GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling Civiel recht Zaaknummer : 200.100.474/01 Zaaknummer rechtbank : 386396/HAZA 11-348 arrest van 23 april 2013 inzake [appellant] , wonende teRijswijk (Zuid-Holland), appellant, hierna te noemen: [appellant], advocaat: mr. F.J. Kremer te 's-Gravenhage, tegen [geïntimeerde], wonende teNaaldwijk, gemeente Westland, geïntimeerde, hierna te noemen: [geïntimeerde], advocaat: mr. F.J. Hordijk te Naaldwijk. Het geding Bij exploot van 21 november 2011 is [appellant] in hoger beroep gekomen van een door de rechtbank Den Haag, sector civiel recht, tussen partijen gewezen vonnis van 24 augustus 2011. Bij memorie van grieven met producties heeft Huismanvier grieven aangevoerd. Bij memorie van antwoord heeft [geïntimeerde] de grieven bestreden. Vervolgens hebben partijen de stukken overgelegd en arrest gevraagd. Beoordeling van het hoger beroep 1. Het gaat in deze zaak om het volgende: [geïntimeerde] is verhuurder van het pand [adres] (hierna: het pand). Hierin heeft [X] (hierna:[X]) een sportschool geëxploiteerd. 2. Op 16 augustus 2009 ondertekenden [Y] en [X] een overeenkomst met de volgende inhoud: "1. [Y] [hof: [Y]] zal een stichting oprichten welke van [X] [[X]] koopt de goederen van [X] Sport volgens bijgevoegde en mede ondertekende lijst voor 70.000 euro. 2. De overdracht van de goederen zal plaatsvinden na betaling van de 70.000 euro aan [X] door de door [Y] op te richten stichting. 3. Tot het moment van betaling worden de genoemde goederen aan [Y] in bruikleen gegeven" Bij de overeenkomst is een inventarislijst gevoegd. 3. [X] had in december 2009 een huurschuld van € 30.000,- bij [geïntimeerde]. 4. Op 17 december 2009 is een schriftelijke overeenkomst tot stand gekomen tussen[X] en [appellant]. In deze overeenkomst is onder meer het volgende opgenomen: “1. [appellant] [hof: [appellant]] zal zich op verzoek van de verhuurder [hof: [geïntimeerde]] garant stellen voor de huurachterstand van [X] Sport zijnde 30.000 euro zodat de stichting FNWW de huurovereenkomst kan overnemen van [X] Sport [hof:[X]]. 2. Daarnaast zal [appellant] zich garant stellen voor de door verhuurder voorgeschoten 8.700 euro zijnde de aanbetaling van de lease van Stichting FNWW. 3. Als zekerheid voor deze garantstelling geeft [X] aan [appellant] de goederen van [X] Sport in onderpand. Deze goederen zijn benoemd in de bijgevoegde overeenkomst van 16-08-2009 tussen [X] en de heer [Y].” 5. Vervolgens zijn de Stichting en [geïntimeerde] op 18 december 2009 een geldleningsovereenkomst (met rente en aflossing) gedateerd 18 december 2010 (hierna: de geldleningsovereenkomst) aangegaan. In de geldleningsovereenkomst is onder meer het volgende overeengekomen: “1. De schuldeiser [hof: [geïntimeerde]] verstrekt aan de schuldenaar [hof: de Stichting] heden te leen een bedrag van € 8.700,- (...), tezamen met de achterstand van betaling uit hoofde van de huurovereenkomst zoals bij beide partijen genoegzaam gekend ad. 30.000,-. (...) 10. De heer W.J. [Y] en medeondergetekende, de heer M.E.M. [appellant] (...) verklaren zich beiden tezamen en individueel garant te staan voor alle verplichtingen van schuldenaar aan schuldeiser welke voortvloeien uit deze overeenkomst van geldlening.” 6. Vanaf 1 januari 2010 heeft [geïntimeerde] (na beëindiging van de huurovereenkomst met[X] danwel na indeplaatstelling) een huurovereenkomst gesloten met Stichting FNWW (hierna: de Stichting). De Stichting, opgericht door [Y], heeft in het pand eveneens een sportschool geëxploiteerd waarbij de inventaris door[X] aan de Stichting in gebruik is gegeven. Per 31 december 2010 is de huurovereenkomst met de Stichting met wederzijds goedvinden beëindigd. De Stichting heeft het pand vervolgens niet ontruimd. De achtergelaten goederen heeft [geïntimeerde] (deels) opgeslagen. 7. In eerste aanleg heeft [geïntimeerde] in conventie gevorderd om, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: i. [appellant] te veroordelen tot betaling van € 38.700,- te vermeerderen met 8% rente vanaf 1 januari 2010, althans met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2010, althans met de wettelijke rente vanaf 18 december 2010, althans vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening; ii. [appellant] te veroordelen tot betaling van buitengerechtelijke kosten ten bedrage van € 1.158,-, althans een in goede justitie door de rechtbank vast te stellen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening; iii. [appellant] te veroordelen tot betaling van de kosten van beslaglegging ten bedrage van € 880,- inclusief € 588,- aan griffierechten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening; iv. [appellant] te veroordelen tot betaling van de kosten van deze procedure, te voldoen binnen 14 dagen na dagtekening van het vonnis, en – voor het geval voldoening binnen de bedoelde termijn niet plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn en de nakosten ten bedrage van € 131,- dan wel, indien betekening van het vonnis plaatsvindt, € 199,-. [geïntimeerde] heeft aan zijn vordering, kort gezegd, de geldleningsovereenkomst met daarin de garantstelling door [appellant], ten grondslag gelegd. 8. In voorwaardelijke reconventie heeft [appellant] gevorderd om: ii. voorts [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling van een bedrag aan [appellant] gelijk aan het bedrag van de meerwaarde c.q. opbrengst van de bedoelde zaken welk het bedrag ad € 30.700,- te boven gaat, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag van deze conclusie; iii. met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van deze reconventionele vordering. Aan zijn verweer en deze voorwaardelijke reconventionele vordering legt [appellant], onder meer, ten grondslag dat diverse zaken, zoals genoemde op de inventarislijst bij de overeenkomst van 16 augustus 2009, feitelijk in het bezit zijn geraakt van [geïntimeerde]. Hij gaat er daarbij vanuit dat door de waarde van al deze zaken de daadwerkelijke pro resto vordering van [geïntimeerde] volledig is gedelgd en dat [geïntimeerde] zal moeten aangeven wat er met deze zaken is gebeurd. Volgens [appellant] is sprake van ongerechtvaardigde verrijking. 9. In het bestreden vonnis heeft de rechtbank in conventie (uitvoerbaar bij voorraad) [appellant] onder 5.1 veroordeeld tot betaling van € 32.076,- te vermeerderen met 8% rente vanaf 1 januari 2010 en tot betaling van € 2.038,- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding, beide tot aan de dag der algehele voldoening. Tevens is [appellant] in conventie onder 5.2 veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van [geïntimeerde], tot op dat moment bepaald op: aan verschotten, over het bedrag van € 880,- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening en aan salaris voor de advocaat, over het bedrag € 1.248,81 te vermeerderen met de wettelijke rente voor het geval voldoening binnen de termijn van 14 dagen na betekening van dit vonnis niet plaatsvindt en dan te rekenen vanaf deze termijn en de nakosten ten bedrage van € 131,-, dan wel, indien betekening van het vonnis plaatsvindt, € 199,-. De rechtbank heeft de vordering in reconventie afgewezen met (uitvoerbaar bij voorraad) veroordeling van [appellant] in de proceskosten van [geïntimeerde]. 10. De rechtbank heeft, samengevat, overwogen dat de vordering van [appellant] op basis van de geldleningsovereenkomst kan worden toegewezen behoudens voor een bedrag van € 8.000,- dat door[X] uit hoofde van huurachterstand aan [geïntimeerde] is betaald. De gevorderde rente, buitengerechtelijke kosten, kosten beslaglegging en de rente daarover en de rente over de proceskosten acht de rechtbank niet (voldoende) bestreden en derhalve toewijsbaar. In reconventie heeft de rechtbank overwogen dat tussen partijen niet in geschil is dat [appellant] geen ander recht heeft gesteld dan een bezitloos pandrecht. Naar het oordeel van de rechtbank komt de vordering uit hoofde van ongerechtvaardigde verrijking in beginsel toe aan de eigenaar van de verpande zaken, in dit geval[X]. Voor zover een beroep op ongerechtvaardigde verrijking van [appellant] al op zou kunnen gaan, heeft [appellant] onvoldoende concreet gesteld dat [geïntimeerde] daadwerkelijk is verrijkt, zodat de rechtbank daaraan voorbij gaat. 11. In hoger beroep komt [appellant] met zijn eerste grief op tegen het oordeel dat de verschuldigdheid van buitengerechtelijke kosten, kosten van beslaglegging, de rente daarover, alsook (de rente over
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.