GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling civiel recht Zaaknummer : 200.130.103/01 Zaak-/rolnummer rechtbank : C/09/385929/HA ZA 11-297 C/09/405224/HA ZA 11-2550 arrest van 29 oktober 2013 inzake LINIPER EXPLOITATIE I B.V., gevestigd te ‘s-Gravezande, gemeente Westland,verzoekster in het incident, appellant in de hoofdzaak, hierna te noemen: Liniper, advocaat: mr. P.C.W. Viëtor te Amersfoort, tegen 1. ITS ROTTERDAM B.V., 2. ITS-VERMEER TIMMERFABRIEK B.V.,gevestigd te Rotterdam, verweersters in het incident, geïntimeerden in de hoofdzaak, hierna te noemen: ITS, advocaat: mr. B.D. Bos te Rotterdam. Verloop van het geding Bij exploot van 12 april 2013 is Liniper in hoger beroep gekomen van het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Den Haag van 13 maart 2013. Bij memorie van grieven, tevens houdende incidentele vordering ex. art. 351 Rv. en art. 235 Rv., met producties, heeft Liniper elf grieven tegen het vonnis waarvan beroep aangevoerd. In het incident vordert zij primair schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis en subsidiair zekerheidstelling, een en ander als bedoeld in de artikelen 351 en 235 Rv. In haar memorie van antwoord in het incident concludeert ITS tot toewijzing van de primaire vordering onder de opschortende voorwaarde dat door Liniper ten gunste van ITS een bankgarantie wordt gesteld ter hoogte van € 52.000,-, althans een door het hof te bepalen bedrag. Vervolgens hebben partijen, Liniper onder overlegging van haar procesdossier, arrest gevraagd. Beoordeling van de incidentele vordering 1. In het vonnis waarvan beroep is Liniper in de zaak met nummer 11-2550 veroordeeld tot betaling aan ITS-Vermeer van diverse bedragen, in hoofdsom ruim € 90.000,-, vermeerderd met de wettelijke handelsrente, alsmede een bedrag voor buitengerechtelijke incassokosten en de proceskosten. In de zaak met nummer 11-297 zijn de vorderingen van Liniper afgewezen en is zij veroordeeld in de proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. 2. Op grond van in zoverre niet weersproken stellingen van Liniper staat vast dat ITS het vonnis waarvan beroep is gaan executeren. In dat kader heeft zij de Rabobank (hierna: de bank), als hypotheekhouder van het aan Liniper toebehorende onroerend goed gelegen aan de Kerkweg 2/2b te Nootdorp, waarop door ITS beslag is gelegd, verzocht de executoriale verkoop daarvan over te nemen, waarop de bank positief heeft beslist. 3. Liniper grondt haar vordering tot schorsing van de executie op de stelling dat ITS geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij gebruikmaking van haar executiebevoegdheid, aangezien de executie geen positieve opbrengst voor haar zal opleveren. In dat kader stelt zij dat haar schuld aan de bank € 1.205.000,- bedraagt, terwijl de indicatieve executiewaarde van het pand aan de Kerkweg 2 € 980.000,- bedraagt. Aansturen op executie heeft om die reden volgens Liniper geen ander doel dan haar te schaden. Liniper stelt een groot belang te hebben bij het behoud van haar pand omdat zij daarin een horecagelegenheid exploiteert.Daarnaast, aldus Liniper, zijn feiten bekend geworden die er in hoger beroep naar alle waarschijnlijkheid toe zullen leiden dat het bedrag waartoe zij in eerste aanleg is veroordeeld, aanzienlijk lager zal uitvallen. Zij verwijst daarbij naar hetgeen zij aanvoert in de nrs. 3.77-3.79 van haar memorie van grieven. Bovendien, zo stelt Liniper, heeft de heer […], directeur-grootaandeelhouder van Liniper, inmiddels een tegenvordering op ITS, waarvoor hij tot een bedrag van € 65.000,- beslag heeft doen leggen onder Liniper, op hetgeen Liniper mogelijk aan ITS verschuldigd is. Bij die stand van zaken heeft ITS geen rechtens te respecteren belang bij gebruikmaking van haar executiebevoegdheid. Tot slot stelt Liniper te hebben aangeboden zekerheid te verstrekken voor het gedeelte van de vordering van ITS dat niet is getroffen door het – naar het hof begrijpt: door […] gelegde – beslag en overblijft na verrekening met reeds door Liniper betaalde voorschotten.Aan deze gestelde feiten verbindt Liniper de conclusie dat ITS misbruik maakt van haar executiebevoegdheid. 4. Haar subsidiaire vordering tot zekerheidsstelling onderbouwt Liniper door haar schade als gevolg van de executie te begroten en wel op een bedrag van € 920.000,-. 5. ITS stelt voorop dat zij de stellingen van Liniper ontkent en betwist. Zij erkent vervolgens als juist dat Liniper heeft aangeboden voor een bedrag van € 40.000,- zekerheid te stellen. ITS stelt de daaraan door Liniper verbonden voorwaarde, te weten: opheffing van het beslag, onaanvaardbaar te achten. Wel is zij bereid de executie op te schorten onder de opschortende voorwaarde dat door Liniper een bankgarantie wordt gesteld ter hoogte van € 52.000,-. Zij concludeert tot toewijzing van de primaire vordering onder deze opschortende voorwaarde (althans het stellen van een bankgarantie tot een door het hof te bepalen bedrag). 6. De door ITS aan toewijzing van de primaire vordering verbonden voorwaarde behelst een verplichting voor Liniper waarvan niet zonder meer verondersteld kan worden dat zij daarmee akkoord kan gaan, te meer niet nu Liniper zelf, blijkens de door haar als productie 10 bij memorie van grieven overgelegde correspondentie, een bankgarantie tot een bedrag van € 40.000,- heeft aangeboden tegen opheffing van het beslag (dus niet slechts: schorsing van de executie). Hetgeen door ITS toewijsbaar wordt geacht kan dus niet worden aangemerkt als te zijn begrepen als een gedeelte (‘het mindere’) van het door Liniper primair gevorderde en is om die reden niet toewijsbaar. Gelet op de door ITS vooropgestelde betwisting van de stellingen van Liniper en het uit haar memorie, alsook voormelde correspondentie blijkende standpunt van ITS, begrijpt het hof de conclusie van ITS aan het slot van haar memorie aldus dat zij voor dat geval afwijzing van de incidentele vordering wenst. Het hof zal derhalve onderzoeken of de vordering toewijsbaar is. Primaire vordering: schorsing van de executie 7. Op grond van HR 22 april 1983, NJ 1984, 145 en (onder meer) HR 9 april 2004, NJ 2005, 130 geldt voor de beoordeling van een vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis (ook in een incident ex art. 351 Rv.) dat een partij die zodanig vonnis heeft verkregen in beginsel bevoegd is dat vonnis te executeren, ook indien tegen het vonnis hoger beroep is ingesteld, maar dat die bevoegdheid niet mag worden misbruikt. Van een dergelijk misbruik kan ingevolge artikel 3:13 lid 2 BW sprake zijn indien de executant, mede gelet op de belangen aan de zijde van de wederpartij die door de executie kunnen worden geschaad, geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij de gebruikmaking van zijn bevoegdheid om in afwachting van de uitslag van het hoger beroep tot tenuitvoerlegging over te gaan. Dat zal het geval kunnen zijn indien het te executeren vonnis kennelijk op een juridische of feitelijke misslag berust of indien na het vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten meebrengen dat executie van het vonnis voor degene ten laste van wie het vonnis wordt geëxecuteerd klaarblijkelijk een noodtoestand zou doen ontstaan. 8. Uit het arrest van 30 mei 2008 (NJ 2008, 311) valt af te leiden dat volgens de Hoge Raad ten aanzien van de incidenten van art. 234, 235 en 351 Rv. (uitvoerbaar bij voorraad-verklaring, zekerheid, of schorsing van de tenuitvoerlegging) geldt: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.