GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling civiel recht Zaaknummer : 200.094.921/01 Zaak/rolnummer Rb : 371965/HA ZA 10-2627 arrest van 26 februari 2013 inzake de vennootschap naar vreemd recht DANISCO A/S, gevestigd te Kopenhagen, Denemarken, appellante, hierna te noemen: Danisco, advocaat: mr. L.Ph.J. baron van Utenhove te Den Haag, tegen de vennootschap naar vreemd recht NOVOZYMES A/S, gevestigd te Bagsvaerd, Denemarken, geïntimeerde, hierna te noemen: Novozymes, advocaat: mr. D. Knottenbelt te Rotterdam. Verloop van het geding Bij exploot van 24 augustus 2011 is Danisco in hoger beroep gekomen van het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Den Haag van 22 juni
(2010)779. 8.3 Het bovenstaande betekent dat art. 14 van de Richtlijn, dat de lidstaten opdraagt er voor te zorgen dat de redelijke en evenredige gerechtskosten en andere kosten door de verliezende partij zullen worden gedragen, alleen betrekking heeft op procedures over inbreuk op een intellectuele-eigendomsrecht. Het toepassingsgebied van art. 14 wijkt immers niet af van dat van (de overige bepalingen van) de Richtlijn. 8.4 Bij de implementatie van ( art. 14 van) de Richtlijn heeft de Nederlandse wetgever gekozen voor ditzelfde toepassingsgebied: de maatregelen in titel 15 Rv. kunnen worden genomen naar aanleiding van inbreuk of dreigende inbreuk, en de proceskostenveroordeling van art. 1019h Rv. heeft betrekking op 'intellectuele eigendomsinbreukzaken' ( Kamerstukken II , 30 329, 2005/06, nr. 3, p. 17 en 26). 8.5 Dit betekent dat art. 1019h Rv alleen van toepassing is op procedures tussen enerzijds de houder van een intellectuele-eigendomsrecht (...) en anderzijds de vermeende inbreukmaker (...), voor zover in zo'n procedure de vraag aan de orde is of de vermeende inbreukmaker zonder toestemming handelingen (heeft) verricht of dreigt te verrichten die zijn voorbehouden aan de houder van het recht. 8.6 Deze vraag is aan de orde waar in een procedure wordt opgetreden tegen een inbreuk of waar een verklaring voor recht van niet-inbreuk wordt gevraagd. Ook is de inbreukvraag bijvoorbeeld aan de orde in een executiegeschil waarin het gaat om de vraag of een eerder gegeven inbreukverbod wordt nageleefd (Hof Den Haag 19 mei 2009), alsmede in nietigheids- en oppositieprocedures voor zover die samenhangen met een concrete (voorgenomen) inbreukactie (Hof Den Haag 13 juli 2010, LJN BN4723; Hof Den Haag 30 maart 2010, LJN BM6017). In laatstgenoemde procedures is immers in feite sprake van een vooruitgeschoven inbreukverweer. Datzelfde geldt voor een procedure waarin een zogenaamd 'wapperverbod' wordt gevorderd op de grond dat er geen inbreuk wordt gemaakt." 14. Uit de uitspraak van het HvJEU in de zaak Bericap/Plastinnova blijkt dat de in de rov. 8.2 en 8.3 van het zojuist aangehaalde arrest van dit hof weergegeven uitleg van (het toepassingsbereik van) de Handhavingsrichtlijn, en in het kielzog daarvan, van de artikelen 1019 e.v. Rv. (rov. 8.4 en 8.5), daarmee in lijn is. Dat het daarbij niet slechts gaat om bescherming tegen daadwerkelijke inbreuk, maar ook tegen dreigende inbreuk, volgt bijvoorbeeld uit het bepaalde in artikel 9, in het bijzonder lid 1 onder a), van de Handhavingsrichtlijn. Met het oog op de vraag of ook hetgeen door dit hof is overwogen in rov. 8.6 van voornoemd arrest in overeenstemming is met de uitspraak in de zaak Bericap/Plastinova, is het volgende van belang. 15. Artikel 14 van de Handhavingsrichtlijn bepaalt: "De lidstaten dragen er zorg voor dat, als algemene regel, redelijke en evenredige gerechtskosten en andere kosten die de in het gelijk gestelde partij heeft gemaakt, door de verliezende partij zullen worden gedragen, tenzij de billijkheid zich daartegen verzet." Uit de (door het hof) vetgedrukte gedeelten van de bepaling blijkt dat niet alleen de houder van het intellectuele eigendomsrecht (bij winst van de procedure) aanspraak dient te kunnen maken op vergoeding van zijn kosten, maar dat dit ook geldt voor de wederpartij, te weten degene die ten onrechte van (dreigend) inbreukmakend handelen is beticht. Een ander uitgangspunt, waarin bedoelde aanspraak alleen zou gelden voor de houder van het intellectueel eigendomsrecht, zou ook in strijd komen met het in artikel 6 EVRM gewaarborgde beginsel van 'equality of arms'. 16. Uit het feit dat ook degene die ten onrechte blijkt te zijn beticht van (dreigend) inbreukmakend handelen, aanspraak kan maken op vergoeding van zijn (redelijke en evenredige) kosten, volgt noodzakelijk dat aan deze een vergoeding toekomt van kosten gemaakt voor het aanvoeren van verweren tegen het gesteld (dreigend) inbreukmakend handelen. Een belangrijk en veel gevoerd verweer tegen (dreigend) handhavend optreden door de houder van het desbetreffende intellectuele eigendomsrecht is de stelling dat dat recht niet bestaat of ongeldig (nietig) is. Het hof is van oordeel dat ook de kosten van een dergelijk verweer onder het toepassingsbereik van de Handhavingsrichtlijn - en dus van artikel 1019 e.v. Rv. - vallen. De uitspraak van het HvJEU inzake Bericap/Plastinnova staat niet aan dat oordeel in de weg. Immers, het HvJEU heeft in rov. 78 uitdrukkelijk overwogen dat het antwoord op de gestelde vragen betrekking heeft op "Een nietigheidsprocedure als die welke in het hoofdgeding aan de orde is", te weten: een (administratieve) procedure die nietigverklaring van het betreffende gebruiksmodel tot inzet had. Daarbij bevat de uitspraak van het HvJEU geen enkele aanwijzing dat de vordering tot nietigverklaring kon worden gekwalificeerd als een inbreukverweer. De uitspraak van het HvJEU in die zaak ziet derhalve op een andere situatie dan in dit geding aan de orde is. Het hof verwerpt voorts het argument van Novozymes dat het risico van een veroordeling in de volledige kosten van de wederpartij ook in geval van een nietigheidsverweer een drempel opwerpt voor het treffen van handhavingsmaatregelen en dat dit strijdig is met de doelstelling van de Handhavingsrichtlijn. Immers, wanneer dat nietigheidsverweer wordt verworpen kan de rechthebbende (in beginsel) aanspraak maken op vergoeding van de kosten gemaakt ter bestrijding daarvan; wanneer het nietigheidsverweer wordt gehonoreerd, blijkt degene die handhavingsmaatregelen heeft getroffen geen intellectueel eigendomsrecht te hebben en is de doelstelling van de Handhavingsrichtlijn, te weten: bescherming van de houder van een intellectueel eigendomsrecht, niet in het geding. 17. In dat verband is van belang dat, hoewel Danisco de procedure is begonnen met een vordering tot nietigverklaring van EP 592, deze vordering er, naar zij onweersproken heeft gesteld (pleitnota in hoger beroep onder 3-6), op gericht was zich te weer te stellen tegen het dreigend handhavend handelen op grond van dat octrooi door Novozymes (ook in Nederland). Aldus moet deze vordering worden gekwalificeerd als een (op het moment van aanhangig maken ervan) vooruitgeschoven inbreukverweer. Uit hetgeen het hof hiervoor, in de rov. 14-16 heeft overwogen, volgt dat naar 's hofs oordeel ook de aan een dergelijk verweer verbonden kosten onder het toepassingsbereik van artikel 14 van de Handhavingsrichtlijn vallen. Niet valt in te zien waarom het met het oog op dat toepassingsbereik verschil zou maken of het verweer van de vermeende inbreukmaker tegen handhavend optreden van de houder van het intellectuele eigendomsrecht wordt gevoerd in de vorm van een vordering tot nietigverklaring die voorafgaat aan het verwachte (en ook gerealiseerde) optreden van de rechthebbende, dan wel in reactie daarop. 18. Gelet op het voorgaande ziet het hof geen aanleiding om prejudiciële vragen aan het HvJEU te stellen. Het op de uitspraak van het HvJEU in de zaak Bericap/Plastinnova gebaseerde verweer van Novozymes tegen de gevorderde vergoeding ex artikel 1019h Rv. in conventie, wordt derhalve verworpen. 19. Novozymes maakt voorts bezwaar tegen de gevorderde vergoeding op de grond dat deze niet redelijk en evenredig is. Ter onderbouwing van dat verweer heeft Novozymes, hoewel zij zelf geen aanspraak maakt op vergoeding van haar proceskosten, een begroting van die (eigen) kosten overgelegd. Bij pleidooi heeft zij nader verklaard dat haar kosten (voor het hoger beroep) in totaal uitkomen op ongeveer € 96.000,- (ca. € 85.000,- voor de periode tot begin januari 2013 en ca. € 11.000,- voor het pleidooi). Zij acht, mede om die reden, het door Danisco gevorderde bedrag van € 269.604,50 aan honorarium disproportioneel. Meer specifiek maakt Novozymes bezwaar tegen de navolgende onderdelen van de begrote kosten:
- i)werkzaamheden die betrekking hebben op de oppositie bij het EOB;
- ii)werkzaamheden besteed aan 'sufficiency' en een 'court submission'; iii) werkzaamheden die geen betrekking hebben op het opstellen van de memorie van grieven en de onder
- i)en
- ii)genoemde (zie haar pleitnota onder 30 e.v.). De kosten (naar het hof begrijpt: terzake van honorarium) gemoeid met het opstellen van de memorie van grieven bedragen volgens Novozymes ongeveer € 60.000,- (naar zij uit de door Danisco overgelegde specificatie afleidt); dat acht zij redelijk. De onder
- i)genoemde werkzaamheden horen volgens Danisco niet thuis in de onderhavige procedure, behoudens wat betreft kennisname van hetgeen in de oppositieprocedure plaatsvindt, maar zij neemt aan dat de daaraan verbonden kosten zijn verdisconteerd in de kosten van het opstellen van de memorie van grieven. De onder
- ii)genoemde kosten zien volgens Novozymes op een beoogd rapport van de octrooigemachtigde van Danisco, [...], naar aanleiding van de 'discovery'-stukken die door het High Court of Justice in zijn uitspraak van 9 maart 2012 zijn vrijgegeven. Volgens Novozymes waren die werkzaamheden onnodig, omdat een dergelijk rapport overbodig zou zijn wanneer de TKB de herroeping van het octrooi in stand zou laten, hetgeen eind juni 2012 bekend zou zijn, terwijl er voor het opstellen van het rapport ruim voldoende tijd zou zijn indien de TKB anders zou oordelen, omdat (naar in mei 2012 al bekend was) het pleidooi in het onderhavige beroep pas op 17 januari 2013 zou plaatsvinden. De onder iii) genoemde werkzaamheden, waarvan door Novozymes uit de specificatie van Danisco wordt afgeleid dat zij onder meer betrekking hebben op e-mails, correspondentie en telefoongesprekken en dat zij ca. € 115.000,- bedragen, acht Novozymes, mede in aanmerking genomen dat haar eigen, daarop betrekking hebbende kosten ca. € 17.000,- bedragen, disproportioneel. Ook het bedrag dat Danisco heeft opgegeven als kosten gemoeid met het pleidooi voor het hof (€ 19.868,75 aan honorarium) acht Novozymes niet evenredig, gelet op het feit dat zijzelf daaraan, naar zij stelt, ongeveer € 11.000,- heeft besteed. Zij wijst er daarbij op dat, nu het pleidooi nog slechts over de kosten ging, er geen noodzaak was om met twee advocaten ter zitting te verschijnen. 20. Danisco heeft nader gespecificeerd dat met het opstellen van de memorie van grieven ongeveer € 72.000,- gemoeid is. Het hof gaat ervan uit dat daaronder begrepen zijn de kosten verbonden aan het opstellen en laten uitbrengen van de appeldagvaarding. Het hof acht, gelet op de door Danisco overgelegde specificatie, voldoende aannemelijk dat met die werkzaamheden een dergelijk bedrag gemoeid is geweest en acht dit bedrag redelijk en evenredig. 21. Voor zover het gaat om kosten, gemaakt in verband met haar betrokkenheid bij de oppositieprocedure bij het EOB, stelt Danisco dat zij slechts die kosten in rekening heeft gebracht die verband houden met werkzaamheden ten nutte van de onderhavige procedure. Ten aanzien van de kosten van de werkzaamheden van haar octrooigemachtigde [...] erkent Danisco dat deze betrekking hebben op een inhoudelijk stuk over de 'discovery'-documenten uit Engeland, welk stuk bedoeld was voor indiening bij het hof voor het geval het octrooi toch stand zou houden. Volgens Danisco waren deze documenten essentieel, omdat daaraan een argument ontleend kon worden ter onderbouwing van de gestelde nietigheid van het octrooi, dat in de Nederlandse procedure nog niet aangevoerd had kunnen worden, vanwege de weigering tot afgifte van de betreffende documenten door Novozymes tot aan de vrijgave daarvan door het High Court of Justice. Danisco betwist evenwel niet dat de beslissing van de TKB voorzien was voor eind juni 2012, dat medio mei 2012 reeds bekend was dat het pleidooi voor dit hof medio januari 2013 zou plaatsvinden en dat er tussen eind juni 2012 en januari 2013 voldoende tijd was om - indien de TKB het octrooi in stand zou houden - het beoogde document door [...] te laten opstellen. 22. Het hof acht het redelijk werkzaamheden die bestaan uit het bestuderen van documenten uit de oppositieprocedure bij het EOB voor vergoeding in aanmerking te nemen, voor zover dat dienstig kan zijn geweest aan de onderhavige procedure. In dat verband is van belang dat de memorie van grieven dateert van 27 december 2011 en dat Danisco nadien, tot aan (de voorbereiding van) het pleidooi, geen gedingstukken heeft hoeven produceren. Bovendien was op 29 juni 2012 bekend dat het octrooi geen stand hield en dat het debat in hoger beroep dus nog slechts de proceskosten zou betreffen. Om die reden zal het hof de kosten, verband houdend met het bestuderen en bespreken van de stukken uit de oppositieprocedure, tot aan 27 december 2011 in aanmerking nemen, behoudens de kosten gemoeid met het bijwonen van de hoorzitting bij de Oppositie-Divisie van het EOB op 7 juli 2011 (10 uren van mr. Van den Broek). Niet valt in te zien dat - met het oog op het opstellen van de memorie van grieven - niet volstaan kon worden met bestudering van het daarvan opgemaakte verslag. Overige kosten, verband houdend met de oppositieprocedure, zal het hof buiten beschouwing laten. Kosten van het bestuderen van de uitspraak van de TKB van 29 juni 2012 heeft het hof in de specificatie van Danisco niet aangetroffen. Bovendien was voor de procedure voor dit hof slechts relevant het blote feit dat de TKB het beroep tegen de beslissing van de Oppositie-Divisie heeft verworpen. 23. Ten pleidooie heeft Danisco een kopie van haar kostenspecificatie (productie 41) overgelegd, waarop zij de werkzaamheden met betrekking tot de oppositieprocedure geel heeft gemarkeerd. Het hof leidt daaruit af dat die werkzaamheden niet reeds zijn verdisconteerd in het bedrag van € 72.000,- dat volgens Danisco aan de opstelling van (de appeldagvaarding
- en)de memorie van grieven is besteed. Uit de specificatie volgt dat met de EOB-gerelateerde werkzaamheden die betrekking hebben op de periode tot aan de memorie van grieven en die het hof blijkens het voorgaande in aanmerking neemt, ca. 17 uren van mr. B.J. van den Broek gemoeid zijn, tegen een uurtarief van € 525,-, mitsdien (afgerond) € 8.925,-. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat de specificatie van de werkzaamheden op 8 augustus 2011 deels kennelijk mede betrekking heeft op het bestuderen van stukken uit een parallelle procedure in Denemarken (waarover hierna, rov. 27). Uit dezelfde specificatie volgt dat de werkzaamheden met betrekking tot de oppositieprocedure waarvan het hof het niet redelijk acht deze toe te rekenen aan de onderhavige procedure corresponderen met een bedrag van afgerond € 38.063,- (10 uur voor het bijwonen van de zitting van de Oppositie-Divisie van het EOB door mr. Van den Broek op 7 juli 2011 en werkzaamheden na 27 december 2011, te weten: 47,4 uur van mr. Van den Broek en 15,5 uur van [...], waarbij het hof van de op 12 april 2012 geboekte werkzaamheden één derde heeft toegerekend aan de procedure bij het EOB en van de op 21 mei, 1 juni en 25 juni 2012 geboekte werkzaamheden de helft). 24. Wat betreft de werkzaamheden met betrekking tot de uit de Engelse procedure vrijgekomen documenten ten behoeve van een 'court submission' is het hof van oordeel dat, nu Danisco, zoals hiervoor is vermeld, niet heeft betwist dat deze ook hadden kunnen worden uitgevoerd nadat de noodzaak daartoe was gebleken, derhalve na eind juni 2012, het niet redelijk is deze ten laste van Novozymes te brengen. Hetzelfde geldt voor daarmee samenhangende werkzaamheden van de advocaten van Danisco. Novozymes maakt eveneens bezwaar tegen werkzaamheden die verband houden met 'sufficiency'. In het bewerkte overzicht (productie 41) van Danisco zijn deze werkzaamheden (net als die welke betrekking hebben op de 'court submission') roze gemarkeerd. Volgens opgave van Danisco gaat het om werkzaamheden met betrekking tot de interne testresultaten van Novozymes. Daarmee was volgens Danisco € 47.000,- gemoeid (zie haar pleitnota onder 37, c en noot 8). Nu het deze interne testresultaten zijn die in de Engelse procedure zijn vrijgegeven, ziet ook de 'sufficiency' kennelijk daarop. Al deze werkzaamheden zijn verricht in 2012. Om redenen genoemd in rov. 22 is het hof van oordeel dat deze niet voor vergoeding in aanmerking komen. 25. Uit de specificatie van 16 januari 2013 van Danisco blijkt dat zij in de periode van 3 tot 17 januari 2013 een bedrag van € 19.868,75 aan honorarium heeft besteed aan de voorbereiding en het bijwonen het pleidooi. Op de vraag van het hof of na 29 juni 2012, toen de herroeping van het octrooi definitief werd, nog wel sprake was van een geschil betreffende de handhaving van een intellectueel eigendomsrecht, dan wel het een incassogeschil is geworden, en (dus) of de nadien gemaakte kosten nog vallen onder het toepassingsbereik van artikel 1019h Rv., hebben partijen geantwoord dat die kosten vallen onder het toepassingsbereik van artikel 1019h Rv. (Danisco), respectievelijk in het verlengde van de procedure liggen en dus niet anders behandeld moeten worden dan de voordien gemaakte kosten (Novozymes). Het hof kan bij die stand van zaken het antwoord op voormelde vraag in het midden laten. Immers, nu beide partijen menen dat de betreffende kosten voor volledige vergoeding in aanmerking komen (wat Novozymes betreft: indien het arrest Bericap/Plastinova daaraan niet in de weg staat, hetgeen blijkens het voorgaande niet het geval is), kunnen zij worden geacht aldus een overeenkomst te hebben gesloten tot volledige vergoeding van de in de periode na 29 juni 2012 gemaakte kosten. Het hof verwerpt het bezwaar van Novozymes tegen de hoogte van de door Danisco voor het pleidooi begrote kosten. Dat deze hoger zijn dan die zij zelf heeft gemaakt, is niet doorslaggevend voor de beoordeling van de redelijkheid en evenredigheid ervan. Voorts is in zaken als de onderhavige gebruikelijk dat een partij wordt bijgestaan door meer dan één deskundige. Hoewel denkbaar zou zijn geweest om in dit geval, waarin het nog slechts om de proceskosten gaat, met één advocaat ter zitting te verschijnen, zal het hof aan de andere keuze van Danisco geen gevolgen verbinden, nu de advocaat van Novozymes zich ter zitting heeft laten vergezellen door de octrooigemachtigde van Novozymes en derhalve zelf ook met twee deskundigen is verschenen. 26. Het bovenstaande in aanmerking nemend blijft een bedrag van € 83.747,75 ter beoordeling over (€ 269.604,50 minus € 72.000,-, € 8.925,-, € 38.063,-, € 47.000,- en € 19.868,75). Het gaat dan om diverse werkzaamheden. Novozymes stelt dat met bedoelde overige werkzaamheden een bedrag van € 115.000,- gemoeid is, doch een aantal van de door haar onder die categorie ondergebrachte werkzaamheden zijn in het voorgaande reeds meegenomen. Novozymes acht het door haar genoemde bedrag niet redelijk en evenredig, gelet op het feit dat zij zelf voor 'overige kosten' een bedrag van € 17.000,- begroot heeft. Zoals het hof reeds heeft overwogen, rechtvaardigt het enkele feit dat de verliezende partij minder kosten heeft gemaakt dan de winnende partij, niet zonder meer de conclusie dat de kosten, op vergoeding waarvan de winnende partij aanspraak maakt, niet redelijk en evenredig zijn; bij een grote discrepantie kan dat hooguit een aanwijzing voor die conclusie zijn. In het onderhavige geval dient rekening te worden gehouden met het feit dat Danisco door de rechtbank zowel in conventie, als in reconventie in het ongelijk is gesteld en bovendien geconfronteerd werd met een herhaalde weigering van Novozymes om bepaalde, naar later is gebleken, essentiële stukken af te geven (zie hierna). Dat maakt aannemelijk dat zij aanmerkelijk meer tijd aan het hoger beroep heeft moeten besteden dan Novozymes. 27. Novozymes heeft haar verweer tegen wat zij als 'overige werkzaamheden' betitelt niet op andere wijze onderbouwd. Zonder meer valt ook niet in te zien dat het terzake gevorderde bedrag niet redelijk en evenredig is. Tot de overige werkzaamheden behoren die, welke betrekking hebben op bestudering van voor dit hoger beroep relevante stukken uit in andere landen gevoerde procedures. Deze zijn door Danisco op haar als productie 41 overgelegde overzicht groen gemarkeerd. Het hof is van oordeel dat het redelijk is deze werkzaamheden in aanmerking te nemen tot aan de datum waarop de memorie van grieven is genomen, derhalve 27 december 2011 (zie rov. 22). Danisco heeft in haar pleitnota aangegeven dat met bedoelde werkzaamheden een bedrag van € 17.000,- gemoeid is (noot 7 op blz. 10). Nagenoeg alle betreffende werkzaamheden zijn verricht in 2011. Voor werkzaamheden in 2012 zal het hof € 1.000,- aftrekken. Voorts behoren daartoe werkzaamheden onder de noemer 'communicatie' met de cliënt en derden en bestudering van de memorie van antwoord, welke het hof redelijk acht. Het hof zal aan 'overige werkzaamheden' derhalve een bedrag van € 82.747,75 als onderdeel van de te vergoeden kosten in aanmerking nemen. 28. Op grond van het voorgaande komt aan Danisco in beginsel een bedrag toe van (afgerond) € 183.542,- aan honorarium (€ 72.000,- + € 8.925,- + € 19.868,75 + € 82.747,75). Novozymes heeft bij pleidooi ook nog als verweer aangevoerd dat bij beoordeling van de redelijkheid en evenredigheid van de gevorderde proceskosten in aanmerking moet worden genomen welke van de door de winnende partij aangevoerde argumenten succes hebben gehad en welke niet (in Engeland genoemd: de 'issue based approach'). Novozymes betoogt in dat verband dat rekening moet worden gehouden met het feit dat Danisco de zaak bij de TKB gewonnen heeft op grond van een argument dat zij in de onderhavige procedure niet heeft aangevoerd. Voorts stelt zij dat één van de door Danisco aangevoerde verweren tegen de gestelde inbreuk evident kansloos was. 29. Danisco stelt dat dit verweer moet worden gekwalificeerd als nieuw en derhalve buiten beschouwing moet blijven. Het hof volgt haar daarin. Niet valt in te zien waarom Novozymes dit verweer niet bij memorie van antwoord had kunnen aanvoeren. Immers, Danisco had reeds bij memorie van grieven aanspraak gemaakt op volledige vergoeding van haar proceskosten. De omstandigheid dat zij die kosten nog niet had gespecificeerd stond geenszins in de weg aan een beroep op de 'issue based approach'. Ten overvloede overweegt het hof dat, hoewel niet valt uit te sluiten dat het in bepaalde, sprekende gevallen, redelijk kan zijn bij de begroting van de kosten rekening te houden met de kans van slagen van de aangevoerde argumenten, het daarvoor in de onderhavige zaak in elk geval geen aanleiding ziet. Daarbij is van belang dat Danisco de stukken op grond waarvan zij de zaak bij de TKB (en thans ook bij het hof) heeft gewonnen door toedoen van Novozymes niet vóór het formuleren van haar memorie van grieven in handen heeft gekregen. Dat Danisco, naar Novozymes stelt, het winnende argument ook op andere wijze, namelijk door zelf bepaalde proeven te doen, boven tafel had kunnen krijgen, doet daaraan niet af. Danisco heeft voorts weersproken dat het door Novozymes bedoelde niet-inbreukverweer kansloos was. 30. Aan kantoorkosten rekent Danisco 6% van het honorarium. De redelijkheid daarvan is door Novozymes niet ter discussie gesteld. Derhalve zal het hof terzake een bedrag van afgerond € 11.013,- in aanmerking nemen. Ook de door Danisco gevorderde vergoeding van verschotten van afgerond € 7.286,- komt voor vergoeding in aanmerking. Aldus komt het totaal op een bedrag van € 201.841,-. 31. Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing. Beslissing Het hof: vernietigt het vonnis waarvan beroep en, opnieuw recht doende: in conventie: wijst de vordering tot vernietiging van EP 1 804 592 af; in reconventie: wijst de vorderingen van Novozymes af; in conventie en in reconventie: veroordeelt Novozymes in de kosten van het geding van Danisco in eerste aanleg en verstaat dat Novozymes het terzake tussen partijen overeengekomen bedrag aan Danisco heeft voldaan; veroordeelt Novozymes in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van Danisco begroot op € € 201.841,-; verklaart dit arrest wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad. Dit arrest is gewezen door mrs. J.C. Fasseur-van Santen, A.D. Kiers-Becking en T.H. Tanja-van den Broek, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 februari 2013 in aanwezigheid van de griffier.