GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling Civiel recht Zaaknummer: 200.096.588/01 Rolnummer rechtbank: 289557 / HA ZA 07-1904 Arrest van 20 augustus 2013 inzake 1 [appellant], 2. [appellante], beiden wonende te [woonplaats], appellanten, hierna ook te noemen: [appellant] en [appellante]. advocaat: mr. L. Daum te Alphen aan den Rijn, tegen 1Mr. Wytze VAN LEUVEREN,voor deze zaak woonplaats hebbende te Waddinxveen, 2. Mr. Mark AUKEMA,woonplaats hebbende te Leiden, beiden in hun hoedanigheid van curator in de faillissementen van: ZUID-HOLLANDSE GLASCENTRALE BEHEER B.V., ZUID-HOLLANDSE GLASCENTRALE GLASINAL B.V., ZUID-HOLLANDSE GLASCENTRALE HANDEL B.V., ZUID-HOLLANDSE GLASCENTRALE NIEUWBOUW B.V., ZUID-HOLLANDSE GLASCENTRALE RENOVATIE B.V., ZUID-HOLLANDSE GLASCENTRALE NIJVERHEID B.V., GOUDSE GLASCENTRALE B.V., GOUDSE GLASCENTRALE MIJDRECHT B.V. geïntimeerden, hierna te noemen: de curatoren, advocaat: mr. M.M. Hoving te Leiden. 1Het geding Bij exploot van 14 juli 2011 zijn appellanten in hoger beroep gekomen van het door de rechtbank 's-Gravenhage tussen onder meer de hiervoor genoemde partijen gewezen vonnis van 11 mei 2011. Nadat appellanten bij vervroeging waren opgeroepen, hebben zij bij memorie van grieven (met producties) 16 grieven aangevoerd, die door de curatoren bij memorie van antwoord zijn bestreden. Vervolgens zijn stukken overgelegd en is arrest gevraagd. 2Beoordeling van het hoger beroep 2.1 De door de rechtbank in haar vonnis onder 3.1-3.6, 3.8-3.12, 3.15, 3.16 , 3.18 en 3.19 vastgestelde feiten zijn in hoger beroep niet bestreden. Ook het hof gaat van die feiten uit. 2.2 Het gaat in deze zaak om het volgende: Bij vonnissen van 31 maart 2006, althans 5 april 2006, zijn de in de kop van dit arrest onder a. tot en met h. genoemde vennootschappen in staat van faillissement verklaard, met aanstelling van de curatoren als zodanig. De onder b. tot en met h. vermelde vennootschappen waren werkmaatschappijen (verder: de werkmaatschappijen). De aandelen van deze werkmaatschappijen werden gehouden door de onder a. vermelde vennootschap als tussenholding (verder: Beheer). De aandelen van Beheer worden gehouden door - de niet failliet verklaarde - vennootschap genaamd [naam] Holding B.V. (verder: Holding). De aandelen van Holding werden gehouden door [appellant] en diens broer [naam broer] (verder: [de broer]). [de broer] is op 2 mei 2008 overleden. In de loop der jaren zijn in elk geval [de broer] en [appellant] statutair bestuurder van één of meer werkmaatschappijen en/of Beheer geweest. In de visie van de curatoren hebben [bestuurder] (verder: [bestuurder]) en [appellante], echtgenote van [appellant], als feitelijk bestuurder gefungeerd. [bestuurder] is een neef (oomzegger) van wijlen [de broer] en van [appellant]. Hij heeft sedert (omstreeks) 1996 de dagelijkse leiding van Beheer en de werkmaatschappijen (tezamen verder ook: de groep) gekregen. De curatoren achten de genoemde personen wegens kennelijk onbehoorlijk bestuur, althans anderszins onrechtmatig handelen, aansprakelijk voor het boedeltekort in de faillissementen van Beheer en de werkmaatschappijen. 2.3 De rechtbank heeft bij het bestreden vonnis de genoemde vier personen als bestuurders hoofdelijk aansprakelijk geacht voor het totale tekort in de faillissementen en hen dienovereenkomstig veroordeeld, zij het dat de aansprakelijkheid van [appellante] is gematigd tot 14% van het faillissementstekort. 2.4 De erven van [de broer] alsmede [bestuurder] hebben los van de onderhavige zaak hoger beroep tegen dat vonnis ingesteld. de vordering tegen [appellant] 2.5 Omtrent de aansprakelijkheid van [appellant] wordt het volgende overwogen. 2.6 [appellant] is in de hierna aangeduide perioden statutair bestuurder van de eveneens hierna genoemde vennootschappen geweest. Van 1 september 1980 tot 23 maart 2005 tezamen met [de broer] statutair bestuurder van de werkmaatschappijen sub b t/m e. Van 1 november 2005 statutair bestuurder van Beheer. Als zodanig was hij in die periode tevens indirect bestuurder van de werkmaatschappijen sub b t/m e, g en h. Sedert 1 september 1980 tezamen met [de broer] statutair bestuurder van werkmaatschappij sub f. 2.7 Tussen [appellant] en de curatoren staat in deze zaak vast dat Beheer met betrekking tot de boekjaren 2003 en 2004 niet (op deugdelijke wijze) aan haar publicatieplicht heeft voldaan. [appellant] heeft niet gemotiveerd betwist dat ook de werkmaatschappijen wat betreft het boekjaar 2004 in strijd met hun publicatieplicht hebben gehandeld. 2.8 Op grond van artikel 2:248, lid 2, BW volgt uit het voorafgaande dat het bestuur van Beheer (dat vanaf 1 november 2005 door [appellant] werd gevoerd) en de besturen van de werkmaatschappijen (waarvan hij direct of indirect deel uitmaakte) hun taak onbehoorlijk hebben vervuld en dat wordt vermoed dat die onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak van de desbetreffende faillissementen is. 2.9 Grief 6 van [appellant] is gebaseerd op de stelling dat hij het hiervoor weergegeven vermoeden heeft ontzenuwd. 2.10 Omtrent het in dit verband toe te passen criterium wordt overwogen dat een redelijke uitleg van artikel 2:248, lid 2, BW meebrengt dat voor het ontzenuwen van het daarin neergelegde vermoeden volstaat dat de aangesproken bestuurder aannemelijk maakt dat andere feiten en omstandigheden dan zijn onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak van het faillissement zijn geweest. Stelt de bestuurder daartoe een (van buiten komende) andere oorzaak en wordt de bestuurder door de curator verweten dat hij heeft nagelaten het intreden van die oorzaak te voorkomen, dan zal de bestuurder (tevens) feiten en omstandigheden moeten stellen en zo nodig aannemelijk maken waaruit blijkt dat dit nalaten geen onbehoorlijke taakvervulling oplevert. Als hij daarin slaagt, ligt het op de weg van de curator op de voet van het eerste lid van artikel 2:248 BW aannemelijk te maken dat nochtans de kennelijk onbehoorlijke taakvervulling mede een belangrijke oorzaak van het faillissement is geweest. (Hoge Raad 30 november 2007, LJN BA6773.) 2.11 Verder wordt voorop gesteld dat het ingevolge artikel 2:248, lid 6, BW moet gaan om onbehoorlijke taakvervulling in de periode van drie jaren voorafgaande aan het desbetreffende faillissement. 2.12 [appellant] voert als ander oorzaken van de faillissementen aan: a. omzetdaling, onder andere door het wegvallen van Dura Vermeer als klant; ongunstige marktontwikkelingen; contante inkoopkortingen; onbehoorlijk werknemerschap van [werknemer] en de omzetdaling die hierop volgde. Deze oorzaken zijn in de memorie van grieven nader toegelicht. 2.13 Mede nu de curatoren stellen dat de in de stukken nader aangeduide managementvergoedingen een belangrijke oorzaak van de faillissementen zijn, zal het hof onderzoeken of hetgeen [appellant] heeft aangevoerd het oordeel rechtvaardigt dat de besturen van de betrokken vennootschappen, waarvan hij in de aangeduide periode deel heeft uitgemaakt, op het onderdeel van de managementvergoedingen hun taak naar behoren hebben vervuld, en die vergoedingen geen belangrijke oorzaak van de faillissementen zijn. 2.14 Vast staat dat binnen de periode van drie jaren voorafgaande aan de onderhavige faillissementen, meer concreet in 2003, als managementvergoedingen een totaalbedrag van € 696.511 ten laste van de werkmaatschappijen en/of Beheer en ten gunste van Holding is gebracht, dat het resultaat van de groep (steeds exclusief Holding) - rekening houdende met die kosten - over dat jaar (circa) € 414.199 negatief was, hetgeen wil zeggen dat zonder die managementvergoedingen het resultaat positief zou zijn geweest, en dat door dit verlies het negatieve eigen vermogen van de groep is opgelopen tot € 1.176.499, althans een bedrag in die orde van grootte. Vast staat tevens dat door managementvergoedingen de resultaten van de groep ook in voorafgaande jaren negatief zijn geweest. Met grief 1 heeft [appellant] een en ander wel bestreden doch dat is - in aanmerking nemende dat de curatoren hun stellingen op dit onderdeel deugdelijk, onder overlegging van producties, hebben toegelicht - niet gemotiveerd geschied. 2.15 Uit de stellingen van [appellant] volgt niet dat de genoemde zeer aanzienlijke managementvergoedingen - anders dan de curatoren hebben aangevoerd - in juridisch of economisch opzicht voor de betrokken besturen onvermijdelijke uitgaven van de desbetreffende vennootschappen vormden. 2.16 Het verlies in 2003 was dus louter het gevolg van de niet noodzakelijke managementvergoedingen. Daarmee faalt het beroep van [appellant] op de onder 2.12 vermelde andere omstandigheden. Die omstandigheden - wat daarvan ook moge zijn - hebben immers niet tot negatieve bedrijfsresultaten geleid. Zij noopten bij zorgvuldig bestuur wel tot terughoudendheid met de toekenning van managementvergoedingen, hetgeen niet is geschied. 2.17 [appellant] voert - als onderdeel van grief 7 en samenhangend met grief 1 - aan dat de managementvergoedingen geheel of voor het grootste deel in rekening-courant met Holding zijn geboekt en derhalve (voor het grootste deel) geen negatieve invloed hebben gehad op de cashflow of de liquiditeit van de betrokken vennootschap(pen). Voor zover [appellant] daarmee heeft bedoeld aan te voeren dat de vennootschap(pen) van de negatieve invloed van de desbetreffende schulden jegens Holding geen nadeel heeft(hebben) ondervonden, althans geen nadeel dat als belangrijke oorzaak van het faillissement van de vennootschap(pen) kan worden aangemerkt, faalt zijn betoog, omdat vast staat dat de bank die aan de groep krediet had verleend, het krediet heeft ingetrokken, onder meer op grond van het bestaan van een fors negatief eigen vermogen van Beheer en de werkmaatschappijen, en omdat de bedoelde schuld in rekening-courant niet was achtergesteld ten opzichte van de schulden aan de bank. Bovendien staat vast dat een grote kredietverzekeraar, vanwege de slechte vermogenspositie van de groep, aan de leveranciers geen dekking meer bood, hetgeen een ongunstige invloed op de resultaten van de groep heeft gehad. 2.18 [appellant] heeft het hiervoor aangeduide vermoeden derhalve niet ontzenuwd, althans de stelling van de curatoren dat de managementvergoedingen van onbehoorlijk bestuur getuigen en een belangrijke oorzaak van de faillissementen zijn, niet deugdelijk betwist. 2.19 De zevende grief houdt in dat [appellant] zich op de disculpatiegrond van artikel 2:248, lid 3, BW kan beroepen. Hij voert daartoe - door het hof samengevat - de volgende argumenten aan: a. [appellant] wist niet, noch behoorde te weten, dat Beheer er slecht voor stond, omdat hij vanaf 16 november 1998 volledig arbeidsongeschikt was, en daardoor tot 1 november 2005 niet als bestuurder heeft gefunctioneerd. Hij mocht aannemen dat [bestuurder] het concern wilde kopen, en op die grond menen dat [bestuurder] - die immers inzicht in de financiële positie had - terecht toekomst in het concern zag. De managementvergoedingen zijn vanaf 2005 stopgezet, dat is dus vóór zijn aantreden per 1 november 2005 als bestuurder van Beheer geschied. Hij had geen invloed op de uitkering van managementvergoedingen. De managementvergoedingen zijn door Beheer en niet door de werkmaatschappijen (aan Holding) gedaan. Daarnaast voert [appellant] in dit kader aan dat de managementvergoedingen (voor het grootste deel) zijn geboekt in rekening-courant met Holding, waardoor die vergoedingen geen negatieve invloed gehad op de cashflow of de liquiditeit van het bedrijf. Dit argument is hiervoor reeds besproken en weerlegd. 2.20 Voor een steekhoudend beroep op dergelijke disculpatie is vereist dat de bestuurder stelt, en in voorkomend geval bewijst, dat de onbehoorlijke taakvervulling door het bestuur (waarvan hij deel heeft uitgemaakt) niet aan hem is te wijten en dat hij niet nalatig is geweest in het treffen van maatregelen om de gevolgen daarvan af te wenden. 2.21 In dit geval moet een onderscheid gemaakt worden tussen (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.