GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling civiel recht Zaaknummer : 200.072.828/02 Zaak/rolnummer Rb. : 361875/KG ZA 10-359 arrest van 17 december 2013 inzake de rechtspersoon naar vreemd recht AGFA GRAPHICS N.V., gevestigd te Mortsel, België, appellante in de hoofdzaak, verweerster in het incident, hierna te noemen: Agfa, advocaat: mr. D. Knottenbelt te Rotterdam, tegen 1. de rechtspersoon naar vreemd rechtCHENGDU XINGRAPHICS CO. LTD.,gevestigd te Chengdu, Volksrepubliek China,hierna te noemen: Xingraphics, 2. A. TEN CATE OFFSETPRODUKTEN B.V.,tevens handelend onder de naam ATECE,gevestigd te Uitgeest,hierna te noemen: Atece, geïntimeerden,verzoeksters in het incident, hierna tezamen te noemen: Xingraphics c.s., advocaat: mr. J.P. Heering te ’s-Gravenhage. Verloop van het geding Bij exploot van 4 juni 2010 is Agfa in hoger beroep gekomen van het tussen partijen gewezen vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank 's-Gravenhage van 11 mei 2010. Op 26 maart 2013 hebben Xingraphics c.s. een incidentele memorie tot uitvoerbaarverklaring bij voorraad genomen, met producties, en daarbij gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep op de voet van art. 234 Rv. uitvoerbaar bij voorraad zal verklaren, meer in het bijzonder de daarin uitgesproken proceskostenveroordeling, met veroordeling van Agfa in de kosten van het incident, te begroten met toepassing van art. 1019h Rv. Bij memorie van grieven, tevens antwoord in het incident ex art. 234 Rv., met producties, heeft Agfa vier grieven tegen het vonnis waarvan beroep aangevoerd, en verweer gevoerd tegen de incidentele vordering van Xingraphics c.s. Op 31 oktober 2013 hebben partijen het geschil in het incident doen bepleiten, Agfa door mr. D.F. de Lange, advocaat te Amsterdam, en Xingraphics c.s. door mr. O.P. Swens, advocaat te Amsterdam, beiden aan de hand van pleitnotities die aan het procesdossier zijn toegevoegd. Door beide partijen zijn voorafgaand aan het pleidooi aanvullende stukken ingediend, die in het van de pleitzitting opgemaakte proces-verbaal zijn gespecificeerd. Vervolgens hebben partijen arrest in het incident gevraagd. Beoordeling van het incident 1. De door de voorzieningenrechter in rov. 2.1 tot en met 2.6 van het bestreden vonnis vastgestelde feiten zijn niet weersproken, zodat ook het hof daarvan uitgaat. Mede op grond van hetgeen in dit hoger beroep is aangevoerd kan van het volgende worden uitgegaan. 1.1. Agfa is houdster van Europees octrooi EP 0 823 327 (hierna: “het octrooi”) voor een ‘Method for making positive photosensitive lithographic printing plate’. Het octrooi heeft gelding voor onder meer Nederland. 1.2. Xingraphics is fabrikant van lithografische drukplaten van het type FIT, FIT X-tra, FIT Melior en FIT X-tra Melior (verder gezamenlijk: de FIT-platen). Zij brengt deze in verschillende Europese landen op de markt. In Nederland bracht zij deze op de markt via Atece. 1.3. In een versnelde bodemprocedure heeft Agfa gesteld dat Xingraphics c.s. door het verhandelen van de FIT-platen in Nederland indirecte inbreuk maken op het octrooi en heeft zij op die grond diverse vorderingen, waaronder een verbodsvordering, ingesteld. In haar vonnis van 22 juli 2009 heeft de rechtbank de vorderingen afgewezen. Ook de vordering in reconventie, strekkend tot nietigverklaring van het octrooi, heeft de rechtbank afgewezen. 1.4. In het onderhavige kort geding heeft Agfa opnieuw een verbodsvordering en enkele nevenvorderingen ingesteld, aanvoerend over nieuw bewijs van de gestelde inbreuk te beschikken. De voorzieningenrechter heeft de vorderingen afgewezen op de grond, kort samengevat, dat hij zich dient te richten naar het vonnis in de bodemzaak en dat het nieuwe bewijsmateriaal geen grond oplevert daarvan af te wijken. Agfa is daarbij als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten van Xingraphics c.s., die zijn begroot op € 120.000,-. Deze kostenveroordeling is niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat Xingraphics c.s. dat niet hadden gevorderd. 1.5. Op 29 januari 2013 (zaaknr. 200.052.587/01, IEPT20130129) heeft dit hof in het hoger beroep van Agfa tegen het vonnis in de bodemzaak arrest gewezen. Het hof heeft het vonnis, voor zover in conventie gewezen, vernietigd en de vorderingen van Agfa grotendeels toegewezen. In reconventie heeft het hof het vonnis bekrachtigd. Xingraphics c.s. hebben van dit arrest cassatieberoep ingesteld. 1.6. In procedures in Duitsland met betrekking tot hetzelfde octrooi zijn het Bundesgerichtshof en het Oberlandesgericht Düsseldorf ten aanzien van respectievelijk de geldigheid van het octrooi en de gestelde inbreuk in 2012 en 2013 tot vergelijkbare oordelen gekomen als dit hof in zijn arrest van 29 januari 2013. 2. In hun incidentele memorie voeren Xingraphics c.s. aan dat Agfa, gelet op het arrest van dit hof in de bodemzaak, geen belang meer heeft bij het onderhavige hoger beroep tegen het kort gedingvonnis, nu haar vorderingen in de bodemzaak uitvoerbaar bij voorraad zijn toegewezen. Xingraphics c.s. wensen echter alsnog de proceskosten die hen in dat vonnis zijn toegewezen te incasseren. Zij zijn daartoe niet in staat omdat de betreffende veroordeling niet uitvoerbaar bij voorraad is verklaard. De reden daarvoor is dat Xingraphics c.s. hebben nagelaten in eerste aanleg uitvoerbaar bij voorraad verklaring te vorderen. Zij stellen dat de door art. 234 Rv. voorgeschreven belangenafweging ertoe dient te leiden dat bedoelde proceskostenveroordeling alsnog, hangende het hoger beroep tegen het vonnis, uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard. 3. Agfa bestrijdt dat zij geen belang meer heeft bij het onderhavige beroep. Zij stelt, gelet op het ingestelde cassatieberoep, nog steeds belang te hebben bij de gevraagde voorzieningen. Althans heeft zij belang bij beoordeling van haar grieven met het oog op de proceskostenveroordeling in eerste aanleg. Agfa verzet zich tegen de gevorderde uitvoerbaar bij voorraad verklaring, stellend dat in de bodemprocedure is vastgesteld dat zij het gelijk aan haar zijde heeft. Aangezien het hof in dit kort geding zijn oordeel zal moeten afstemmen op zijn eerdere oordeel in de bodemzaak, zal de uitkomst van het onderhavige hoger beroep niet anders kunnen zijn dan dat het vonnis waarvan beroep wordt vernietigd, zodat Xingraphics c.s. geen recht hebben op de in dat vonnis te hunner gunste toegekende proceskostenvergoeding. Daarnaast voert zij aan dat niet valt in te zien waarom Xingraphics c.s. er voldoende belang bij hebben de proceskostenvergoeding thans, ruim drie jaar na het vonnis waarvan beroep en in het zicht van de uitspraak in het hoger beroep van dat vonnis, te incasseren, dit tegenover het belang van Agfa geen restitutierisico te lopen. Subsidiair acht zij het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar, respectievelijk in strijd met art. 1019h Rv., dat Xingraphics c.s. de kostenvergoeding incasseren terwijl zij ten gronde in het ongelijk zijn gesteld. Tot slot beroepen zij zich op ongerechtvaardigde verrijking. 4. Bij pleidooi hebben Xingraphics c.s. zich nader op het standpunt gesteld dat bij de in het kader van art. 234 Rv. te maken belangenafweging de kans van slagen van het hoger beroep buiten beschouwing moet blijven. Voor het geval het hof daarover anders mocht oordelen, stellen zij dat, waar Agfa nog slechts belang heeft bij haar hoger beroep met het oog op de proceskostenveroordeling, het hof in het kader van dit incident slechts mag beoordelen of de voorzieningenrechter destijds tot een juist oordeel is gekomen (toetsing ex tunc), wat tot gevolg heeft dat op het arrest van dit hof in de bodemzaak geen acht mag worden geslagen. 5. Ten aanzien van de incidenten van art. 234, 235 en 351 Rv. (uitvoerbaar bij voorraad-verklaring, zekerheid, of schorsing van de tenuitvoerlegging) geldt ingevolge het arrest van de Hoge Raad van 30 mei 2008 (NJ 2008, 311): (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.