bestreden beschikking. 2. De moeder verzoekt ex artikel 360 lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna ook: Rv) de uitvoerbaarverklaring bij voorraad te schorsen. 3. De vader bestrijdt het beroep en verzoekt de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoek van de bestreden beschikking ex artikel 360 lid 2 Rv de uitvoerbaarverklaring bij voorraad te schorsen danwel dat verzoek van de moeder af te wijzen, met veroordeling van de moeder in de kosten van het geding. 4. De moeder stelt dat de minderjarigen hevig hebben geprotesteerd tegen de vastgestelde omgangsregeling. De omgang had niet vastgesteld mogen worden nu het rapport van Jeugdzorg niet volledig is, omdat geen rekening is gehouden met de conclusies van de bijzondere curator dat sprake is van een trauma bij de minderjarigen. Dit trauma is veroorzaakt doordat de vader heeft gedreigd de minderjarigen met de auto te overrijden. Gezien de zwaarwegende en spoedeisende belangen van de moeder en de minderjarigen verzoekt de moeder de uitvoerbaarheid bij voorraad van de bestreden beschikking te schorsen. 5. De vader verweert zich daartegen als volgt. Er bestaat geen grond om de uitvoerbaarheid bij voorraad te schorsen. Het verzoek van de moeder bevreemdt, nu zij in eerste aanleg had toegezegd haar medewerking te verlenen aan het contactherstel. Niet valt in te zien waarom de bestreden beschikking ook voor de eerste stappen van contactherstel, te weten het schrijven van kaartjes en brieven en daarna telefonisch contact, zou moeten worden geschorst. In de praktijk wordt een en ander al vormgegeven, hierbij is niet gebleken dat zulks strijdig met de belangen van de minderjarigen zou zijn. Voorts bestrijdt de vader de minderjarigen op enigerlei wijze te hebben bedreigd. Bovendien is de rapportage van de bijzondere curator, waarin dit trauma wordt beschreven, door de rechtbank in eerste aanleg reeds betrokken in haar oordeel. Er hebben zich aldus geen nieuwe omstandigheden voorgedaan, die een schorsing van de bestreden beschikking rechtvaardigen. 6. Het hof overweegt als volgt. Het hof stelt voorop dat een partij die een uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beschikking heeft verkregen in beginsel bevoegd is deze te executeren, ook indien tegen de beschikking hoger beroep is ingesteld. Bij de beoordeling van de vraag of, in afwijking van voornoemd uitgangspunt, de tenuitvoerlegging van een uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beschikking dient te worden geschorst, dienen de navolgende maatstaven te worden aangelegd (vgl. Hoge Raad 30 mei 2008, LJN: BC 5012):
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.