GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling Civiel recht Zaaknummer : 200.120.509/01 Rolnummer rechtbank : 1203864 \ CV EXPL 12-8676 Arrest van 27 augustus 2013 inzake Stichting WOONBRON, gevestigd te Rotterdam, appellante, hierna te noemen: Woonbron, advocaat: mr. C.M. van der Burg te Zoetermeer, tegen [geïntimeerde], wonende te Delft, geïntimeerde, hierna te noemen: [geïntimeerde], advocaat: mr. S.I. Soekarman te Delft. Het geding Voor het verloop van de procedure tot 19 maart 2013 wordt verwezen naar het tussenarrest van die datum. De bij dit arrest bevolen comparitie van partijen heeft plaatsgevonden op 8 mei 2013. Hiervan is proces-verbaal opgemaakt. Vervolgens heeft Woonbron bij memorie van grieven (met producties) drie grieven aangevoerd. [geïntimeerde] heeft de grieven bij memorie van antwoord bestreden. Hierna is gefourneerd en arrest gevraagd. Beoordeling van het hoger beroep De feiten 1. De in het bestreden vonnis van 20 december 2012 vastgestelde feiten (rechtsoverweging 1.1 tot en met 1.5) staan niet ter discussie, met uitzondering van het precieze huurbedrag. Op dit laatste zal hierna zo nodig nader worden ingegaan. Het hof neemt vorenbedoelde feiten tot uitgangspunt. 2. Kort en zakelijk weergegeven betreft deze zaak een huurgeschil met betrekking tot de door [geïntimeerde] (blijkens het bij memorie van grieven overgelegde huurcontract) per 16 mei 2008 van Woonbron gehuurde woning aan de [adres](hierna: de woning). De huurprijs voor deze woning bedroeg volgens Woonbron laatstelijk € 436,27 per maand; volgens [geïntimeerde] (bij memorie van antwoord) een bedrag van € 422,92 per maand. Aanvankelijk heeft [geïntimeerde] de verschuldigde huur regelmatig, zij het niet steeds tijdig vóór de eerste van de maand, voldaan. 3. Op 17 mei 2011 is [geïntimeerde] door Woonbron gedagvaard tot betaling van achterstallige huurpenningen tot en met 31 mei 2011, met rente en kosten. De achterstallige huurpenningen bedroegen blijkens deze dagvaarding € 966,11. Na verrekening van betalingen en kosten maakte Woonbron in deze dagvaarding aanspraak op € 849,41, plus rente over € 966,11 vanaf 1 januari 2011 en de proceskosten (hierna zaak I). Naar aanleiding hiervan heeft [geïntimeerde] op 18 mei 2011 met de deurwaarder van Woonbron een betalingsregeling getroffen (hierna: de Regeling). De Regeling is vastgelegd door de deurwaarder en hield onder meer het volgende in:‘In bovenstaande zaak bevestig ik voor de goede orde de met u getroffen betalingsregeling van € 300,-- per maand. Deze regeling heeft betrekking op de huurachterstand t/m mei 2011. De eerste termijn dient uiterlijk 10 juni in mijn bezit te zijn. De regeling wordt aangegaan onder de voorwaarde (…) dat de lopende huur stipt op tijd aan cliënte wordt betaald. Er is reeds op 26 mei 2011 een zitting gepland. De zitting wordt met deze regeling niet voorkomen. De zitting kan alleen worden voorkomen door algehele betaling.(…)De kantonrechter heeft vervolgens in deze zaak op 9 juni 2011 bij verstek vonnis gewezen, waarbij [geïntimeerde], uitvoerbaar bij voorraad, is veroordeeld tot betaling van € 849,41 met de gevorderde wettelijke rente, alsmede tot betaling van proceskosten van € 467,31 plus eventuele btw (hierna: vonnis I). Dit vonnis is op 15 juni 2011 (niet in persoon) aan [geïntimeerde] betekend, met bevel in totaal € 1.523,86 (de toegewezen bedragen plus nasalaris en exploitkosten) binnen twee dagen aan de deurwaarder te betalen. 4. [geïntimeerde] heeft vervolgens respectievelijk in juni, juli en augustus 2011 telkens € 300,-- aan de deurwaarder betaald, terwijl hij zijn huurpenningen is blijven voldoen. [geïntimeerde] heeft bij de betaling van de huurpenningen over de maanden oktober 2011 tot en met juli 2012 telkens vermeld op welke maand de huurbetaling betrekking had (hierna ook: de geoormerkte huurbetalingen). 5. Op 25 januari 2012 heeft de deurwaarder in zaak I executoriaal beslag gelegd op de uitkering van [geïntimeerde] wegens een – volgens de deurwaarder – restantschuld van € 871,37 + p.m.. Woonbron stelt in verband hiermee dat [geïntimeerde] na de laatste betaling van € 300,-- op 15 augustus 2011 gestopt is met het voldoen aan de Regeling, zodat deze is vervallen. 6. [geïntimeerde] is door Woonbron op 25 juli 2012 opnieuw gedagvaard, en wel in de onderhavige zaak wegens niet tijdige betaling van de huurpenningen over de periode oktober 2011 (in de dagvaarding is per abuis vermeld 2012) tot en met juni 2012 (hierna ook: zaak II). Dit heeft geleid tot een verstekvonnis van 9 augustus 2012, waarbij [geïntimeerde] overeenkomstig de vordering van Woonbron onder meer is veroordeeld tot betaling van € 1.856,13 aan huurachterstand en waarbij voorts de huurovereenkomst is ontbonden en de ontruiming van de woning is gelast (hierna ook: verstekvonnis II). Het bedrag van € 1.856,13 is mede opgebouwd uit de restantvordering uit zaak I, waarbij Woonbron toepassing heeft gegeven aan artikel 6:44 BW. De woning is vervolgens op 30 augustus 2012 ontruimd. 7. [geïntimeerde] is in verzet gegaan tegen verstekvonnis II. Dit heeft geleid tot het thans bestreden vonnis van 20 december 2012 (hierna ook: vonnis II). In dit vonnis heeft de kantonrechter onder meer overwogen, kort en zakelijk samengevat:- Het stond Woonbron (op grond van artikel 6:43 BW) niet vrij de geoormerkte huurbetalingen in mindering te brengen op andere posten (kosten, verschenen rente) dan [geïntimeerde] had aangewezen.- Weliswaar betaalde [geïntimeerde] structureel te laat, maar uiteindelijk heeft hij wel betaald.- Bij het uitbrengen van de dagvaarding in zaak II had [geïntimeerde] al € 3.840,40 betaald, terwijl [geïntimeerde] terzake van huur en afrekening stookkosten € 4.032,06 had moeten betalen. [geïntimeerde] is dus met betaling van een bedrag van € 191,66 in gebreke gebleven. Op die grond heeft Woonbron [geïntimeerde] op goede gronden in rechte mogen betrekken.- Bij het wijzen van verstekvonnis II op 9 augustus 2012 was de bij dagvaarding van 25 juli 2012 gestelde huurachterstand volledig betaald, aangezien na dagvaarding door Woonbron nog een bedrag van € 427,50 van [geïntimeerde] is ontvangen. Er bestond op 9 augustus 2012 dus een voorstand van € 235,84. - De medegevorderde ontbinding en ontruiming zijn dus bij dit vonnis ten onrechte uitgesproken.De kantonrechter heeft vervolgens het verstekvonnis II vernietigd, [geïntimeerde] veroordeeld in de kosten van de verstekprocedure, zulks onder aftrek van voormeld bedrag aan ‘voorstand’, en de vorderingen van Woonbron afgewezen. Woonbron is daarbij veroordeeld in de kosten van de verzetprocedure.De grieven van Woonbron 8. Woonbron is met drie grieven tegen deze beslissing opgekomen. Grief I heeft met name betrekking op de toepassing door de kantonrechter van artikel 6:43 BW. Volgens Woonbron was zij gerechtigd artikel 6:44 BW te hanteren. Daarnaast betoogt Woonbron in grieven I en II dat [geïntimeerde] de huurpenningen in ieder geval niet volledig heeft betaald en elke maand te laat heeft betaald. Er was dus nog een achterstand in huurpenningen van primair € 1.686,59 en subsidiair € 1.683,69 (plus wettelijke rente), aldus nog steeds Woonbron. Ingeval het door Woonbron in grief I gestelde onjuist zou zijn, heeft [geïntimeerde] over mei en juni 2012 telkens € 0,20 te weinig betaald en over juli 2012 € 8,77 te weinig. Verder heeft [geïntimeerde] de verschuldigde servicekosten ad € 208,58 niet voldaan. [geïntimeerde] heeft de huurpenningen ook in die situatie dus niet geheel en volledig voldaan.In grief III klaagt Woonbron over de afwijzing van de gevorderde ontbinding en ontruiming, waarbij Woonbron als vermeerdering van grondslag aanvoert dat [geïntimeerde] de huurpenningen over augustus 2012 niet heeft voldaan.Beoordeling 9. Het hof stelt voor de duidelijkheid het volgende voorop. Woonbron heeft als productie 6 bij conclusie van antwoord in oppositie (in enigszins aangepaste vorm opnieuw overgelegd als productie 2 bij memorie van grieven) een overzicht overgelegd van verplichtingen van [geïntimeerde] enerzijds en betalingen van [geïntimeerde] anderzijds. Dit overzicht sluit op een verschil van € 1.686,59, dat [geïntimeerde] volgens Woonbron nog moet betalen. Dit bedrag is als volgt opgebouwd:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.