GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling Civiel recht Zaaknummer : 200.125.333/01 Rol-/zaaknummer rechtbank : 1174532 RL EXPL 12-14999 Arrest d.d. 5 november 2013 inzake [appellant], wonende te [woonplaats 1], appellant, hierna te noemen: [appellant], advocaat: mr. A.F. Mandos te ’s-Gravenhage, tegen DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Veiligheid en Justitie), zetelende te ’s-Gravenhage, geïntimeerde, hierna te noemen: de Staat, advocaat: mr. M.M. van Asperen te ’s-Gravenhage. Het geding Bij exploot van 5 april 2013 is [appellant] in hoger beroep gekomen van het vonnis van 10 januari 2013 dat de rechtbank Den Haag, sector kanton, locatie Den Haag (hierna: de kantonrechter), tussen partijen heeft gewezen. Aanvankelijk is verstek verleend tegen de Staat. Bij memorie van grieven (met producties) van 2 juli 2013 heeft [appellant] twee grieven tegen het vonnis aangevoerd en zijn eis aangevuld. Op 16 juli 2013 heeft de Staat het verstek gezuiverd en op 27 augustus 2013 heeft de Staat de grieven bij memorie van antwoord (met productie) bestreden. Het hof heeft bij tussenarrest een comparitie van partijen gelast, die op 16 september 2013 heeft plaatsgevonden. Van deze zitting is proces-verbaal opgemaakt. Ter gelegenheid van de comparitie heeft [appellant] twee aktes houdende nieuwe producties (met daarbij producties 6 tot en met 8) in het geding gebracht. Ten slotte hebben partijen arrest gevraagd. Beoordeling van het hoger beroep 1. Partijen zijn niet opgekomen tegen de vaststelling van de feiten door de rechtbank onder 2. van het bestreden vonnis, zodat het hof ook van deze feiten zal uitgaan. Het gaat in deze zaak om het volgende. 1.1. [appellant] heeft op 22 augustus 1998 te [woonplaats 2] politiek asiel gevraagd. Bij die gelegenheid heeft hij aan de Vreemdelingenpolitie een drietal originele, op zijn naam staande documenten in bewaring gegeven, te weten een Joegoslavisch paspoort, een Joegoslavische identiteitskaart en een Joegoslavisch rijbewijs. 1.2. Het onder 2.2. bedoelde rijbewijs (hierna: het rijbewijs) was tot 21 januari 2004 geldig. 1.3. Bij brief van 1 oktober 2002, gericht aan de korpschef van de Vreemdelingendienst, district Schiedam, heeft een advocaat namens [appellant] verzocht om teruggave van het rijbewijs zodat [appellant] tijdig voor verlenging daarvan zou kunnen zorgdragen. Bij brief van 4 maart 2003 is geantwoord dat het rijbewijs niet was gevonden. 1.4. Bij brief van 28 september 2006 heeft [appellant] aan de “Headdirector of the IND” om teruggave van de in 1.1. bedoelde documenten verzocht (hierna: de documenten). 1.5. Bij brief van 1 december 2006 heeft de IND aan de toenmalige advocaat van [appellant] medegedeeld dat de documenten niet meer voorhanden zijn. Eenzelfde mededeling is gedaan bij brief van 29 januari 2007 aan een medewerkster van Stichting Vluchtelingenwerk, die [appellant] destijds bijstond. 1.6. Bij fax van 5 oktober 2010, verzonden op 6 oktober 2010, heeft een medewerker van Vluchtelingenwerk Maasdelta namens [appellant] aan de IND verzocht om een drietal in 1998 ingenomen documenten terug te geven. 1.7. Bij brief van 9 mei 2011, gericht aan de Politie Gelderland-Midden, ter attentie van de korpschef, heeft [appellant] verzocht om teruggave van de documenten of, indien teruggave niet mogelijk was, betaling van een schadevergoeding van € 4.800,-. In de hierop in reactie verstuurde brief is aan [appellant] medegedeeld dat hij contact moest opnemen met de IND. 1.8. Bij brief van 24 mei 2011 heeft de IND, kennelijk naar aanleiding van een klacht van [appellant] van 26 april 2011, [appellant] laten weten dat hem ten onrechte een brief was gestuurd waarin de indruk werd gewekt dat de kwijtgeraakte documenten van [appellant] terecht waren. De teruggevonden documenten betroffen in werkelijkheid documenten van de vrouw en de zoon van [appellant]. De in verband hiermee ingediende klacht heeft de IND gegrond verklaard. Voorts heeft IND medegedeeld dat niet kan worden voldaan aan het verzoek van [appellant] om teruggave van de documenten omdat deze documenten in het ongerede waren geraakt. 1.9. Op 30 december 2011 heeft de toenmalige advocaat van [appellant] de Staat aansprakelijk gesteld voor de schade die is veroorzaakt door het in ongerede raken van de documenten. De Staat heeft aansprakelijkheid van de hand gewezen, mede met een beroep op verjaring. 2. [appellant] vordert in dit geding de veroordeling van de Staat tot betaling van een schadevergoeding van € 4.800,-. In appel heeft hij deze eis aldus aangevuld dat het “het gerechtshof moge behagen om naar keuze als alternatief anders te beschikken in de gevorderde schadevergoeding, zulks naar redelijke maatstaven en goede justitia”. Volgens [appellant] heeft de Staat onrechtmatig gehandeld door de in r.o. 1.1. bedoelde documenten kwijt te raken en moet de Staat daarom de schade vergoeden die hij lijdt doordat hij in Belgrado een nieuw rijbewijs moet halen (reiskosten, kosten hotelovernachtingen en kosten van het rijexamen). 3. Bij het bestreden vonnis heeft de kantonrechter de vordering afgewezen. Naar het oordeel van de kantonrechter is de vordering van [appellant] verjaard. Hiertegen richten zich de grieven. De grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling. 4. De kantonrechter heeft onbestreden overwogen (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.