GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling Civiel recht Uitspraak : 8 mei 2013 Zaaknummer : 200.121.943/01 Rekestnummer rechtbank : FA RK 11-2823 [appellant] wonende te [woonplaats], verzoeker in hoger beroep, hierna te noemen: de man, advocaat mr. J.B. van Rij te Rotterdam, tegen [geïntimeerde], wonende te [woonplaats], verweerster in hoger beroep, hierna te noemen: de vrouw, advocaat mr. J.P. Verhaar-Kok te Alphen aan den Rijn. PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP De man is op 13 februari 2013 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 14 november 2012 van de rechtbank Rotterdam. Bij dat beroep heeft de man tevens een verzoek tot schorsing van de werking van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de beschikking ingediend. Dit verzoek is bij het hof ingeschreven onder zaaknummer 200.121.943/01. De vrouw heeft op 25 maart 2013 een verweerschrift op het verzoek tot schorsing van de werking van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad ingediend. Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen: van de zijde van de man: - op 11 april 2013 een brief van 9 april 2013 met bijlage. Ter zitting waren aanwezig: - de man, bijgestaan door zijn advocaat. De vrouw en haar advocaat zijn, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking. Bij die beschikking is de echtscheiding uitgesproken en is - voor zover hier van belang en uitvoerbaar bij voorraad - ten laste van de man aan de vrouw een uitkering tot levensonderhoud (hierna ook: partneralimentatie) toegekend van € 5.239,- per maand, bij vooruitbetaling te voldoen voor het eerst op de dag dat de echtscheidingsbeschikking is of zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. BEOORDELING VAN HET VERZOEK TOT SCHORSING VAN DE WERKING VAN DE UITVOERBAARVERKLARING BIJ VOORRAAD VAN DE BESTREDENBESCHIKKING 1. Het hof heeft besloten de mondelinge behandeling van de zaak ondanks de afwezigheid van de vrouw en haar advocaat doorgang te laten vinden omdat het een schorsingsverzoek betreft dat met voorrang moet worden behandeld. De advocaat van de vrouw heeft het hof vlak voor de mondelinge behandeling laten weten niet op tijd aanwezig te kunnen zijn. Vanwege een verkeerd genoteerd tijdstip in haar agenda verkeerde zij in de veronderstelling dat de zitting later op de dag zou plaatsvinden. De advocaat van de man heeft medegedeeld dat zijn cliënt niet langer kon wachten aangezien hij die middag nog een afspraak had. 2. In geschil is thans de werking van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de bestreden beschikking. 3. De man verzoekt primair dat de uitvoerbaarheid bij voorraad van het deel van de bestreden beschikking waarvan beroep wordt geschorst, subsidiair dat aan de uitvoerbaarverklaring bij voorraad de voorwaarde wordt verbonden dat tot een door het hof in goede justitie bepaald bedrag door de vrouw, zekerheid dient te worden gesteld, en dit verzoek met voorrang te behandelen. 4. De vrouw bestrijdt het beroep en verzoekt om bij beschikking, zo mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de verzoeken van de man tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad van de bestreden beschikking alsmede tot het verbinden van voorwaarden aan de uitvoerbaarheid bij voorraad niet-ontvankelijk te verklaren dan wel af te wijzen dan wel een zodanige beslissing te nemen als het hof geraden acht. 5. De man legt aan zijn verzoek ten grondslag dat de bestreden beschikking een misslag bevat. De man is het niet eens met het oordeel van de rechtbank dat uit een brief en de aanvullende verklaring van de man ter terechtzitting valt af te leiden dat de opbrengst van de verkoop van de sportschool van de man mede was bedoeld als pensioenvoorziening voor de vrouw. Zulks strookt volgens de man in het geheel niet met het door hem in deze zaak consequent ingenomen standpunt dat de sportschool helemaal van hem (alleen) was en dat daarvan helemaal niets van de vrouw bij was of haar toekwam. Bovendien overweegt de rechtbank eveneens ten onrechte dat de man daarnaast nog rente-inkomsten geniet uit zijn overige vermogen. Volgens de man is het gevolg van deze misslagen dat de toegewezen partneralimentatie buitenproportioneel hoog is. Voorts biedt de vrouw geen enkel verhaal voor hetgeen zij ingevolge haar executiebevoegdheid bij de man incasseert. De man heeft dan ook groot belang bij zijn verzoeken nu de vrouw wellicht spoedig gaat executeren, althans daartoe spoedig bij machte is. In geval van executie door de vrouw zal zij naar de mening van de man duidelijk misbruik van haar bevoegdheid maken. 6. De vrouw stelt zich op het standpunt dat de door de man aangevoerde gronden geen aanleiding vormen om de uitvoerbaarverklaring bij voorraad te schorsen. De mogelijkheid tot inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand waardoor de partneralimentatie verschuldigd wordt, is geen reden een schorsing toe te wijzen. De vrouw betwist met klem dat de bestreden beschikking een misslag zou bevatten. De rechtbank heeft ten aanzien van de partneralimentatie terecht beslist zoals zij heeft gedaan. Bovendien is de vrouw van mening dat de door de man aangevoerde gronden in het appel in de hoofdzaak aan de orde dienen te komen en niet in de onderhavige schorsingsprocedure. De vrouw weerspreekt dat zij geen verhaal zou bieden indien zij partneralimentatie terug zou moeten betalen. Voorts verwerpt zij de volgens haar voorbarige stelling van de man inzake het misbruik maken van haar bevoegdheid. De vrouw wijst er in het kader van de belangenafweging ten slotte op dat, indien de man de echtscheidingsbeschikking doet inschrijven, door de schorsing bij haar een noodtoestand zal ontstaan aangezien de bij wijze van voorlopige voorziening opgelegde partneralimentatie dan eindigt. 7. Het hof overweegt als volgt. Het hof stelt voorop dat een partij die een uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beschikking heeft verkregen in beginsel bevoegd is deze te executeren, ook indien tegen de beschikking hoger beroep is ingesteld. Bij de beoordeling van de vraag of, in afwijking van voornoemd uitgangspunt, de tenuitvoerlegging van een uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beschikking dient te worden geschorst, dienen de navolgende maatstaven te worden aangelegd (vgl. Hoge Raad 30 mei 2008, LJN: BC 5012): (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.