datum uitspraak 25 juli 2013 GERECHTSHOF DEN HAAG raadkamer BESCHIKKING gegeven op het hoger beroep tegen de beschikking van de rechtbank ’s-Gravenhage van 28 februari 2012 op een verzoekschrift, op grond van artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering ingediend door: verzoekster, in deze zaak domicilie kiezende aan het kantooradres van haar advocaat mr. M. Baijens aan de Oude Willemsweg 5, 8439 SM Oude Willem. Procesgang Bij vonnis van de kantonrechter te Rotterdam van 29 november 2011 is verzoeker vrijgesproken van het aan haar in haar strafzaak tenlastegelegde. Verzoekster heeft vervolgens bij een op 1 maart 2012 ter griffie van de rechtbank Rotterdam binnengekomen verzoekschrift verzocht haar op de voet van artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering een bedrag toe te kennen van € 2.129,25 als vergoeding voor de kosten van rechtsbijstand in de strafzaak, een bedrag van € 5,40 als vergoeding voor de door verzoekster in verband met zittingen gemaakte reiskosten, alsmede de forfaitaire vergoeding van € 540,- voor kosten van rechtsbijstand in verband met het opstellen, indienen en behandelen van het onderhavige verzoekschrift, derhalve in totaal een bedrag van € 2.674,55. De rechtbank Rotterdam heeft bij beschikking van 19 februari 2013 het verzoek integraal toegewezen en aan verzoekster de verzochte vergoeding van € 2.674,55 toegekend. De officier van justitie heeft op 26 februari 2013 hoger beroep tegen deze beschikking ingesteld. Het hof heeft dit hoger beroep op 13 juni 2013 in raad-kamer behandeld. In raadkamer is gehoord de advocaat van verzoekster, mr. Bayens, en de advocaat-generaal mr. Wösten. Verzoekster is –hoewel behoorlijk opgeroepen- niet in raadkamer verschenen. De advocaat-generaal heeft –anders dan het schriftelijke standpunt van de advocaat-generaal van 30 mei 2013- geconcludeerd tot afwijzing van het hoger beroep van de officier van justitie. Beoordeling van de beschikking waarvan beroep De strafzaak tegen verzoekster is geëindigd met een beslissing, die haar op grond van artikel 591a, eerste en tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering in beginsel recht geeft op vergoeding van de ten behoeve van de strafzaak gemaakte reiskosten en kosten voor rechtsbijstand, indien en voor zover daartoe, naar het oordeel van het hof, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn. Het hof dient derhalve vast te stellen of er daadwerke-lijk sprake is van kosten voor rechtsbijstand en zo ja, of deze kosten ook ten laste van verzoeker zijn gekomen of nog zullen komen. In eerste aanleg heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat –nu de advocaat van verzoekster heeft verklaard dat de declaratie voor de verleende rechtsbijstand nog niet nog door verzoekster is voldaan- verzoekster geen kosten voor rechtsbijstand in de zin van artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering heeft gemaakt en dat het verzoek voor wat betreft de verzochte vergoeding voor kosten van rechtsbijstand in de strafzaak dient te worden afgewezen. De rechtbank heeft op dit punt het volgende overwogen: “De rechtbank verwerpt evenwel de stelling van de officier van justitie dat de kosten voor rechtsbijstand niet daadwerkelijk ten laste van verzoekster zijn gekomen zolang zij de factuur van haar advocaat nog niet heeft voldaan. Gebleken is immers dat de verzoekster een schuld aan haar advocaat heeft in de vorm van een betalingsverplichting. Een dergelijke schuld tast naar haar aard het vermogen van de cliënt van een advocaat in negatieve zin aan. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het ontstaan van een betalingsverplichting krachtens een vooraf gemaakte afspraak tussen een advocaat en zijn cliënt reeds meebrengt dat de kosten voor rechtsbijstand daadwerkelijk ten laste van betrokken cliënt zijn gekomen. Naast een urenstaat, de declaratie(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.