GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling Civiel recht Uitspraak : 16 oktober 2013 Zaaknummer : 200.130.055/02 Rekestnummer rechtbank : FA RK 13-382 [appellant], wonende te [woonplaats], verzoeker, hierna te noemen: de man, advocaat mr. W.J.G. Schröder te Rotterdam, tegen [geïntimeerde], wonende te [woonplaats], verweerster, hierna te noemen: de vrouw, advocaat mr. E.F.M. van Swaaij te Breda. PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP De vrouw is op 9 juli 2013 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 27 juni 2013 van de rechtbank Rotterdam, bekend bij het hof onder zaaknummer 200.130.055/01 (hierna ook: de hoofdzaak). De man heeft op 1 augustus 2013 een zelfstandig incidenteel verzoek tot uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de bestreden beschikking ingediend, ingeschreven bij het hof onder zaaknummer 200.130.055/02. De vrouw heeft op 3 september 2013 een verweerschrift op het verzoek tot uitvoerbaarverklaring bij voorraad ingediend. De zaak is op 20 september 2013 mondeling behandeld, maar uitsluitend voor wat betreft het verzoek tot uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de bestreden beschikking. Ter zitting waren aanwezig: de man, bijgestaan door zijn advocaat; de vrouw, bijgestaan door haar advocaat. PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking. Bij die beschikking is de beschikking van de rechtbank ’s-Gravenhage van 17 mei 2004 gewijzigd in die zin, dat de daarbij aan de man opgelegde uitkering tot levensonderhoud van de vrouw met ingang van 27 juni 2013 is bepaald op € 1.176,36 per maand. Het meer of anders verzochte is afgewezen. Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht. BEOORDELING VAN HET VERZOEK TOT UITVOERBAARVERKLARING BIJ VOORRAAD VAN DE BESTREDEN BESCHIKKING 1. In geschil is het verzoek tot uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de bestreden beschikking. 2. De man verzoekt zijn rekest met de grootste spoed in behandeling te nemen en de bestreden beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. 3. De vrouw verweert zich daartegen en verzoekt bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, de man in zijn incidenteel verzoek niet te ontvangen, dan wel zijn verzoek af te wijzen, kosten rechtens. 4. De man erkent dat hij in eerste aanleg niet uitdrukkelijk heeft verzocht om een uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de door de rechtbank te nemen beslissing. Dit omdat de man er niet op bedacht was dat de vrouw eigen inkomsten geniet. Hij is echter van mening dat nu de vrouw informatie betreffende haar inkomsten heeft achtergehouden dit voor haar eigen rekening en risico dient te komen. De man stelt voorts dat uit het feit dat de rechtbank in haar beschikking een ingangsdatum heeft genoemd (27 juni 2013) voor de lagere door de man te betalen partneralimentatie kan worden afgeleid dat indien de man wel uitvoerbaarverklaring bij voorraad had verzocht, de rechtbank dit had toegewezen. De man wijst erop dat voor hem het aanzienlijke risico bestaat dat hij de krachtens de als gevolg van het niet uitvoerbaar bij voorraad verklaren thans nog vigerende beschikking van 17 mei 2004 te veel door de vrouw geïncasseerde partneralimentatie niet terug zal ontvangen vanwege het consumptieve karakter daarvan. Hij heeft derhalve belang bij een uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de bestreden beschikking. 5. De vrouw weerspreekt het door de man gestelde. Volgens de vrouw is, nu de man niet om uitvoerbaarverklaring bij voorraad heeft verzocht, geen sprake van een kennelijke misslag of omissie van de rechtbank. De vrouw is voorts van mening dat de man ten onrechte op inhoudelijke punten ingaat. Daar is in deze procedure geen plaats voor. Het gaat om een belangenafweging. De man had zijn belang - het restitutierisico - moeten afzetten tegen dat van de vrouw bij executie van de oorspronkelijke alimentatiebeschikking, waarin een hoger bedrag aan partneralimentatie was bepaald. Volgens de vrouw is haar belang groter aangezien het restitutierisico voor de man betrekkelijk gering is, namelijk circa € 3.000,- netto. De vrouw bevindt zich qua inkomen met inbegrip van haar bijverdiensten net boven bijstandsniveau, terwijl zij ook nog de medische zorgkosten voor de dochter van partijen draagt. De man heeft een riante inkomenspositie, zodat het restitutierisico hem amper treft. Ten slotte stelt de vrouw dat geen sprake is van misbruik van procesrecht of van haar bevoegdheid om te executeren dan wel van een onevenredig groot nadeel aan de zijde van de man. Aan de zijde van de man ontstaat ook geen noodtoestand als gevolg van handhaving van de oorspronkelijke alimentatiebeschikking. 6. Het hof overweegt als volgt. Bij de beoordeling van de vraag of een beschikking alsnog uitvoerbaar bij voorraad moet worden verklaard, dienen de navolgende maatstaven te worden aangelegd (vgl. Hoge Raad 30 mei 2008, LJN: BC5012): (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.