GERECHTSHOF DEN HAAG Team Belastingrecht meervoudige kamer nummer BK-13/00412 Uitspraak d.d. 20 december 2013 in het geding tussen: [X] te [Z], belanghebbende, en de directeur van de Belastingdienst Holland-Midden, de Inspecteur, op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 26 april 2013, nummer SGR 12/9883, betreffende vergoeding van proceskosten. Aanslag, bezwaar en geding in eerste aanleg 1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 2008 een aanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen opgelegd. 1.2. Bij uitspraak van de Inspecteur, gedagtekend 21 april 2012, is deze geheel tegemoet gekomen aan het tegen de aanslag gemaakte bezwaar. 1.3. Belanghebbende heeft beroep bij de rechtbank ingesteld. Een griffierecht van € 42 is geheven. De rechtbank heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Loop van het geding in hoger beroep 2.1. Belanghebbende is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. Een griffierecht van € 118 is geheven. 2.2. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. 2.3. Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend. De Inspecteur heeft, hoewel daartoe door het Hof in de gelegenheid gesteld, geen conclusie van dupliek ingediend. 2.4. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 1 oktober 2013, gehouden te Den Haag. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt. Vaststaande feiten Op grond van de stukken van het geding is in hoger beroep, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, het volgende komen vast te staan: 3.1. Belanghebbende heeft voor de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen voor het jaar 2008 aangifte gedaan van een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 41.690 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 3.471. 3.2. Bij brief van 12 april 2011 heeft de Inspecteur omtrent de aangifte schriftelijke informatie en bewijsstukken gevraagd. Hierbij is een termijn voor reactie gesteld tot 3 mei 2011. Nadat deze datum was verstreken, zonder dat de Inspecteur een reactie van belanghebbende had ontvangen, heeft de Inspecteur belanghebbende op 9 mei 2011 een herinnering gestuurd. 3.3. Bij brief van 15 juni 2011 heeft de Inspecteur belanghebbende een brief gestuurd waarin hij meedeelt nog geen informatie te hebben ontvangen en aankondigt voornemens te zijn van de aangifte af te wijken. Dit voornemen is in de brief in detail toegelicht. Tevens is vermeld dat als belanghebbende het daar niet mee eens is, hij voor 6 juli 2011 kan reageren en dat, als zodanige reactie voor die datum uitblijft, de aanslag overeenkomstig het in de brief verwoorde voornemen van de Inspecteur zal worden opgelegd. 3.4. Bij brief van 29 juli 2011 heeft de Inspecteur belanghebbende meegedeeld dat hij geen reactie heeft ontvangen op zijn brief van 15 juni 2011 en aangekondigd dat hij in afwijking van de aangifte het belastbaar inkomen uit werk en woning vaststelt op € 50.497. Met dagtekening 19 augustus 2011 is de aanslag dienovereenkomstig opgelegd. 3.5. Op 23 september 2011 heeft belanghebbende een bezwaarschrift tegen de aanslag bij de infobalie van het belastingkantoor in [Z] afgegeven. De inhoud luidt – voor zover thans van belang -: “(…) Door persoonlijke omstandigheden (langdurige ziekenhuisopnamen) ben ik niet in de gelegenheid geweest om te reageren op verzoeken van uw dienst tot het verstrekken van de gevraagde inlichtingen. Omdat het jaar van de opgelegde aanslag alweer enkele jaren achter ons ligt, weet ik niet meer hoe mijn aangifte over het jaar 2008 is berekend. Ik zal me hiervoor in verbinding moeten stellen met mijn belastingconsulent die bedoelde aangifte heeft opgesteld naar aanleiding van door mij verstrekte bescheiden en inlichtingen. Verder merk ik op dat de gevraagde toelichting op de opgegeven post persoonsgebonden aftrek lijkt op het vragen naar de bekende weg. Deze posten worden al een reeks van jaren opgevoerd, zijn onder andere onderwerp van een ingesteld beroep bij de belastingkamer en zijn door uw dienst voor het aanslagjaar 2007 wel geaccepteerd. Bij de aangifte over het jaar 2006 zijn wat betreft de vervoerskosten in verband met bezoeken van mijn jongste kind door de zorginstelling verklaringen afgelegd, zo ook over zijn extra kosten van kleding en beddengoed. Deze kosten worden door mij nog immer betaald. Zijn situatie is (helaas) ongewijzigd en dat zal ook wel zo blijven. Rest mij nog aan te geven dat ik gebruik wil maken van mijn recht om een mondelinge toelichting te geven op het bezwaar (…).” 3.6. De gemachtigde van belanghebbende heeft bij het beroepschrift dat bij de rechtbank is ingediend drie bijlagen gevoegd, waaronder een kopie van een niet ondertekende brief van 1 november 2011 van Belastingadviesbureau knt [A] te [Q] aan de Inspecteur met een aanvulling op het bezwaarschrift. De inhoud luidt – voor zover thans van belang -: “Ovv 7.15 AWB bericht kantoor, bezwaar van betrokkene, welke zich tot ons kantoor heeft gewend daarmee aanvullend kan, zullen de door U gewenste stukken alsnog worden verzameld. het ontbrekende bedrag is > € 5833. het verzamelinkomen € 53968 wordt bestreden. B.h. was door ernstige ziekte verhinderd, waardoor u niet is geantwoord, waarvoor excuus. Er zullen misschien ook nog wat aanvullingen komen op deze aangifte. (…) U krijgt zo spoedig mogelijk bericht” Als nader stuk voor de zitting in hoger beroep heeft de gemachtigde van belanghebbende een tweede kopie van de brief in het geding gebracht. Daaruit blijkt dat de brief is ondertekend door belanghebbende zelf, dat daarop ook een stempel met paraaf van de gemachtigde is aangebracht en voorts dat daarop een stempelafdruk voorkomt waaruit blijkt dat de brief op 1 november 2011 is afgegeven bij de Infobalie van de Belastingdienst te [Z]. De Inspecteur heeft ter zitting van het Hof te kennen gegeven dat hij die brief hangende het bezwaar niet heeft ontvangen. 3.7. Bij brief van 29 februari 2012 heeft de Inspecteur belanghebbende te kennen gegeven voornemens te zijn gedeeltelijk aan het bezwaar tegemoet te komen en heeft hij hem in de gelegenheid gesteld het bezwaarschrift desgewenst mondeling toe te lichten en/of vóór 21 maart 2012 een schriftelijke reactie te geven. 3.8. Bij brief van 28 maart 2012 heeft belanghebbende de Inspecteur geantwoord: “door twee chemokuren eind februari en medio maart heb ik niet kunnen voldoen aan de aanleveringsdatum genoemd in uw brief van 29-2-2012. Na zo’n kuur ben ik twee weken tot niets of nauwelijks iets in staat vanwege de bijwerkingen. Ik heb alle bescheiden bijgevoegd die zijn gebruikt bij de aangifte 2008. Vragen die betrekking hebben op de aangegeven ziektekosten of andere buitengewone uitgaven kunnen worden beantwoord door Hr [B] van kantoor [A] et [Q]. Mocht U van mij info willen, kunt U bellen met [telefoonnummer] (…).” 3.9. Bij brief van 4 april 2012 heeft de Inspecteur belanghebbende laten weten: “Hierbij bevestig ik ons telefonisch onderhoud van hedenmorgen. Ik heb u bedankt voor de door u bij uw brief van 28 maart 2012 verstrekte informatie, waardoor aan uw bezwaren tegen de aanslag (…) geheel kan worden tegemoetgekomen. De door u verstrekte informatie treft u hierbij weer aan. (…).” 3.10. Met dagtekening 21 april 2012 heeft de Inspecteur uitspraak op het bezwaar gedaan. Daarbij is de Inspecteur geheel aan het bezwaar van belanghebbende tegemoetgekomen en is geen beslissing genomen omtrent vergoeding van proceskosten. 3.11. Bij brief van 8 oktober 2012 heeft kantoor [A], belastingadviesbureau, de Inspecteur bericht: “Onder verwijzing naar telefoongesprek 1-8-2012, inzake [...] (dd 21 april 2012) dhr [X], te [Z] [adres], is U door onze medewerker dhr [B] mede in het zicht bvan een zich beter ontwikkelende samenwerking verzocht tot het nazien van het schriftelijke aanvullende verzoek dd 1-11-2011 (kopie bijgaand), om b.pl. de hem toekomende bezwaarfase kosten vergoeding ex 7:15 AWB te doen toekomen, waarop de belastingdienst in verzuim is. Daarop is niets meer vernomen. Onder: verwijs naar 4:15 AWB, 4:17 en 4:18 stelt kantoor hierbij 6:11 in. Zie ook (visie kantoor in feite is bevestigd in:) Min. V Financiën 15-8-2012 n DGB 2012 4227, voor de mogelijkheid tot separate uitspraak, ao. (dus) ook ingeval van een dergelijk voornoemd verzuim. Waartoe U is verzocht in voornoemd telefoongesprek. Waarop U dat ambtshalve nogmaals zal gaan bezien. ? In afwachting van Uw bericht, [stempel met paraaf]” 3.12. Bij brief van 17 oktober 2012 heeft de Inspecteur kantoor [A] geantwoord – voor zover thans van belang –: “In uw brief van 8 oktober 2012 verzoekt u mij om een schriftelijke toelichting op de gedane uitspraak op het door mij van de heer [X] op 23 september 2011 ontvangen bezwaarschrift (…). Uw grief is dat aan de heer [X] geen kostenvergoeding wordt toegekend. Voor een kostenvergoeding is nodig dat er sprake is van een aan de Belastingdienst te wijten onrechtmatigheid. In zijn bezwaarschrift heeft de heer [X] erkend dat er geen sprake is van een aan de Belastingdienst te wijten onrechtmatigheid, omdat niet is gereageerd op de tijdens de behandeling van de aangifte (…) gedane verzoeken tot het verstrekken van inlichtingen. Deze zelfde erkenning ligt ook besloten in de door u geschreven brief van 1 november 2011, waarin zelfs excuus wordt aangeboden, die door mij is geaccepteerd.” 3.13. Een brief van (zoals door het Hof gelezen met verbetering van typefouten) 17 oktober 2012, ondertekend namens Belastingadviesbureau knt [A], en gericht aan de Inspecteur luidt: “Inzake: dhr [X] te [Z] [adres] [Z], IB PH 2008 [...] inzake 7:15 AWB uitvoering ingediend aanvullend bezwaarschrift 1-11-2011 onder herinnering aan/verwijs naar /eerdere uitoefening van/ 4.15/ 4:17,, 4:18 AWB, middels brief dd 08-10-2012, afgegeven 10 okt 2012. nogmaals definitief termijn stellend, van U te mogen vernemen, zpoals U dat eerder mondeling ook heeft/ had toegezegd, maar dit niet is nagekomen. Hoogachtend, [stempels en parafen]” 3.14. Blijkens een brief van de Inspecteur van 22 oktober 2012 is de onder 3.13 aangehaalde brief op 18 oktober 2012 bij de Inspecteur ingekomen. De brief van 22 oktober 2012 houdt in: “(…) Ter beantwoording verwijs ik naar mijn brief van 17 oktober 2012 aan Kantoor [A].” Geschil in hoger beroep en standpunten van partijen 4.1. In geschil is of de rechtbank het beroep terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, hetgeen belanghebbende betwist. Belanghebbende is van mening dat hij recht heeft op vergoeding van proceskosten en voorts op betaling van een dwangsom door de Inspecteur en op een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. 4.2. De Inspecteur heeft de standpunten van belanghebbende bestreden. 4.3. Voor de standpunten van partijen en de gronden waarop deze steunen, verwijst het Hof verder naar de gedingstukken. Conclusies van partijen 5.1. Het hoger beroep van belanghebbende strekt tot vergoeding door de Inspecteur van proceskosten van de bezwaarfase, tot betaling door de Inspecteur van een dwangsom van € 1.260 en tot betaling van een schadevergoeding van € 500 wegens overschrijding van de redelijke termijn. 5.2. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank en tot afwijzing van al hetgeen belanghebbende overigens verzoekt. Oordeel van de rechtbank 6. De rechtbank heeft geoordeeld: “4. Tussen partijen is in geschil of [belanghebbende] recht heeft op een vergoeding van kosten die hij redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van zijn bezwaar. Meer in het bijzonder is daarbij in geschil of sprake is van een onrechtmatigheid in de zin van artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). 5. Voordat aan een inhoudelijke behandeling van het beroep kan worden toegekomen dient de rechtbank eerst te oordelen of het beroep van [belanghebbende] ontvankelijk is. 6. Ingevolge artikel 6:7 van de Awb bedraagt de termijn voor het indienen van een beroepschrift zes weken. Deze termijn vangt ingevolge artikel 26c van de Algemene wet inzake rijksbelasting (hierna: Awr) aan op de dag na die van dagtekening van de uitspraak van de inspecteur, tenzij de dag van dagtekening is gelegen vóór de dag van de bekendmaking. Ingevolge artikel 6:9, eerste lid, van de Awb is een beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. 7. Bekendmaking van een besluit kan ingevolge artikel 3:41 van de Awb onder meer geschieden door toezending. Indien de bekendmaking van het besluit geschiedt door toezending, kan in de regel ervan worden uitgegaan dat met de terpostbezorging van het besluit de bekendmaking heeft plaatsgevonden. In een zodanig geval vangt ingevolge artikel 26c van de Awr de termijn voor het instellen van beroep aan met ingang van de dag na die van dagtekening van de uitspraak van de inspecteur, tenzij de dag van dagtekening is gelegen vóór de dag van terpostbezorging. Deze regel lijdt echter uitzondering indien de zending [belanghebbende], dan wel zijn gemachtigde niet heeft bereikt en dat het gevolg is van een fout van [de Inspecteur]. In een zodanig geval kan niet worden gezegd dat bekendmaking van de uitspraak op voorgeschreven wijze heeft plaatsgevonden. Indien de uitspraak niet op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt, vangt de beroepstermijn pas aan op de dag van de ontvangst door de [belanghebbende], dan wel zijn gemachtigde van de uitspraak. 8. De bewijslast met betrekking tot het tijdig indienen van het beroepschrift rust op [belanghebbende]. De gemachtigde heeft ter zitting gesteld dat de uitspraak op bezwaar ten onrechte aan [belanghebbende] in plaats van hem is verzonden. Naar de rechtbank verstaat, bedoelt de gemachtigde hiermee te stellen dat de uitspraak niet op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt, zodat de beroepstermijn pas is gaan lopen op het moment dat de gemachtigde bekend werd met de uitspraak op bezwaar. 9. Naar het oordeel van de rechtbank vindt de hiervoor genoemde stelling geen steun in de stukken van het geding. Uit de stukken is gebleken dat [belanghebbende] zelf (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.